De oude watermolen

De Nada Kronieken, deel 44

 

Door Mara Oldenburg



Enkele jaren geleden, na een moeilijke periode in mijn leven, reisde ik in mijn eentje af naar de wintersport in Oostenrijk. Ik had een kamer gehuurd in het Familienhotel zur alten Mühle in Reichenfels, een klein plaatsje, diep in Karinthië. Maar van wintersport is het toen niet gekomen. Ik zal je vertellen waarom.

Het is een eind rijden naar Karinthië, zo’n 1100 kilometer, maar welgemoed toog ik via de Duitse Autobahnen, op weg naar nieuwe avonturen. En ik kan je verzekeren dat het avontuur dat ik beleefde meer dan waard is om verteld te worden.

Op een gegeven moment had ik het helemaal gehad en stopte, in de buurt van Salzburg, op een pleisterplaats langs de Tauernautobahn, om mijn benen te strekken. Er liep een smal pad de bergen in en ik besloot het te volgen om zo mijn verkrampte lichaam een mogelijkheid te geven zich te herstellen. Even later was ik uit het gezicht van de voortsnellende auto’s en bevond me aan de oever van een smal riviertje, temidden van de naaldbomen.

Het begon te sneeuwen. Eerst een beetje, later wat meer en na een kwartier was de wereld omgetoverd van grauw naar wit en een sprookjesachtige stilte daalde op mij neer. Het was een gestage – steeds maar doorvallende, windloze sneeuw - zoals die slechts tussen de beschutting van bergen kan voorkomen.

Langzaam werd het donker en ik dacht erover terug te keren naar mijn auto, maar iets zei me dat ik beter kon doorgaan. Ik maakte mezelf uit voor muts, maar desondanks ging ik maar door en door. Er leek geen eind aan mijn wandeling te komen en ondanks dat ik mezelf vertelde dat mijn verkramptheid allang was verholpen, luisterde ik niet naar mezelf.

Maar wat dan wel? Ik betrapte mezelf erop dat ik liep uit te kijken naar een plaats om te overnachten, maar er waren hier geen huizen. Slechts stilte omringde mij. Maar opeens ontwaarde ik tussen de bomen een lichtje. Naderbij gekomen bleek het, op de plaats waar het dal iets breder werd, om een oud en vervallen vrijwel vierkant bijna raamloos gebouw te gaan met in de beek een vergane watermolen. ‘Ha, dit moet het ‘Familienhotel zur alten Mühle’ zijn, grinnikte ik in mezelf. Omdat ik het in mijn windjack koud had gekregen en ik bedacht dat licht warmte betekende, besloot ik poolshoogte te gaan nemen.

Boven de smalle ingang was een houten bord gespijkerd dat reclame maakte voor Gösser bier. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar ik ben dan ook geen bier drinkster. Het betekende wel dat hier in ieder geval een versnapering te bekomen zou zijn. Op de stoep was de meeste sneeuw weggehaald, bovendien merkte ik dat het was opgehouden met sneeuwen.

Ik stampte mijn koude voeten schoon en kwam in een verveloze donkere gang terecht met links en rechts deuren, maar verder niets. Aan de rechterkant meurde het, daar moest ik dus niet zijn, het rook naar stal. Aan de andere kant had ik meer geluk, want hier was het gastlokaal. Er stonden een paar tafeltjes en stoelen en een bar aan de kant van de gang. Het was er koud en geen mens te bekennen. Maar even later ging de deur naast de bar open en kwam een knappe jonge vrouw binnen in een ouderwetse terrakleurige wollen jurk. Ze droeg haar donkere haar hoog opgemaakt met een gebloemde hoofddoek eromheen geknoopt. Over haar jurk droeg ze een Tirools schort. Ze droeg effen grijze kousen en aan haar voeten verouderde zwarte hoge laarsjes. Kortom, alles in deze ruimte ademde vervlogen tijden uit en ik voelde me aanvankelijk niet erg op mijn gemak.

De vrouw keek me aan en ik moet bekennen dat er van haar grote donkere ogen een zekere betovering en herkenning uitging die me de rillingen over de rug deed lopen. Onzin natuurlijk, want waar zou ik deze vrouw van moeten kennen. Domme gedachte. Zoiets kon gewoon niet waar zijn. Haar smalle lippen, onder de wat forse en kaarsrechte neus, glimlachten even terwijl ze doorliep tot achter de bar.

“Grüss Gott”, begroette ze me met een warme diepe altstem die helemaal bij haar goedgevormde lichaam scheen te passen.
“Grüss Gott”, antwoordde ik ad-rem in mijn beste Duits. “Is de zaak gesloten? Het ziet er hier zo onherbergzaam uit.
“Nee”, zei ze. “We zijn niet gesloten maar met deze sneeuwval verwacht ik niet veel bezoekers. Maar u kunt in de keuken komen zitten, daar brandt de oven. En misschien kunnen we het dan wel gezellig maken”, zei ze op mysterieuze toon, waarbij ze opnieuw haar halve glimlach produceerde.

~*~*~*~

Ze ging me voor. In de keuken stonden twee tafeltjes met roodgeblokte kleedjes en antieke houten banken tegen de muur met versleten kussens. Op elke tafel stond een fles met een brandende druipkaars. De kachel snorde en het was er behaaglijk warm. Ik installeerde me comfortabel in één van de hoeken van de bank en vroeg aan de waardin of ze misschien soep had. Mijn verkilde ingewanden hadden dringend behoefte aan iets warms.

Ze knikte, zette een pan in het gat van de oven en vulde die met – zo te zien – tomatensoep. “Het is zó warm,” zei ze overbodig. Ondertussen keek ik een beetje rond. Het was een hoge keuken, langwerpig gebouwd, met een soort gewelf als plafond. Aan het ene uiteinde waren de tafeltjes met de banken tegen de muur. Aan de andere kant rechts stond het grote antieke fornuis met links een aanrecht, een steeds doorlopende kraan met daarboven een pannenrek. Tegenover me, naast een grote kast, bevond zich de deur die op de gang moest uitkomen. Tegen de wanden, waar je in deze omgeving lambrisering zou verwachten was tot op halve hoogte met rode verf een soort namaakbehang geschilderd. Hoog in de lange muur bevonden zich twee smalle ramen. Het geheel maakte behalve een ouderwetse, ook een kale indruk, maar ik vermoedde dat wanneer er wat meer mensen zouden komen en het bier rijkelijk zou vloeien, de sfeer zich enorm zou kunnen veranderen.

De soep, met een grote homp brood, werd geserveerd en terwijl ik het me goed liet smaken vroeg de waardin of ze bij me aan tafel mocht komen zitten om haar eigen soep met brood te verorberen. Ik stemde toe en terwijl ze me haar hand toestak, stelde ze zich voor: “Welkom mevrouw, mijn naam is Aramia, mag ik vragen waar u vandaan komt?” Ik schudde haar hand. “Ik woon in Nederland, kom oorspronkelijk uit Engeland en mijn naam is Mara, aangenaam.”

We raakten aan de praat en nadat we onze soep op hadden liep Aramia naar achteren en kwam terug met een breiwerk. Sinds mijn wekelijkse bezoeken aan mijn oma had ik dat niet meer gezien. Ze breidde een lange kous, die ze met vlugge vingers tevoorschijn toverde en waarbij ze zes breipennen gebruikte. Onder het praten keek ik naar de vlugge ritmische bewegingen van haar slanke vingers. Aan haar rechterringvinger droog ze twee gouden ringen boven elkaar; ze was dus weduwe, en dat op haar leeftijd. Ze was beslist niet ouder dan ik. Ze merkte dat ik naar haar vingers keek.

“Ja”, zuchtte ze. “Mijn Peter is al twee jaar dood”. “Het spijt me”, antwoordde ik en wist verder niets te zeggen. “Als je wilt zal ik je vertellen wat er is gebeurd.”

“Tien jaar geleden zijn we getrouwd. Het was een prachtige septemberdag. We waren gelukkig en hadden een prachtig leven voor ons. Peter had van zijn spaarcenten deze bouwval gekocht en het was de bedoeling om die op te knappen en om te bouwen tot ‘Familienhotel zur alten Mühle’. Maar helaas werd hij al spoedig ziek en van enige verbouwing is het nooit gekomen.” Aramia zuchtte. “Het was een zware tijd.” Ze zweeg lange tijd, stond op en haalde een fles schnaps en twee glazen. Ze schonk in en zei: “Prosit, op het leven”. Ik keek haar aan en zag een traan opwellen, waardoor haar ogen nog mooier werden. Weer was het lange tijd stil.

“Toen je binnenkwam”, zei ze na verloop van tijd, “schrok je even toen je me zag. Mijn gezicht kwam je bekend voor en ook mijn naam doet een belletje bij jou rinkelen.” Ik knikte, maar zei niets. “Je moet weten, en ik weet zeker dat ik dit tegen jou kan zeggen, dat ik nog steeds regelmatig contact heb met Peter in het hiernamaals. Vaak spreken wij met elkaar en het komt regelmatig voor dat hij me aanwijzingen geeft die relevant zijn en die mij helpen bij het maken van mijn keuzes. Ik wist bijvoorbeeld dat jij eraan kwam; althans een vrouw met ongeveer jouw uiterlijk en zeker de uitstraling. Ik zag ernaar uit en ik schaamde me een beetje dat ik jou in deze ellendige ruimte zou moeten ontvangen.”

“Je hebt gelijk”, knikte ik en terwijl haar breipennen tikten, zweeg ze weer lange tijd. Mijn gevoelens maakten overuren en plots moest ik denken aan een droom die ik niet lang gelegen had gehad.

“Ik sta aan de rand van een groot meer. Het is bewolkt. Aan de overkant zijn lage heuvels met een begroeiing aan de oever, bestaande uit een coniferenbos. Zelf sta ik op een zandstrand. Omdat er geen wind is, kabbelen de golven zachtjes op en tegen het zand. Overigens is het heel stil. Ik zie dat zich aan de overkant een roeibootje van de oever losmaakt, dat langzaam mijn richting uitkomt.

Boven mij hoor ik meeuwen krijsen en het getsjilp van een tureluur.

Het bootje komt steeds dichterbij. Er zit een persoon in die zich met de rug naar mij toe bevindt. Zij is gekleed in een ouderwetse terrakleurige wollen jurk. Ze draagt haar donkere haar hoog opgemaakt met een gebloemde hoofddoek eromheen geknoopt. Over haar jurk draagt ze een Tirools schort.

Het aanzicht van het bootje wordt steeds groter en weldra stoot het op het strand.

De persoon klimt uit de boot en stapt op het strand. Wanneer zij zich omdraait zie ik haar gezicht. Het is mijn Gids.”

Ik schrok, want terwijl ik me die droom herinnerde, zag ik ineens de gelijkenis tussen Aramia en de gids uit mijn droom. De droom was toen abrupt afgebroken maar ineens leek het wel of die zich aan het voortzetten was.

“Ben jíj een van mijn Gidsen?”, vroeg ik. Weer met die halve glimlach keek ze op van haar breiwerk, maar zei nog steeds niets. Het was blijkbaar de bedoeling dat ik mijn eigen conclusies zou trekken. Ineens wist ik het. Mara…, Aramia…, dat kon geen toeval zijn. “Jij bent een ander deel van mijn Hogere Zelf”, wist ik uit te brengen. “Jij en ik zijn aspecten van de Ziel waarvan jij en ik deel uitmaken. Ik wist dat het bestond, maar ik had nooit gedacht dat het mogelijk zou zijn om zoiets in het fysieke te kunnen beleven.

“Inderdaad, het is geen toeval, Mara. In het recente verleden zijn er in jouw leven dingen gebeurd die jou als het ware hebben laten wankelen. Die jou onzeker maakten en waarbij de waarden van het leven voor jou in het gedrang zijn gekomen. Vandaag sta je op het punt waar de weg zich splitst. De vraag is, ga je naar links, of ga je naar rechts. Of anders gezegd, volg je het pad van je ziel of dat van je verstand. Yin of Yang.”

“Ik vertel nu wat meer over de implicaties daarvan. Het is van belang om te weten dat het altijd goed is om met dit soort zaken om te gaan op een manier die ervoor zorgt dat je innerlijke zuiverheid wordt verheven tot een graad van perfectie die je in staat stelt om datgene met je leven te doen wat je er voordat je in dit leven kwam van verwachtte. Te beseffen dat het goed is om goed voor jezelf en voor anderen te zijn.”

“Het is ook van belang om in gedachten te houden dat deze eerbaarheid er op neer komt dat je de oprechtheid van geest en lichaam naar een hoge graad van perfectie opbouwt, om zo voort te gaan met de innerlijke verrijking van je sterfelijkheid en daardoor van je onsterfelijke ziel.”

“Bedenk altijd dat God van ons gevraagd heeft om de Goddelijke vonk in onszelf te eerbiedigen en te volgen naar de vervulling van datgene wat voor de voortgang van de ziel van belang is. Bedenk altijd dat je nimmer datgene zou moeten doen dat je jezelf ook niet aangedaan zou willen hebben. Breng liefde in je eigen leven opdat je liefde kunt brengen in de levens van anderen.”

“Volg het pad van jouw keuze en je zult opnieuw een gelukkig mens worden. Het geven van een glimlach aan anderen is zo waardevol. Het kost niets, maar is heel veel waard. Breng vreugde in het leven van anderen door je te gedragen als iemand die zelf vreugde in het leven heeft en die vreugde in overvloed heeft om het door te kunnen geven aan anderen.”

“Dat is niet altijd gemakkelijk en zeker niet wanneer vermoeidheid bezit van je heeft genomen. Ook dan, en zelfs juist dan zou je je rekenschap moeten kunnen geven van de liefde die je voor anderen, voor mens en dier, voelt. Daag die dan ook uit opdat de andere mens of het andere dier ook die gelukzaligheid zal kunnen ondervinden die je ondervindt op de momenten dat je zelf de euforie van het geluk voelt.”

Aramia zweeg, liet haar breipennen gaan en ik zat deze mooie woorden langzaam te verwerken. Wat een wijsheid. “Dank je wel, Aramia, voor deze mooie woorden. Ik weet dat ze diep uit jouw hart komen, en, omdat je bent wie je bent, weet ik dat ze ook in mijn eigen hart begraven waren. Ik wist alleen niet hoe ik ze zou moeten opgraven. Dank je wel voor deze les”.

We omhelsden elkaar. “Het is niet nodig om hiervoor te bedanken, Mara. Dit soort lessen, aangestuurd vanuit de Goddelijke wereld zijn gratis, worden je gegeven door diegenen die in samenspraak met jou hebben gekozen om je te helpen op je levenspad. Zij zorgen ervoor dat dit levenspad zoveel mogelijk tegemoet komt aan de verwachtingen die je er zelf van hebt gemaakt toen je op het punt stond te incarneren in je huidige leven.

“Op dit moment is het tijd om een keuze te maken over wat je met je verdere leven gaat doen. Je bent je daar nu meer dan ooit van bewust en ik weet zeker dat je de goede keuze zult maken. Voor jezelf, voor je omgeving en voor de Goddelijkheid die ook in jou is…”

Aan het feit dat jij dit verhaal hebt kunnen lezen, is het duidelijk welke keuze ik in die oude molen heb gemaakt.

Ik zag een schaduw van een schaduw
Ik zag mijn Gids daar staan
Zij was van grote schoonheid
Ik liet haar toen weer gaan

Zij is mijn grote voorbeeld
Zij weet wat ik moet doen
Haar stem is zacht en teder
Ik zei vaarwel en toen…

Zij is er wanneer nodig
Op alle weg en pad
Wanneer ik heel goed luister
Dan voel ik heel goed dat…

Ik zag een schaduw van een schaduw
Dit is mijn Goede Gids
Zij is altoos aanwezend
Zij is als steeds mijn Gids


Mara