Rainbow

 

Een regenboog als symbool der Liefde nl

A rainbow as a symbol of Love uk

Peter van der Kruit & Hans Brockhuis

Nada Chronicles # 100

Enkele jaren geleden schreef ik een blog met een open eind, getiteld: ‘Regen’. Indertijd verzocht ik mijn lezers een vervolg hierop te schrijven zodat ik eindelijk het vervolg hierop kon lezen. Peter van der Kruit is deze uitdaging aan gegaan en komt met dit mooie verhaal met een verrassend eind. Dat ik Peter hiervoor uiterst dankbaar ben hoeft verder geen betoog

A few years ago I wrote a blog with an open end, entitled: ‘Rain’.  At that time I challenged my readers to write a sequence so that I would at last be able to see what would happen next. Peter van der Kruit took up the challenge and wrote this striking story with its surprising end. That I am extremely grateful for Peter’s work needs no further explanation.

 


Een regenboog als symbool der Liefde

Het voelde alsof die onophoudelijk doorgutsende regen al zijn poriën waren binnengestroomd. Moederziel alleen was hij. Niemand waagde zich buiten. Er lagen geen plassen meer op straat. De straten waren rivieren geworden; de pleinen meren; de vijver in het park was buiten zijn oevers getreden en alle bomen stonden met hun voeten in het water.
Nat was hij en huiverig. De kou had bezit van hem genomen. Hij wàs kou; hij wàs water; hij wàs huivering. De straatlantaarns spiegelden zich in het water en terwijl de kletsnatte regen in zijn gezicht priemde had hij nog maar één gedachte. Hij moest hieruit. Vlakbij, herinnerde hij zich, was een overdekt winkelcentrum, daar kon hij misschien wel schuilen. Maar toen hij daar was aangekomen bleken er grote ijzeren hekken voor de deuren te zijn geschoven en de parkeergarage was onder water gelopen.

Verderop maar weer. De klok van de nabijgelegen katholieke kerk sloeg twaalf. Hij veerde op, misschien kon hij daar wel schuilen. Helaas zaten de grote deuren potdicht, maar toen hij achter de kerk ging kijken zag hij dat er in de pastorie een lichtje brandde. Hij had geluk, de achterdeur stond open en toen hij die op een kiertje had geopend en hard “volluk” had geroepen, duurde het een poosje maar uiteindelijk kwam er een jonge vrouw, bangig om de hoek van de binnendeur kijken wat er gaande was.

“Eh, hallo,” zei hij klappertandend. “Ik zag dat er licht op was en dat de deur openstond. M’mag ik binnenkomen?” Hij spreidde zijn armen om aan te geven dat hij er ook niets aan kon doen. De vrouw stond nog steeds achter de deur met haar hoofd in de kier. “Waarom donder je niet gewoon op, in plaats van hier binnen te dringen?” Haar blik was vijandig. Zeker niet welwillend. Het leek erop dat ze niets van die zwerver moest hebben die als een verzopen kat haar bijkeuken stond nat te maken.

“Eh, is de pastoor er niet?,” vroeg Bavo enigszins vertwijfelt. “Pastoor?” was het vragende antwoord. “Die woont hier allang niet meer. Ik ben hier ook maar huurder en ik ben helemaal niet blij met jou!”

 “Oh, eh, sorry. Maar ik heb het zo koud en ik kon nergens heen en toen dacht ik, misschien is het in de kerk gastvrij, maar daar ziet het niet zo naar uit. Nou, dan ga ik maar.” Hij draaide zich om naar de deur. Maar op dat moment klonk er een enorme donderslag en een grote windvlaag blies de deur naar buiten, zodat er meteen weer een golf water naar binnen spoelde.

Rhea gilde: “Doe in Godsnaam de deur dicht en kom binnen!”

~*~*~*~

Rhea van Vriesland was als plattelandsmeisje twee maanden geleden naar de grote stad gekomen om haar droom, arts worden, te verwezenlijken. Op het VWO was ze, terwijl ze door haar klasgenoten meestal werd genegeerd, een briljante leerlinge geweest en met haar hoge eindcijfers was ze gemakkelijk ingeloot voor de numerus fixus van de Leidse universiteit.

Ze had de introductieweken,die uit allerlei nare karweitjes bestonden en een roeitocht in een lekkend bootje over de singels, redelijk goed doorstaan. Ze was, omdat iemand haar had verteld dat het een goed idee zou zijn, lid geworden van de ‘tweede’ studentenvereniging ‘Augustinus.’ Ze liet zich daar echter zelden zien omdat ze, zoals ze zichzelf wijsmaakte, en geen behoefte aan gezelschap had, en zich voorgenomen had ijverig te studeren.

In tegenstelling tot veel van haar jaargenoten was het voor haar niet moeilijk geweest om een kamer te vinden. Haar vader, lid van het plaatselijke kerkbestuur, kende een collega in een dorp vlakbij Leiden die hem desgevraagd had verzekerd dat er in de pastorie van hun kerk een plaats was vrijgekomen. Nadat de pastoor was vertrokken woonden er altijd drie studenten in de grote pastorie, maar één van de jongens was afgestudeerd en had het enigszins afgetakelde gebouw acuut verlaten.

Samen met haar ouders hadden ze eind juli het pand verkend, geconstateerd dat het er mee doorkon en zo kwam het dat Rhea twee weken later haar intrek had genomen in dit merkwaardige huis met zijn krakende trappen, waar het naar werd gezegd soms spookte, met uitzicht op het achterliggende kerkhof met zijn naargeestige bomen.

Haar twee medestudenten, Rob en Lucas, beiden lid van Minerva, zag ze zelden. Die hielden zich op in de soos op de Breestraat, of bij vrienden en lieten zich weinig gelegen liggen aan magere Rhea. Als ze haar al op de gang tegenkwamen kon er nooit meer af dan: “Ha, daar heb je onze Nul ook weer,” of woorden van die strekking. Dat maakte niet dat zij zich daar welkom voelde, maar aan de andere kant; zo had ze ook geen last van de ‘heren’ die ze ook nooit op enige studieactiviteiten had kunnen betrappen. Studeren daarentegen was bijna het enige dat haar wèl interesseerde. Haar dag zag er meestal als volgt uit. Met de bus pendelen naar de medische faculteit, haar boodschappen halen bij de Appie op het Leidse Centraal Station, een praatje maken tijdens de maaltijd op de mensa met één van haar medestudenten, en weer terugreizen naar haar pastorie om onmiddellijk achter de laptop en de boeken te kruipen.

Vandaag was ze niet naar de stad geweest omdat ze haar eerste anatomie tentamen moest voorbereiden. Dat was een hoop stamp- en leerwerk met al die Latijnse namen die zo op elkaar leken. Maar met Latijn op het VWO in haar pakket, kon ze namen als arteria pulmonalis, hypothalamus of trombocyten, om maar eens wat te noemen, goed uit elkaar houden. Toen de najaarsstorm met alle hoosbuien in alle hevigheid was losgebarsten, was ze al lekker opgeschoten.

~*~*~*~
Bavo Breedevoort was diezelfde dag met de trein vanuit de Achterhoek naar Leiden gereisd. Hij was pas afgestudeerd als milieudeskundige aan de Saxion HBO van Deventer en moest die middag op sollicitatiegesprek komen in het gemeentehuis van een van de randgemeenten van Leiden.

Het was een hele reis geweest. Eerst de bus, verschillende treinen, en dan weer een bus. Tegen de tijd dat hij ter plaatse arriveerde was het koud geworden en gaan waaien, maar hij was – voor Bavo een bijzonderheid – op tijd en zijn sollicitatiegesprek was, zover hij kon beoordelen, best wel aardig verlopen. Toen hij buitenkwam was het betrokken en vielen de eerste regendruppels. Al snel hield het op met zachtjes regenen en stond hij daar, zonder jas – vergeten - in de stromende regen nat te worden.

Hij keek om zich heen. Waar was de bushalte ook al weer? Hij kon het zich niet herinneren. Het leek of zijn geheugen was gewist. De laatste mensen haastten zich naar huis en op goed geluk sloeg hij linksaf over het fietspad, waar hij prompt door een voorbijrazende brommer werd geschept en in de struiken gesmeten. Toen hij was opgekrabbeld was er van de brommer niets meer te zien. Met zijn doornatte kleren stond hij moeizaam op en voelde eens aan zijn hoofd waar een megabult was verschenen. Een stekende hoofdpijn drong zich op maar verder leek alles er nog aan te zitten.

Hij bleef maar dwalen. De bushalte leek onvindbaar, de regen hield ook maar niet op en hij kreeg het kouder en kouder. De hoofdpijn had van hem bezit genomen en zo kwam hij ten slotte, doodmoe, doornat en met een hoofd dat leek te exploderen, in de bijkeuken van Rhea terecht. De plas die onder hem was ontstaan breidde zich gestaag uit.

~*~*~*~

Met een stem doordrongen van irritatie zei Rhea; ‘’Nou, nu je toch binnen bent, trek die natte zooi uit. Ik zal ondertussen een deken voor je halen.’’ En zo gebeurde het. Bavo ontdeed zich enigszins beschaamd van zijn doorweekte kleding. Hij vroeg zich af, hoe kon dit nu toch allemaal zó zijn gelopen? Als ware scepticus ontstonden er op dit moment zeker geen ideeën van een hogere betekenis in zijn brein. Hij voelde alleen dat de situatie een nog wel eens meer bizarre twist zou kunnen krijgen.

Na een koud poosje wachten in zijn ondergoed reikte Rhea hem dan eindelijk de beloofde deken aan en arrangeerde ze vervolgens zijn natte kledij zorgvuldig op een oud wasrekje. Zo op het oog had het voorwerp al jaren zijn vaste plaats gehad bij de open haard. Daarna, op een enigszins getemperde toon, bood ze hem een kopje thee aan. Bavo liet merken hier wel trek in te hebben waarop Rhea voorzichtigjes gebaarde dat hij heus wel mocht plaatsnemen op één van de houten stoelen bij een ‘zo op het oog’ nogal gammele tafel.

Nadat Rhea tot slot de natte vloer nog even vluchtig had opgedweild zaten de twee jonge mensen, beiden zittend op een krakende stoel, enigszins ongemakkelijk tegenover elkaar. De damp van geurige kruidenthee verwarmde Bavo’ s gezicht. Het voelde in ieder geval goed. Het was een klein stukje warmte na een schijnbaar lange tijd. Zorgvuldig trachtte hij de aroma ervan in zichzelf op te nemen. Gezien het idee dat ze allebei maar al te gemakkelijk vergeleken konden worden met een ‘gesloten boek’ laat het zich raden dat er van een spontaan gesprek geen sprake was. In de zuinige schemering van het haardvuur ontstond een bescheiden stilte.

Hoewel er zich bij Rhea, die haar uiterste best deed om iedere vorm van oogcontact te vermijden, nu toch talloze vragen begonnen te vormen scheen ze het niet te kunnen uiten. Alle vragen leken vastgevroren aan haar lippen. Bavo echter, hoewel nog altijd overrompeld door het hele gebeuren, probeerde zo goed als hij kon de ongemakkelijke stilte te doorbreken. Overduidelijk hoorde hij de zachte echo van zijn stem toen hij haar als uiting van persoonlijke nieuwsgierigheid toch de ietwat brutale vraag stelde hoe een meisje zoals Rhea ooit in een bouwwerk als deze terecht had kunnen komen.

Ondanks haar nogal geërgerde blik als daaropvolgende reactie probeerde hij, in een poging om zijn verlegenheid wat te onderdrukken, een beetje dieper tot haar door te dringen. Zachtjes fluisterde hij zichzelf het bemoedigende advies in om ‘koste wat kost’’ zijn blik op haar vast te houden. Hij had immers iets in haar gezien wat hij tot op dat moment nog niet had kunnen verklaren.

Akelig langzaam wendde Rhea haar gezicht naar de jongeman. Maar wat nu? Zag hij een minuscule glimlach in haar blik? Was er zowaar een vleugje licht ontstaan? Het leek hem een oprecht stukje warmte. Iets bijzonders dat een wonderbaarlijk contrast leek te vormen met het noodweer buiten. Van het één op het andere ogenblik bleek er op die wijze dan ook een opening te zijn ontstaan. Ineens vloeiden de woorden rijkelijk over en weer in het sobere vertrek. Een plezierige communicatie was tot stand gekomen. Een gesprek dat tot een bijzondere climax zou komen.

Naarmate het gesprek vorderde bleken er vele uitzonderlijke raakvlakken tussen de jonge mensen te bestaan. Onzichtbare wolken van enige aarzeling begonnen zich bij het duo te vormen. Bavo kon het gewoon niet allemaal bevatten en durfde een in hem gevormde hypothese maar nauwelijks onder ogen te zien; ‘’Het zou toch niet waar zijn? Zou het werkelijk?’’ Hoewel hij er gezien zijn leeftijd indertijd geen enkele herinnering aan had, wist hij maar al te goed dat zijn werkelijke ouders hem af hadden moeten staan. Geldschulden waren de reden. Het was hem verder ook ter ore gekomen dat zijn biologische vader al geruime tijd betrokken was bij het bestuur van een kerk. Dat moest volgens hem toch écht ergens in Leiden zijn. Terwijl het gesprek eventjes een punt van stilte had bereikt vond er iets plaats dat hen beiden deed verstarren.

De regen was opgehouden. Een karig straaltje zonlicht probeerde zich via een klein raampje uit alle macht een weg naar binnen te banen. En daar ontstond, onthuld door de schaarse aanwezigheid van het sprankje natuurlijke licht, een bevestiging op een pasgeboren vermoeden. Het was Bavo meteen duidelijk. Die levendige fonkeling in haar ogen, de oh zo herkenbare glimlach op haar gezicht en zelfs de vibratie van haar stem zorgden ervoor dat een innerlijk weten zich definitief in hem had gevestigd. Maar, Rhea zou het toch zeker ook voelen? En ja, vreugdevol maar tevens gevangen in een golf van verbijstering sprak ze aarzelend: ‘’Dus jij bent die broer waar mijn ouders het al zo vaak over hadden?’’ Bavo knikte bevestigend doch bescheiden, niet wetend wat te zeggen.

Rhea stond op om naast hem plaats te nemen. In eerste instantie zochten ze slechts in stilte troost bij elkaar totdat hij plots de milde semizoete geur van haar parfum van wel héél erg dichtbij kon waarnemen. Haar gezicht naderde geleidelijk het zijne. Zou er, hoewel het na deze recente ontdekking toch wat ongepast zou zijn, wat ruimte zijn voor ware romantiek? Maar opeens werd alles zwart en zou het niet lang duren voordat Bavo zijn fysieke ogen werkelijk zou openen en de hele wereld voor altijd anders zou zijn.

~*~*~*~

‘’Aaah, waar ben ik nu beland? Allemachtig, waar kwam die hoofdpijn vandaan?’’ Met zijn ogen half dichtgeknepen, die nog duidelijk aan het licht moesten wennen, observeerde Bavo verward alle aanwezigen in de ruimte waarin hij zich plotseling leek te bevinden. Hij zag zijn ouders, maar ook een zuster die hem van een afstandje onderzoekend aankeek. ’’Wat is hier aan de hand?’’ Opeens sprak er een voor hem, verdrietige maar zeer vertrouwde stem. Het was het meisje dat hij in zijn droom als Rhea had leren kennen. Hoe had hij haar over het hoofd kunnen zien? Ze zat immers gewoon aan de rand van het ziekenhuisbed. Snikkend had ze hem bij de hand gepakt en vertelde hem dat hij het rustig aan moest doen. Hij was per slot van rekening het slachtoffer van een aanrijding. Ze had hem nooit gezien toen zij hem met haar brommer had geschept. Toen werd alles duidelijk. Hij begon zich te realiseren dat hij in werkelijkheid nooit verder was gekomen dan de struiken waarin hij na het ongeluk was beland. De herinnering had hem weer gevonden. De puzzel was compleet!

Gezegend door het lot beperkten zijn verwondingen zich uitsluitend tot een lelijke buil, enkele kneuzingen en wat schaafwonden. Het was om die reden dat Bavo slechts twee dagen ter observatie in het LUMC moest verblijven.

Hoewel ze in werkelijkheid een andere naam droeg hield hij contact met het meisje dat hij in zijn droom als Rhea had leren kennen. Ze bleek niet zijn zuster te zijn. Zeer gunstig natuurlijk, want er kwam na verloop van weken een prachtige liefdesrelatie tot stand. Een verhouding die het leven van hen beiden een geheel andere wending zou geven. Ze zouden hun liefde voortaan delen. Ultiem geluk, het was een fenomeen dat ze voorheen nog nooit zo krachtig hadden gevoeld. Het leefde nu volop in hun beider harten. Ze trouwden en kregen na het verstrijken van enkele jaren drie prachtige kinderen.

Oh, en wat betreft het sollicitatiegesprek van Bavo? De baan was van hem. Hij bleek verreweg de beste kandidaat. Rhea studeerde uiteindelijk af als huisarts en deed invalwerk bij verschillende praktijken.

Dit was een verhaal van liefde. Was het allemaal toeval of misschien de uitvoering van een Hoger plan? Dat laat ik aan uw verbeelding over. De regen was in ieder geval gestopt. Het had plaatsgemaakt voor de meest prachtige zonnestralen. Ook hadden er zich zeven kleuren aan de hemel gemanifesteerd. Een regenboog als symbool van liefde. Een tafereel dat altijd aanwezig zou blijven in de harten van het jonge gezin Van Breedevoort.

terug

A rainbow as a symbol of Love

It felt as if the incessant gushing rain had poured into his pores. Quite alone he was. No one dared to go outside. The puddles in the streets were gone for the streets had become rivers and the squares had become lakes. The pond in the park had overflowed its banks and the trees stood with their feet in the water.

Wet he was and shivery. The cold took possession of him. He was cold; he was water; he was shivery. The lanterns in the street reflected in the water and while the soaking rain stung in his face he only had just one thought; he had to get out of this rain. Nearby, he remembered, was a roofed in mall, there he could get some shelter. But when he arrived there big iron gates were laid upon the doors and the parking was flooded. On he went. The clock of the nearby Catholic Church struck twelve. He perked up; perhaps he could get shelter there. Unfortunately the big doors were closed, but when he took a look behind the building he noticed a light burning in the vicarage. He was lucky for the back door was open and when he had opened the door ajar, he shouted “Shop!” in a loud voice. After a while a young woman with a fearful face finally looked around the corner of the door to see what was going on.

“Eh hi” he said, his teeth chattering. “I saw the light burning and the door was open. M-may I come in?” He spread his arms to state that it wasn’t his fault. The woman was still standing behind the door. “Why don’t you get the hell out of here instead of intruding?” Her look was hostile and certainly not friendly. In fact she didn’t want to have anything to do with this young man who - like a drowned cat – wet her kitchen floor.

“Eh isn’t the vicar home?” asked Bavo somewhat desperate. “Vicar?” was her asking answer. “He doesn’t live here anymore for a long time. I’m just a tenant here and I am not pleased at all you’re standing there!” Her look became a bit moderate.

“Oh eh sorry but I am so cold and I have nowhere to hide and I thought the church might be hospitable, but it doesn’t look like it. Alright, I’m off now.” He turned towards the door but in that moment an enormous thunderclap sounded and an immense wind flaw blew the door outdoors, so that a gulf of water spooled inside.
Rhea yelled: “For heaven’s sake come in and close the door!”

~*~*~*~

Rhea Van Vriesland was a country girl who came to the big city two months ago to realize her dream – becoming a doctor. At the VWO (pre-university secondary education) she had been a brilliant student even though her classmates ignored her most of the time. With her high final figures she was easily admitted for the numerus clausus of Leyden University. Shy as she was, she had undergone the hazing of the introduction weeks which consisted of all kinds of dirty odd jobs and a trip in a leaking rowboat on the town canal, pretty well. She also became a member of the second best university corporation ‘Augustinus’ because someone had told her that it would be a good idea to do. She seldom showed up though because she told herself that she needed no company and intended to study zealously.

In contrast to so many of her fellow-students it hadn’t been difficult for her to find a room. Her father - member of the local church council – knew a colleague in a village nearby Leyden who assured him, when asked, that the rectory of their church had a vacancy. After the vicar had left, three students always lived in the vicarage. But when one of the boys had graduated he abruptly left the somewhat decrepit building. At the end of July she and her parents scouted the premises, concluded that it was reasonable and it so happened that Rhea had moved in two weeks later into this curious house with its creaking stairs of which was said that it was sometimes haunted. Furthermore the house had a view on the cemetery on the back with its gloomy trees.

She seldom saw Rob and Lucas, her two fellow-students who were both a member of ‘Minerva,’ the leading university corporation. They sojourned in the club either at Breestraat road or with friends and they weren’t interested at all in skinny Rhea. In case they met her in the hallway all that was said was: “Hah, there’s our Miss Zero again” or words of that tenor. It didn’t make her feel welcome but at the other hand she was not bothered by the two ‘gentlemen’ which she never had been able to trap on any study activities.
On the other hand studying was almost the only thing that did interest her. Her days mostly looked as follows. Going to the medical faculty by bus, go shopping at the supermarket at Leyden’s Central Station, have a chat during meals in the mensa with one of her fellow-students and travelling back to the vicarage to immediately sit at her laptop and bury herself in the books.

She didn’t go to town today for she had to prepare for her first anatomy preliminary exam. That was quite a lot of study with all those Latin names which looked so alike. But at the VWO middle school she had been taught Latin. Names like arteria pulmonalis, hypothalamus or trombocytes, for instance, she could differentiate very well. When the blast of autumn with its heavy showers burst she had made fair progression.

~*~*~*~

That same day Bavo Breedevoort went by train from the Achterhoek region to Leyden. He had just been graduated as an environmental expert at the Saxion HBO (Higher Vocational Education) in Deventer and he was to have a job interview at the city hall of one of the satellite towns of Leiden. It was quite a journey; first by bus, then several trains and then by bus again. By the time he arrived it had become cold and a wind was blowing, but he was in time for his job interview and for Bavo that was extraordinary. As far he could judge, his interview went pretty well. As he went out the sky was overcast though and the first raindrops fell down. It stopped drizzling and there he was, without a coat (forgotten) in the pouring rain.

He looked around. Where was the bus stop? He couldn’t remember and it seemed as if his memory had been erased. People hurried home and on spec he turned left over the bike lane where he promptly got shoveled down by a passing moped and was flung into the bushes. The moped was out of sight by the time he had scrambled to his feet. Yet, he was wet to the skin and when he touched his head he felt a huge bump. A stingy headache intruded but for the rest he felt alright. He kept wandering and the bus stop seemed to be untraceable and the rain went on pouring and he got colder and colder. The headache took possession of him and finally he arrived at Rhea’s scullery, dead tired and his head seemed to explode. The puddle beneath him continually expanded.

With a voice imbued with irritation Rhea said; ’’Well now that you are inside, pull off that wet stuff. I will get you a blanket in the meanwhile.’’ And so it happened. Somewhat ashamed Bavo rid himself of his wet clothes. He wondered how it could ever have gone this way. As a true skeptic there were certainly no ideas of a higher meaning crossing his mind. All he truly felt was the idea that the situation could get an even more bizarre twist.

After a while of coldly waiting in his underwear, Rhea finally showed up with the promised blanket, and then began to carefully arrange his wet clothes on an old laundry rack. On the eye it seemed that the object had held its fixed place at the fireplace for years. Then, in a somewhat subdued tone she offered him a cup of tea. Bavo told her, he would love to, whereon Rhea cautiously gestured that he was allowed to take a seat at one of the wooden chairs at an ‘at first glance’ rickety table.

After Rhea mopped up the final residue of the water mass, the two young people were finally sitting in front of each other on a creaking chair. The vapor of a fragrant herbal tea warmed Bavo’s face. It felt good. It was a tiny piece of heat after a seemingly long period of time. He guardedly tried to incorporate its flavors. Given the idea that the both of them could easily be compared with a ‘closed book’, it is not hard to guess that a spontaneous conversation did not follow. In the twilight of a small fire a modest silence arose.
Rhea, who did her utmost to avoid any kind of eye contact, just couldn’t express the questions that were forming inside of her. All queries seemed to be frozen on her lips. Bavo on the other hand, although still overwhelmed by the whole thing, tried, as well as he could, to break the awkward silence. He obviously heard the soft echo of his own voice when he asked her, as an expression of his personal curiosity, the somewhat rude question how a girl like Rhea had ended up in a building like this one.

Despite her frustrated look as a subsequent reaction he tried, in an attempt to suppress his shyness a little bit, to get a bit more close to her. He softly whispered to himself the encouraging advice to ‘at all costs’ hold his view on her. After all, he had seen something in her he couldn’t declare until that moment.

Rhea turned her face excruciatingly slowly towards the young man. But what now? Did he saw the tiniest smile in her eyes? Was there actually a touch of light in her eyes? To him it seemed like a genuine bit of warmth. Something special that seemed to form a wonderful contrast with the storm outside. From one moment to the other it looked like an opening had unfolded itself. At last the words were flowing abundantly back and forth in the austere room. A nice communication was established. A conversation that would ultimately reach a special climax.

While the conversation progressed, the many similarities between the young people appeared to be of a quite extraordinary nature. Invisible clouds of a reasonable doubt were slowly beginning to outline themselves by both of them. Bavo just couldn’t comprehend it at all, though, and he barely dared to look at the hypothesis that had formed itself within him. It just couldn’t be true, right? Although he could not recollect it because of his young age at the time, he knew all too well that his real parents had to dispose of him. Money debts appeared to be the reason. Furthermore, they had told him that his real father was involved for quite some time in the administration of a church somewhere in or near Leyden. While the conversation reached a point of silence, something magical occurred, something that would cause both young people to become rigid.

The rain had stopped. A meager ray of sunlight tried to force itself a way in through a small window. And there arose, revealed by the scarce presence of a natural glimmer of light, a confirmation on a newborn assumption. To Bavo it was immediately apparent. The vivid spark within her eyes, the recognizable smile on her face and even the vibration of her voice made it clear that an inner knowing had definitely settled itself. But then, would Rhea feel the same? Yes, joyous but also caught up in a wave of amazement she spoke: “So you are indeed the brother my parents talked about so frequently?” Bavo nodded affirmatively but modest, not knowing what to say.

Then Rhea stood up and took place right beside him. Initially, they were solely seeking the solace by each other in all silence, just until he suddenly noticed the mild semisweet scent of her perfume from a pretty close distance. Her face gradually approached his. Could there be, although it would probably be inappropriate after this recent discovery, some space for true romance? But then, in an instant, everything went black and it wouldn’t take long before Bavo really opened his physical eyes, and the whole world seemed to be extremely different.

‘’Aaah, where am I now? Holy cow, where did this headache come from?’’ With his eyes narrowed, because they had to get used to the overwhelming light, Bavo confusedly observed all of the attendees in the room. A room wherein it seemed he all of a sudden found himself. He saw his parents as well as a nurse who looked at him from a distance with an investigative view. ’’What is going on here?’’ A sad but very familiar voice instantaneously spoke to him. It was the girl he met in his dream as Rhea. How could he have overlooked her? After all, she was just sitting at the edge of the hospital bed. She sobbed while she caught his hand. She told him to take it easy considering that he was the victim of an accident. She hadn’t seen him when she hit him with her moped. It was at this stage that it all became crystal clear. He began to realize that he, in reality, never had come any further then the bushes where the accident had taken place. His memory had found him again. The puzzle was now complete.

Blessed by destiny, his injuries were restricted to a nasty bump, some bruises and abrasions. It was due to this reason that Bavo had to stay, but merely for two days only, in observation at the LUMC university hospital.

Though in reality she carried a different name, he still kept in touch with the girl he got to know, bizarre as it may seem, as Rhea. In real life she wasn’t his sister. Very well of course, because when several weeks passed by a wonderful love affair established. A relationship that would alter their path of life completely. Henceforth they would share each other’s love. Ultimate happiness, it was a phenomenon they never experienced so powerfully before. It was now fully present within their hearts. Eventually they married and when the years went by they got three beautiful children.

Oh, and regarding Bavo’s job interview? The job was his. He proved by far to be the best candidate. Rhea finally graduated as a medical doctor and did substitute work at different practices.

This was a story of love. Was it all coincidence or perhaps the implementation of a Higher plan? I leave that up to your own imagination. The rain had stopped anyway. It made room for the most beautiful sunrays. Seven magnificent colors had manifested themselves. A rainbow as a symbol of love. A scene that would always remain in the hearts of the young Van Breedevoort family.

back