. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .


Vreemde stad
1965

Karin liep langzaam door de straten van deze vreemde stad. Ze verveelde zich en voelde zich een beetje unheimisch. Niet erg, maar het leek alsof al het vreemde van de hoge huizen als een storm op haar afkwam. Het benauwde haar. Ze wist niet hoe het kwam, maar het benauwde haar ontegenzeggelijk. Langzaam drentelde ze voort over de vreemde tegels van de vreemde stoep langs de vreemde straat. Nu en dan bleef ze voor een etalage staan en keek naar de uitstalling zonder veel te zien. Alles in een grote stad waar je nog nooit eerder bent geweest ademt een andere sfeer uit dan die welke je al eerder hebt betreden. Je hebt, zeker als je in je uppie bent, het gevoel dat je als een eiland tussen al het nieuwe en het vreemde instaat.

Hier en daar waren werklui bezig met sneeuwruimen. Een van hen floot naar haar. Ze lette er niet op. Waarom zou ze ook? “Hé kouwe”, riep de man grof. Ze keek niet op of om. Ze was alleen in deze grote vreemde stad en ze had maling aan alles. Tenslotte kwam ze op een rotonde met veel verkeer. Vanuit vier richtingen kwamen de auto’s aanrijden, en verdwenen na hun rondgang, weer in het oneindige. In het vijandige oneindige van deze vreemde stad. Op een richtingbord stond: ‘Luchthaven’, verwijzend naar het nog verder weg gelegen oneindige.

Karin besloot om te keren. Hier had zij niets te zoeken. Ze wilde zich afwenden van het in het verschiet liggende oneindige. Ze ging een andere weg, terug naar haar hotel. Niet weer door de drukke winkelstraten. Weg van de lawaaiigheid van de grote stad, wilde ze. Ze wilde zich afkeren van de schijnbare vijandigheid van alle mensen en huizen en auto’s, én werklui, van de grote vreemde stad. Waar naargeest, mist en machteloosheid heerst. Zelfs wanneer de zon schijnt en de vogels fluiten. De heerlijke dingen van het leven lijken dan niet te bestaan.

Karin liep voorbij een grote kerk. Onder de toren was een poort, maar daar mocht je niet komen vanwege het gevaar van vallende sneeuw. Op andere plaatsen stonden latten schuin tegen de gevels geplaatst met gevaaraanduidingen. Gevaar! Angst! Paniek! Angst voor de grote vreemde stad waar, als je er voor het eerst komt, alle huizen en alle mensen op elkaar lijken en alles anders is. Waar de auto’s monsters lijken en de sneeuwruimers je nafluiten. Waar je uitgescholden wordt omdat je op plaatsen komt waar je niet hoort te zijn. Oh, die benauwenis, waaruit je je niet kunt losmaken totdat je tenslotte weer op het station bent aangekomen.

Tenslotte, nadat ze haar koffer in het hotel had opgehaald, reed Karin weg met de trein. Op weg naar de andere zijde van het oneindige. Naar de omgeving waar ze gewend was te zijn en waar ze weer verlicht ademhaalde toen ze eindelijk over de drempel van haar eigen woning stapte. Ver weg van het grijze grauwe vermoeide lelijkheid van de grote vreemde stad, waar het altijd nevelig is, ook als de zon schijnt…

Korte verhalen index