Karin
liep langzaam door de straten van deze vreemde stad.
Ze verveelde zich en voelde zich een beetje unheimisch.
Niet erg, maar het leek alsof al het vreemde van de
hoge huizen als een storm op haar afkwam. Het benauwde
haar. Ze wist niet hoe het kwam, maar het benauwde
haar ontegenzeggelijk. Langzaam drentelde ze voort
over de vreemde tegels van de vreemde stoep langs
de vreemde straat. Nu en dan bleef ze voor een etalage
staan en keek naar de uitstalling zonder veel te zien.
Alles in een grote stad waar je nog nooit eerder bent
geweest ademt een andere sfeer uit dan die welke je
al eerder hebt betreden. Je hebt, zeker als je in
je uppie bent, het gevoel dat je als een eiland tussen
al het nieuwe en het vreemde instaat.
Hier
en daar waren werklui bezig met sneeuwruimen. Een
van hen floot naar haar. Ze lette er niet op. Waarom
zou ze ook? “Hé kouwe”, riep de man grof. Ze
keek niet op of om. Ze was alleen in deze grote vreemde
stad en ze had maling aan alles. Tenslotte kwam ze
op een rotonde met veel verkeer. Vanuit vier richtingen
kwamen de auto’s aanrijden, en verdwenen na hun rondgang,
weer in het oneindige. In het vijandige oneindige
van deze vreemde stad. Op een richtingbord stond:
‘Luchthaven’, verwijzend naar het nog verder weg gelegen
oneindige.
Karin
besloot om te keren. Hier had zij niets te zoeken.
Ze wilde zich afwenden van het in het verschiet liggende
oneindige. Ze ging een andere weg, terug naar haar
hotel. Niet weer door de drukke winkelstraten. Weg
van de lawaaiigheid van de grote stad, wilde ze. Ze
wilde zich afkeren van de schijnbare vijandigheid
van alle mensen en huizen en auto’s, én werklui,
van de grote vreemde stad. Waar naargeest, mist en
machteloosheid heerst. Zelfs wanneer de zon schijnt
en de vogels fluiten. De heerlijke dingen van het
leven lijken dan niet te bestaan.
Karin
liep voorbij een grote kerk. Onder de toren was een
poort, maar daar mocht je niet komen vanwege het gevaar
van vallende sneeuw. Op andere plaatsen stonden latten
schuin tegen de gevels geplaatst met gevaaraanduidingen.
Gevaar! Angst! Paniek! Angst voor de grote vreemde
stad waar, als je er voor het eerst komt, alle huizen
en alle mensen op elkaar lijken en alles anders is.
Waar de auto’s monsters lijken en de sneeuwruimers
je nafluiten. Waar je uitgescholden wordt omdat je
op plaatsen komt waar je niet hoort te zijn. Oh, die
benauwenis, waaruit je je niet kunt losmaken totdat
je tenslotte weer op het station bent aangekomen.
Tenslotte,
nadat ze haar koffer in het hotel had opgehaald, reed
Karin weg met de trein. Op weg naar de andere zijde
van het oneindige. Naar de omgeving waar ze gewend
was te zijn en waar ze weer verlicht ademhaalde toen
ze eindelijk over de drempel van haar eigen woning
stapte. Ver weg van het grijze grauwe vermoeide lelijkheid
van de grote vreemde stad, waar het altijd nevelig
is, ook als de zon schijnt…