foto: IKS photography

Voorbij de tijdgrens

De Nada Kronieken, deel 52

 

Door Hilda Spruit

www.hildaspruit.nl

 

Het is nu ruim vijf jaar geleden dat mijn vrouw mij op een vroege morgen bezorgd en vol medelijden aankeek en vroeg: ‘Gaat het met je?’

Haar liefdevolle blik deed mijn pijn wegsmelten en eigenlijk wilde ik haar ook niet ophouden.
‘Ik heb goed geslapen en het lijkt een stuk minder te zijn’, stelde ik haar gerust. ‘Ga maar, ik red me wel.’
Dralend ruimde ze de ontbijtboel op en trok haar jas aan.
‘Weet je het zeker?’, klonk het nog wat wantrouwig vanuit de gang.
‘Ja meisje, ga nou maar en doe de kleinkinderen de groeten van me.’ Ik liep naar de gang, drukte een kus op haar overbezorgde wang en zwaaide haar uit.
Ze zou die dag op de kleinkinderen passen, zo’n twee uur rijden bij ons vandaan.

Zodra ik haar de straat zag uitrijden, verbrak de magie en vloeide de bekende pijn, die de laatste dagen tot geniepig toe mijn deelgenoot was, terug in mijn lichaam. Ik liep naar binnen, schonk mijzelf een kop thee in en kroop voorzichtig achter mijn pc om mijn laatste hoofdstuk af te ronden.
Nog geen half uur later kroop ik over de grond van de pijn. Een nieuwe, de vorige overstemmende, stekende buikpijn had zich van mij meester gemaakt. Mijn lichaam schokte en ik was nauwelijks in staat om de sneltoets op mijn mobiel, waaronder Magda’s nummer stond, in te toetsen. Om de een of andere reden lukte het me niet om mijn vrouw te bereiken.
Met mijn laatste krachten begaf ik mij naar de huistelefoon en tikte haar nummer in.
‘Het gaat niet goed met me, wil je thuiskomen?’, kreunde ik, liggend op de grond, meegevoerd door aan- en afrollende golven van pijn.
Het was mijn geluk geweest dat Magda, alsof ze het wist, haar mobiel op de bijrijderstoel had gelegd. Iets wat ze anders nooit deed. Als ze hem in haar tas had laten zitten, had ze haar mobiel nooit kunnen horen.
Later realiseerde ik me pas dat ik evenwel had kunnen sterven in het bange, onaangename uur voordat ze bij me was. Het is nooit in mij opgekomen om 112 te bellen.

‘We hebben nog niets kunnen vinden, mijnheer Oldenburg. Daarom gaan we vanmiddag nog wat onderzoeken bij u doen’, zei de arts in het ziekenhuis, waar mijn vrouw mij ijlings naar toe had gebracht.
Ondanks dat de verpleegster heel voorzichtig een laken over mij heensloeg, kromp ik ineen van de pijn. Al die onderzoeken, het maakte mij allemaal niet zoveel meer uit, als ik maar van die helse pijn verlost kon worden. De tijd was vandaag mijn vijand en ik kon mij op dat moment nog niet realiseren dat diezelfde tijd later mijn beste vriend zou zijn.
‘Ik vind het allemaal goed’, antwoordde ik zachtjes en sloot mijn ogen.
Liefdevol wreef mijn vrouw over mijn arm en depte met een vochtige, koele washand de zweetdruppels van mijn voorhoofd weg. Ik liet mij gewillig wegzinken in haar zorgzaamheid, zodat ik de pijn even kon vergeten. Achter mijn gesloten ogen zag ik haar staan zoals ze was toen we elkaar net leerden kennen, jong, krachtig en omgeven door een prachtig wit licht.

‘U hebt een gesprongen blinde darm’, vertelde mijn arts een aantal onderzoeken later. ‘Dat betekent dat u in levensgevaar bent. Het is van groot belang dat u direct geopereerd wordt. Wij kunnen u hier niet helpen. We hebben niet de juiste mensen, noch de capaciteit om een zo ingrijpende operatie uit te voeren. Er wordt op dit moment druk gebeld met de academische ziekenhuizen in de omgeving en we wachten nog even af wat daaruit zal komen.’
Alleen al het idee om met deze pijn weer vervoerd te moeten worden, maakte me misselijk en bang. Wanhopig keek ik Magda aan.
‘Hou vol, Ben, ik ben bij je’, zei ze bemoedigend.

Nog geen uur later stond een heel medisch team, aangevoerd door mijn eigen arts, aan het voeteneinde van mijn bed.
‘Wij vinden het heel erg, maar we hebben geen enkel ziekenhuis kunnen vinden dat op dit moment een blindedarmoperatie als deze kan uitvoeren’, liet mijn arts weten.
‘Maar het is toch een zaak van leven en dood?’, vroeg mijn vrouw verbaasd.
Een van de specialisten uit het team schraapte zijn keel. ‘Gezien de hart- en longproblemen van uw man is de operatie nogal riskant’, zei hij.
Ach ja, dacht ik, mijn zwakke hart en longen achtervolgen mij mijn hele leven al. Ik wist dat ze direct of indirect nog wel eens mijn einde zouden kunnen betekenen.
‘Dus is het geen kwestie van niet kúnnen opereren, maar niet dúrven opereren!’, riep Magda hevig verontwaardigd.
Mijn arts keek haar spijtig aan en boog zijn hoofd.
‘En nu?’ Aan haar stem kon ik horen dat Magda in paniek begon te raken.
De arts richtte zich weer tot mij. ‘Mijnheer Oldenburg, ons medisch team,’ hij knikte naar de artsen om hem heen, ‘heeft besloten uw operatie, ondanks de gevaren alsnog zelf uit te voeren. De kans dat u het overleeft is erg klein, maar we kunnen niet anders en moeten ú dan ook de keuze laten of u wel of niet door ons geopereerd wilt worden. Beslist u snel, want er is niet veel tijd meer.’
Ik merkte dat de arts er flinke moeite mee had deze mededeling te moeten doen en in de ogen van de andere specialisten las ik een overvracht onzekerheid.
Vol medelijden legde mijn arts zijn hand op Magda’s schouder. ‘Het spijt mij oprecht, mevrouw.’
‘Laat mij maar gaan’, zei ik doodmoe. ‘Het is mooi geweest.’ Ik stond op het punt om op te geven en voelde me lichtjes wegzinken in een boterzachte roes.
Magda keek mij aan. Haar ogen vulden zich met kristallen tranen die één voor één haar wang beroerden, waarna ik ze uiteen voelde spatten op mijn onderarm. Ze wogen als lood en ik was blij voor haar dat zij ze kwijt was.
‘Ben,’ zei ze, terwijl ze een mislukte poging deed om het beven van haar stem te onderdrukken, ‘Ben, ik kán niet zonder je, alsjeblieft, ik wíl niet zonder je, je kinderen en de kleintjes kunnen niet zonder je. Bart’s dochter moet nog geboren worden. Die wil je toch nog zien?’
De intensiteit van haar smeekbede was zo diep dat ze me een reis liet maken naar het binnenste van mijzelf. Ik sloot mijn ogen. Voor mijn geestesoog zag ik de kinderen en kleinkinderen, en ik kreeg nogmaals het visioen van mijn Magda, omgeven door dat prachtige, witte licht.
De tijd leek stil te staan. Ik moest een beslissing nemen, een beslissing tussen leven en dood.
Zoals altijd in moeilijke situaties, richtte ik mij tot mijn schepper en vroeg wat ik doen moest. Nog nooit kwam een antwoord zo duidelijk bij mij binnen: ‘Het maakt niet uit, Ben, jij mag kiezen en alleen jouw keuze zal bepalend zijn.’

Met een nieuwe kracht opende ik mijn ogen, pakte Magda’s hand vast en keek mijn moedige arts en zijn team stellig aan. ‘Jullie mogen mij opereren. Ik ben jullie dankbaar en bewonder jullie moed.’
Op dat moment gebeurde er iets met het medische team, dat ik tot op de dag vandaag nog steeds niet kan verklaren. Ik zag het in hun ogen, ik zag hun onzekerheid plaats maken voor iets anders, iets nieuws, iets wat nog het meeste weg had van een onverwoestbare, diamanten sprankeling.
Desondanks slaakte mijn arts een zucht van wanhoop voordat hij met het team de ruimte wilde verlaten om zich voor te bereiden op de operatie.
‘Neemt u afscheid van uw dierbaren, mijnheer Oldenburg. U wordt binnen een halfuur opgehaald voor de operatie’, zei hij dof.

Toen de deur van de ziekenhuiskamer achter het team in het slot viel, belde Magda de kinderen.
In alle rust heb ik ze allemaal gesproken en we hebben afscheid van elkaar genomen, hoewel ik wist dat het goed zou komen.
Toen de verpleegster mij kwam halen, nam ik Magda’s hand in de mijne en drukte haar dicht tegen mijn hart. ‘Het komt goed, meisje, geloof me maar.’

Ik kreeg een ruggenprik en werd naar de operatiekamer gebracht. Het hele operatiegebied werd afgeschermd met groene doeken, zodat ik er niets van kon zien.
Hoe is het mogelijk, dacht ik, vreemd genoeg klaarwakker, dat niemand eraan heeft gedacht dat de weerspiegeling in de grote operatielamp mij de ingreep op voet laat volgen. Alsof ik naar een medisch programma op tv lag te kijken, zag ik hoe de arm van de chirurg tot aan zijn elleboog mijn lichaam binnenging. Ik wendde mijn blik af en probeerde mijn vele vragen van een antwoord te voorzien.
Wat was hun idee van deze operatie? Wanneer tijdens deze ingreep zal volgens hen het moment aanbreken dat ik sterven zal? Waarom hebben ze mij onder deze omstandigheden niet onder volledige narcose gebracht? Zijn het de complicaties na de operatie waarvoor ze bang zijn?
Het komt goed, was het antwoord op iedere vraag. Ik wist dat ik hierin vertrouwen mocht hebben.

En het kwam ook goed, hoewel het nog lange tijd heeft geduurd voordat de wond eindelijk genezen was. Mijn redders noemen mij een medisch wonder, maar ik weet dat zowel zij als ik eerst een moedige keuze hebben moeten maken, waardoor dit wonder uiteindelijk mogelijk werd.

Het verleden, het heden, noch de toekomst kunnen mij deze extra tijd ontnemen. Gezien de contacten die ik na mijn operatie met gene zijde heb, weet ik dat ik leef, zowel hier als daar.
Dat ik meer tijd heb gekregen dan de mij toegemeten tijd en dat ik daarvoor zelf heb mogen kiezen, is een voorrecht. Tijd is voor mij niet belangrijk meer. Waar het nu nog om draait in mijn leven is de kwaliteit die ik beleef als ik samen ben met mijn dierbaren en vrienden, én de kwaliteit die ik met behulp van de wereld achter de sluier mag leveren ten gunste van een medemens.

© Hilda