De torenhoge
Ka-la-na bomen op het immense forum van de grote hoogstad
gaven een weldadige schaduw. Het was prettig om even
op adem te kunnen komen van de hitte en de heksenketel
van het alledaagse leven. Met zijn drieën slenterden
ze in de richting van de grote cilinder van de Arische
ambassade. Tot voor kort was daar het districtshoofdkwartier
van het machtige gilde der kooplieden gevestigd geweest,
maar sinds Venna zich van Ar had afgescheiden, een
jaar geleden, liepen hier de diplomaten in en uit.
Naast de vervaarlijk uitziende Kustos bij de ingang
waren de grote zandstenen blokken die van de gevel
deel uitmaakten, vaag door het gebladerte zichtbaar.
Een Tharlarion-koets wiegde ting-tingend met haar
waarschuwingsbel door de bocht.
De oudste
van het drietal, zeventien was hij, liep voorop en
liep ondanks de hitte behoorlijk door.
“Zeg Torg”, hijgde één van de anderen.
“Heb je soms haast?”
“Nee hoor, ik heb geen haast, maar ik wil toch wel
wat opschieten”, was het bitse antwoord. Torg had
een gedrongen gestalte met een fris beweeglijk gezicht
en donker glad achterover gekamd haar. Plotsklaps
bleef hij staan en keek om zich heen. “Ik heb dorst”,
zei hij. Laten we een tent opzoeken en er eentje pakken.”
De twee anderen haalden achter zijn rug hun schouders
op. Ze waren gewend aan de vreemde gemoedsveranderingen
van hun vriend. Hij scheen nooit precies te weten
wat hij wilde en kwam dan ineens met wat nieuws op
de proppen. Maar verder was het een toffe gozer. Bovendien
was hij de oudste van de drie kameraden en de goede
ideeën kwamen bijna altijd van hem. Hij was een
geboren leider en daar kon je nu eenmaal niet omheen.
Torg droeg een vaal tuniek met achterop een print
van de grote Kaissa-speler Bel-tran.
Nog even
stonden ze voor de vorm te bekvechten maar opeens
nam Torg een besluit. “Kom mee”, zei hij met een armzwaai
en draaide zich om in de richting van het stadscentrum,
waarvan in het middelpunt het Gor, de thuissteen,
in een glazen koepel werd bewaard en waarvandaan ze
zojuist aangekomen waren. De twee anderen keken elkaar
eens aan, wisselden blikken van verstandhouding, haalden
hun schouders op en volgden in Torg’s kielzog.
Vanuit de
tegenovergestelde richting kwamen twee jonge meisjes
aangeslenterd. Met hun gebronsde huid en iets scheefstaande
ogen zagen ze er een beetje zuidelijk uit, alsof ze
uit het gebied van Turia afkomstig waren. Dat was
een zeldzaamheid hier in het noorden. Maar toch ook
weer niet zo onwaarschijnlijk dat het enige opzien
zou baren. De meisjes liepen een beetje met elkaar
te smoezen en te giechelen en wierpen steelse blikken
op de drie jongemannen. De twee groepen passeerden
elkaar in het midden van de Viktel Voskis, genoemd
naar de machtige rivier, die niet ver naar het noorden
de economische ruggengraat van Gor vormt. Ze deden
net alsof ze de jongens niet zagen. Eén van
de meisjes zei in het voorbijgaan zachtjes, nonchalant
en hoorbaar tegen de ander: “welke vind jij de leukste?”
Torg bleef
midden op de weg staan, draaide zich abrupt om, vouwde
zijn armen over elkaar en keek hen vragend aan. De
meisjes waren ook gestopt en deden hun best om hooghartig
terug te staren. Een ouderwetse koets kwam, veel te
hard, de hoek omzetten en miste die de jongelui op
een haar na. De reusachtige Hoge Tharlarion die voor
de kar was gespannen brieste luidruchtig. De voerman,
in zijn purper en turkooizen toga van de Kaste der
Voerlieden zwaaide vloekend met zijn vuist en was
even later uit het gezicht verdwenen.
“Meekomen”,
kondigde Torg aan, en het vijftal liep geschrokken
naar de kant van de weg. Ze belandden op het verhoogde
trottoir, vlak bij de grote vijver die het middelpunt
van de stad markeerde. Op een eilandje, midden in
het water, was een glazen koepel opgericht, waarin
de grote thuissteen van de stad Venna was geplaatst.
Twee wachters met getrokken zwaarden cirkelden voortdurend
om het gebouwtje heen om zo het heilige Gor voor rovers
te behoeden. Als het donker werd, wisten ze, zoude
grote flambouwen worden ontstoken, wat altijd weer
een feeëriek schouwspel teweegbracht.
Aan de waterkant
bleven ze alle vijf staan. De twee meisjes stonden
tegen elkaar aangeleund naar de drie jongens te kijken
die zich tegenover hen hadden opgesteld om de meisjes
gade te slaan. Op die manier vormden ze een bijna
volmaakte cirkel. Geruime tijd stonden ze alleen maar
te staren zonder dat iemand iets zei, totdat Torg
er genoeg van had.
“Lo Torg,”
zei hij resoluut, terwijl hij op zichzelf wees. “En
dit is Teibar en hij heet Almus en we gaan met zijn
allen een biertje drinken want we kunnen hier niet
blijven staan tot we een Talu wegen. En nu wil jullie
namen weten.” De meisjes giechelden wat, maakten geen
aanstalten om hun mond open te doen, maar bleven wel
staan met hun rug naar de vijver.
“Laten we doorlopen,” zei Almus uitdagend. “Dit wordt
niks. Die twee zijn van de Ubar getikt.”
“Zeg eens even jij”, zei het oudste meisje dreigend
terwijl ze haar handen op haar heupen zette. Ze was
erg knap, niet al te lang, en droeg lange golvende
donkere haren, die haar tot ver over de schouders
hingen. Ze droeg een kort geel gewaad die uitstekend
paste bij haar lichtbruine huid en die vrij strak
om haar slanke lichaam was gedrapeerd. Het andere
meisje was iets kleiner en zelfs nog wat donkerder
van teint. Ze had pikzwart krullerig haar en had bevallig
slanke klassieke armen met de lange vingers van een
kithara speelster. Het meisje droeg een korte katoenen
tuniek zonder mouwen en wijde armsgaten. Om haar middel
prijkte een zachtlederen Kaiila-riem met voorop een
grote bronzen gesp. Over haar schouder had ze, ondanks
de warmte – een Larl-cape geslagen die ze met een
vinger in het oogje vasthield. Alles volgens de laatste
mode.
“Maak je niet kwaad,” kwam Torg tussenbeide. “En kom
nu maar mee; in de Can-ti-na praten we verder.
“Nou, vooruit dan maar”.
Ze streken neer op een terras in de buurt en bestelden
bij de toegesnelde bedienaar Brod en Dzab.
“Ieder betaalt
met zijn eigen munten,” zei Torg kort en bondig. De
meisjes lieten een zwak protest horen maar Teibar
zei: “Als Torg zoiets zegt dan gebeurt dat ook en
daarmee uit.” Niemand ging daarop in, waarop Torg
vroeg: “Nou wil ik eindelijk jullie namen weten, want
ik heb er een hekel aan om je ‘eeh’ te noemen. De
meisjes keken elkaar aan en toen: “La Tara, civitatis
Schendii”, ik ben Tara en kom uit Schendi, zei de
oudste van het tweetal, “Et illam sin Valesca, civitatis
Kandae, nabi Bazi; illam sin si baie ki-alt. (En zij
heet Valesca. Ze komt van Kanda bij Bazi en ze is
nog erg jong.) Valesca protesteerde, maar Teibar vond:
“Laten we het daar nu niet over hebben, want ij komt
zelf ook maar net kijken.”Tara gooide haar hoofd opzij,
waarbij haar haren in het rond zwierden, zette een
nijdig gezicht op en zei ietwat geïrriteerd:
“Hou jij je grote mond maar, jij bent er nog helemaal
niet aan toe om iets in het midden…”
“Mond dicht, jullie allebei, en luisteren!” Torg,
die op steelse wijze naar Valesca had zitten turen,
kwam op barse toon tussenbeide. “Als jullie ruzie
gaan zitten maken, dan donder ik op.” Zwijgend dronken
ze allemaal van hun drankjes. Torg keek naar de overkant
van het plein, naar de Dzigae in de grote vijver.
Het waren er vijf. Twee van deze zwanen waren zwart
en waren van de anderen weggezwommen, waarbij ze luid
kwetterden en met zwiepende staarten hun ongenoegen
kenbaar maakten. Het was niet duidelijk waarom ze
zo opgewonden waren.
Aan de oever
was een donkerblonde jonge vrouw met hoge jukbeenderen,
samen met een kind van een jaar of vier de eendjes
aan het voeren. Een grote zwerm drijfeenden maakte
een geweldig spektakel en allemaal wilden ze als eerste
aan de beurt komen om gevoederd te worden. Kortom,
er was grote beroering in de vijver. Maar dat kon
Torg niets schelen. Hij dacht aan het jonge meisje
en aan het feit dat hij over enkele maanden achttien
zou worden. Op het halfjaarlijkse Gor-festival zou
hij worden geïnaugureerd als burger van de stad
Venna. Eindelijk zou hij een volwaardig poorter worden
en mogen deelnemen aan de electies voor een nieuwe
Stadhouder.
Torg schrok
op omdat de twee meisjes weer in zijn gezichtsveld
kwamen. Tara stond op en zei tegen haar vriendin:
“Kom mee, hier valt niets te beleven.” Hand in hand
liepen ze met hooghartige gezichten en zonder verder
wat te zeggen weg. Maar toen ze langs Torg liepen
zag hij dat de jongste in een onbewaakt ogenblik even
opzij keek en hem gedurende een fractie van een tel
recht in de ogen keek. Almus wilde opstaan. “Blijf
zitten”, gromde Torg, waarop de jongen gehoorzaam
in zijn stoel terugzakte.
~*~*~*~
Voor het
amfitheater, een eindje verderop, was een oploopje.
“Zeker een ongeluk gebeurd”, zei Almus. “Zullen we
gaan kijken?” “Ga maar kijken”, gromde Torg die er
de pest in had en zich wel voor zijn kop kon slaan
dat hij niet meer werk van het jongste meisje had
gemaakt. “Ik blijf hier.” Almus ging kijken en was
in een oogwenk in het gedrang verdwenen. “Waarom heb
je ze laten gaan?”, vroeg Teibar aan Torg. “Ik weet
het niet”, zuchtte deze. “Ik had geen zin; het is
te warm; niet de moeite waard, of zo.” Maar zijn hart
vertelde een heel ander verhaal die hij niet met de
ander deelde. Ze bestelden nog een drankje, praatten
nog wat, betaalden – noodgedwongen ook voor de meisjes
– en stapten op. Bij het theater, waar het inmiddels
rustig was geworden bekeken ze de banieren van de
evenementen die werden gepresenteerd. Er liep een
muziekfestival van het beroemde Iskander gezelschap.
Verder was er de Kaissa tweekamp te zien tussen Stengarius
Toris, de kampioen van de Salerische confederatie
en Servilia Caepiona Vennais, de plaatselijke vrouwelijke
kampioen. En de volgende maand begonnen weer de Tarnspelen
met als eerste wedstrijd die tussen de teams van Venna
en Port Kar, vorig jaar de runner up in de competitie.
Terwijl Torg de aankondigingen las keek Teibar schuins
naar zijn vriend. Hij kon maar moeilijk achterhalen
wat die allemaal dacht. Hij was iemand van weinig
woorden, maar als hij sprak was het altijd ter zake.
Torg hield niet van loze praatjes. Dat was duidelijk.
Langzaam
slenterden ze verder door de arcade waar het heerlijk
koel was en sloegen rechtsaf de Viktel Aria in. Ondanks
de hitte was het er druk. Een groot aantal dienstboden
was op stap gestuurd om de dagelijkse inkopen te doen
en een aantal Hoge Dames, begeleid door hun gevolg,
liepen de modehuizen af om de nieuwste gewaden te
kunnen bemachtigen. Het was ‘business as usual’, ondanks
de hitte. Torg bedacht dat het best weer was voor
een duik in de rivier of om te luieren onder één
van de vele Tur bomen in het grote park.
“Ik ga naar
huis,” zei Teibar: “Ik heb het behoorlijk gehad.”
Teibar kwam oorspronkelijk uit de buurt van Brundisium
en gebruikte soms uitdrukkingen die hier in Venna
niet echt gebruikelijk waren. “Tal”. Hij draaide zich
om en liep naar de halte van de openbare vervoersdienst.
Torg haalde zijn schouders op en liep alleen verder.
Het kon hem allemaal niks meer schelen bedacht hij
somber. Die meiden waren op een pleziertje uitgeweest,
maar hadden er niets van kunnen maken. Wat dat aangaat,
moest hij zichzelf toegeven, was hij zelf ook niet
bepaald briljant in de weer geweest, maar het was
ook zo heet. En wat hij niet voor zichzelf durfde
toegeven was dat het jongste meisje, Valesca, toch
best wel een snaar bij hem had geraakt.
Hij bleef
voor de uitstalling van een verkoper staan. De man,
gekleed in het wit en goud van de kaste der kooplieden
probeerde zijn aandacht te trekken. Maar hij zag het
niet. Zonder het echt te beseffen waren zijn gedachten
heel ergens anders. Torg stond voor de nering van
een groentenverkoper uit de omgeving van de stad en
verstrooid, zonder ze echt te zien, bekeek hij de
uitgestalde appels, de peren en de mand verlepte Sul-zonder
pit. Hij slenterde naar binnen en liep wat rond tussen
de schappen. Terwijl de verkoper nog steeds trachtte
hem te verleiden om iets van hem te kopen ontdekte
Torg dat hij hier eigenlijk niets te zoeken had.
En toen gebeurde
het. Hij stapte naar buiten het felle zonlicht in
en liep pardoes tegen iemand op. Hij schrok zich bijkans
een ongeluk. “Lo dzeru!”, neem me niet kwalijk. Hij
hoorde gegrinnik en toen zijn ogen aan het licht waren
gewend zag hij tot zijn niet geringe verbazing dat
hij pardoes tegen niemand minder dan Valesca was opgelopen.
“Huh, wuh, w-waar kom jij zo opeens vandaan?” Van
de weeromstuit begon hij bijna te hakkelen. Zij was
wel de laatste die hij hier had verwacht. Ze sprak
snel en hijgde een beetje. “Tara is naar huis en ik
had dorst en toen bedacht ik dat een paar stuks Sul
wel lekker…”
Ze stokte,
kreeg een nog donkerder kleur dan ze van zichzelf
al had en keek toen een andere kant op. Het was duidelijk
dat ze met haar figuur geen raad wist.
Inmiddels had Torg zich hersteld. “Hoe oud ben je?”
Ze keek omhoog naar zijn rijzige gestalte. “Zestien”.
“O.K.”, Hij legde de vinger op de juiste plaats. “Je
bent zestien, je vriendin is naar huis, je liep met
je ziel onder je arm en toen dacht je, laat ik eens
achter Torg aangaan. Hoe heb je me gevonden?” Bevallig
haalde ze haar schouders op, sloeg haar ogen neer
en zei niets. “Waar heb je je cape gelaten?” “Oh,
die heb ik aan Tara meegegeven; ze woont in dezelfde
Isola als ik en het is toch veel te warm voor een
cape.” “Je hebt gelijk,” antwoordde Torg, terwijl
hij zich het zweet van het voorhoofd wiste. “Laten
we naar de rivier aan om af te koelen.”
Even aarzelde
ze, maar dan knikte ze. “Het is wel goed, maar ik
heb geen zwemkleding bij me.” “Nee, dat is wel duidelijk,”
antwoordde hij terwijl hij zijn blik langs haar moderne
kleding liet gaan. “Ik heb natuurlijk ook niks bij
me , maar we verzinnen er wel wat op.” “Nou vooruit
dan maar; het is niet zo ver hier vandaan, maar een
kwart Ahn lopen.”
Langzaam
liepen ze door de drukke winkelstraat in de richting
van de rivier. Na een tijdje pakte hij als vanzelfsprekend
haar hand die ze niet terugtrok. Het voelde zo vertrouwd
alsof ze nooit anders hadden gedaan. Onderwijl praatten
ze elkaar bij over hun eigen leven. Niet lang daarna
kwamen ze bij de Vosk Vennais, de Venna rivier, aan,
een zijrivier van de machtige Vosk. Op de plaats waar
de straatweg door een gemetselde boogbrug met de andere
oever was verbonden waren de oevers steil en de rivier
betrekkelijk smal. Maar even verderop verbreedde de
rivier zich en was er aan de stadskant onder het dichte
gebladerte aan de oever een strandje waar het een
drukte van belang was met velen die hier verkoeling
zochten. Wegens de hitte was het voorspelbaar dat
iedere Hort bezet was. Het lage langgerekte en begroeide
eiland in het midden van de stroom leek ook vol bezet
met zonnebadende mensen.
“Laten we
een eindje stroomafwaarts lopen”, opperde Valesca,
die voor het eerst het initiatief nam. Het leek wel
of zij door de omstandigheden ineens iemand anders
was geworden. Een golf van zelfvertrouwen overspoelde
haar en zij had het gevoel dat hetzelfde met Torg
het geval was. Wat was het merkwaardig dat zij deze
jongeman nog nooit eerder was tegengekomen. Het leek
wel of ze elkaar al hun hele leven hadden gekend.
Torg was
het met het meisje eens. Het was duidelijk dat er
op deze plek geen gelegenheid was om zich in het gedrang
te mengen. Ze waadden daarop langs de waterkant en
door het water stroomafwaarts en een Pasang verderop
vonden ze een veel rustiger stuk grasachtig strand
aan de overkant van de rivier. Valesca trok Torg mee
aan zijn hand. “Kom, laten we naar de overkant zwemmen
en daar voorlopig blijven. Het ziet er heerlijk koel
uit onder de bomen en ik heb voorlopig genoeg gelopen.”
Samen doken
ze het water in en zwommen met krachtige slagen door
het snel stromende water, waardoor ze iets afdreven
en in een wilgenbosje aan de oever uitkwamen. Maar
het was niet al te moeilijk om een stukje terug te
waden naar het strandje. Daar trokken ze hun kletsnatte
tunieken uit en slechts gekleed in zijn lendendoek
plofte Torg neer op het gras. Valesca deed er iets
langer over en vlijde zich tenslotte naast de jongeman
in het niet al te hoge gras. Ze had hun kleren over
een paar takken gehangen om te drogen.
Gedurende
lange tijd koesterden ze zich samen in de zon, gingen
een poosje zwemmen waarbij ze ervoor zorgden niet
weer af te drijven. Daarna gingen ze weer naar hun
plekje terug om te kletsen, te knuffelen en om uit
te rusten. Langzaam viel Torg in slaap.
Hij droomde…
Samen gingen ze naar de Tarn-spelen in het grote stadion.
De altijd met veel prestige omringde wedkamp tussen
de aartsrivalen Venna en Ar stond op het programma.
Het was niet eenvoudig om een plaatsje op de tribune
te bemachtigen, maar gelukkig konden ze bij een illegale
verkoper voor de dubbele prijs nog twee toegangskaarten
op de kop tikken. Valesca had inmiddels een plaats
naast haar vriendin Tara gevonden, maar hoewel hij
de kaartjes had lukte het hem maar niet om een open
plaats te vinden. Dan maar weer naar buiten, waar
hij zijn paard, die hij opzij van de brede Viktel
Aria bij een lage heuvel had achtergelaten, ook al
niet terug kon vinden. Of het dier was de weg kwijt,
of het was gejat.
Gelukkig
waren een aantal opgeschoten jongelui bezig om voorbijgangers
te beroven. Ze waren niet te beroerd om voor Torg
een paard te pikken zodat hij toch weer naar huis
kon. Onderweg naar huis kwam hij in een donkere Isola
in de binnenstad terecht waar twee vrouwen duidelijk
teveel Tass-poeder hadden gesnoven. Eén van
hen was volkomen van de wereld zodat het hoogst noodzakelijk
was om haar naar de wachters te transporteren. Omdat
de vrouw naakt was gooide hij een oude Larl–cape over
haar heen en bracht haar over zijn schouders naar
het paard, zodat hij de vrouw veilig naar de kazerne
van de stadswacht kon brengen. Verderop in de stad
waren relletjes, maar hij waagde zich daar niet in
de buurt. Laat ze hun eigen strijd maar uitvechten.
Met een schok
werd Torg wakker. Hij voelde iets kouds op zijn been.
Toen hij opkeek zag hij dat de lucht inmiddels was
betrokken en er een enkele druppel op zijn blote bast
terechtkwam. Hij keek opzij en zag dat Valesca ook
langzaam bezig was wakker te worden. Een lichtflits
dooraderde de lucht aan de overkant van de rivier.
Een paar tellen later rolde de donder over de heuvels
die de stad omringden. Ze konden zien dat de andere
badgasten ook bezig waren hun spullen bij elkaar te
zoeken en zo vlug mogelijk een veilig heenkomen zochten.
In het algemeen zijn Goreanen niet bezorgd als het
een beetje regent, maar als het daarbij ook nog gaat
onweren, wordt het een ander verhaal.
Snel trokken
de beide jongelui hun tunieken aan en liepen, op een
plaats waar de rivier zijn bedding in het omliggende
land had uitgesleten, vlug een pad op dat steil naar
boven liep. Toen ze boven waren en omkeken konden
ze de machtige muren van het grootse Venna zien blikkeren
in de schaarse overgebleven zonnestralen. Een machtige
dubbele regenboog omspande de stad en gaf de beide
jonge mensen zowel een gevoel van bescherming, als
ook van huivering. Was het een goed voorteken? Ze
wisten het niet. De rivier glinsterde maar gaf geen
antwoord op hun beider vraag en in de verte konden
ze de mensen als poppetjes hun snelle weg naar de
stad zien maken. Op de plek waar de grote weg via
de grote brug uitkwam op de Zuiderpoort, was het een
enorme drukte omdat iedereen binnen de veilige muren
van de stad wilde zijn, voordat het noodweer zou losbarsten.
Ze beseften
ineens dat ze in hun haast de verkeerde kant op waren
gelopen en dat ze nu zeker niet voor het noodweer
thuis konden zijn. Maar dat deerde ze niet want ze
dartelden, zonder erover na te denken, onverdroten
voort langs een smalle beek verder de heuvels in,
weg van de stad. Als de ruimte op het pad het toeliet
liepen ze dicht naast elkaar. Ging dat niet, liepen
ze zo dicht mogelijk achter elkaar aan.
De regen
was inmiddels opgehouden en het onweer zette ook niet
door, zodat hun tunieken inmiddels volledig waren
opgedroogd. Zo nu en dan bleven ze staan om een bloem
te bewonderen of om even uit te rusten of rond te
kijken, het brede dal in dat tussen de dicht opeen
staande Blanc’Na bomen door zo nu en dan zichtbaar
was. Aan de overkant van het dal, ongeveer op de hoogte
waar zij zich nu bevonden, zagen ze een goederentrein
zuchtend en steunend tegen de helling op zwoegen.
De spoorlijn was fonkelnieuw en liep nog niet verder
dan Perla, ongeveer honderd Pasang verderop. Spoorlijnen
waren er nog niet zo lang op Gor, want de conservatieve
kaste bestuurders wilden er voor jaren absoluut niet
aan. Maar toen de Arische Spoorwegen eenmaal hadden
bewezen wat je niet allemaal kon vervoeren – mensen
en goederen tegen een relatief lage prijs èn
in grote hoeveelheden - werden er op veel plaatsen
in hoog tempo nieuwe spoorwegen aangelegd.
De rookpluim
tekende zich als een dunne vervliegende wattendeken
af tegen de hellingen en tegen de altijd groene coniferen
die moeite hadden zich tegen de hellingen staande
te houden.
Ze liepen
verder, inmiddels hand in hand. Ze zeiden niet veel
want dat was niet nodig. Ze hadden elkaar gevonden
en zo was het goed. Tenslotte ging de helling over
in een drassige vlakte dat de uitmonding van het Thassa-dal
vormde. Waarom het zo heette, midden in het land,
tenminste duizend Pasang verwijderd van de dichtstbijzijnde
zee, wist niemand. Maar de overlevering wilde het
zo en daarom was het goed. Links wees een geraas erop
dat de beek zich daar in een waterval naar beneden
stortte. Ze gingen op het geluid af en lieten zich
door de kleine waterdruppeltjes besproeien. Daarna
sopten ze door het drassige stuk weiland en koesterden
zich op een hellinkje in de laatste stralen van de
ondergaande zon. In de verte hoorde ze een Larl brullen.
Het was niet duidelijk waarom het dier zich zo dicht
bij de bewoonde wereld waagde. Even later kregen ze
deze prachtige bewoner van het woud in het vizier.
De enorme zespotige katachtige vleeseter beende met
zwaaiende staart tussen de bosjes door, op weg naar
een onbekend doel. Het dier bevond zich wind opwaarts
van het tweetal en dat was maar goed ook, want hoewel
het er niet hongerig uitzag, hadden ze weinig behoefte
om als avondmaal te fungeren.
Het was voor
het machtige dier niet noodzakelijk om op gevaar te
letten, want hij stond bovenaan in de rangorde van
de voedselketen. De Goreanen plachten deze Ubar-van-het-woud
met rust te laten, wand er rustte, zo had de ervaring
geleerd, geen zegen op het moedwillig doden van een
Larl. De initiaten, de ingewijden van de tempels –
lieten niet af te benadrukken, dat deze zwarte geweldenaren
niet gedood dienden te worden. De meeste Goreanen
hadden echter, zonder die aanmoediging, al zoveel
respect voor de natuur dat zoiets normaal niet in
ze op zou komen. Behalve dat het luipaardachtige dier
uiterst gevaarlijk was, bezat deze soort ook zulk
een natuurlijke gratie dat het in meer dan één
opzicht eeuwig zonde zou zijn zo’n prachtig dier zomaar
om te brengen. Wanneer echter een boer last had van
een exemplaar die er een gewoonte van maakte om zijn
vee als ontbijt te gebruiken, dan werd er na verkregen
toestemming van de initiaten, een jachtgroep samengesteld
om de stroper in te rekenen. Het gedode dier diende
dan ritueel geofferd te worden om zo de Sardar gunstig
te stemmen. Voor een dergelijke toestemming lieten
de initiaten zich overigens ruimschoots belonen.
Weer liepen
ze verder het dal in dat steeds nauwer werd en hoger
de hellingen opklom. De wanden werden steiler. Ze
kwamen in een Blanc’Na bos waar het heerlijk koel
en beschaduwd was na de hete en helle dag. Rechts
van hen, in de diepte, liep de lawaaiige beek die
zich over en tussen honderdduizend rondgeslepen rotsen
een weg naar beneden zocht. Deze glinsterende beek,
ontspringend in het Thassa-dal, was onderweg op haar
verre tocht naar Thassa, de altijd glimmende zee.
Na een ruime bocht, waar het pad naar links uitweek
voor een rotsachtige insnijding, kwamen ze een vrouw
en een meisje tegen die beiden grote volgeladen gevlochten
manden op hun gekromde ruggen torsten.
“Tal.” –
“Tal”, begroeten ze elkaar. De vrouw zei: “Jullie
kunnen beter naar beneden gaan want er komt beslist
opnieuw onweer. Maar Torg en Valesca wimpelden deze
raadgeving af en na weer een groet liepen ze hand-in
hand door in zuidelijke richting. Steeds dieper de
heuvels in, steeds hoger. Het werd snel donker maar
ze dachten dat het kwam omdat het bos steeds dichter
werd. Maar plotseling kwam er een eind aan het bos
en waren er alleen nog rotsen en wat struiken. Op
dat moment werd het duidelijk dat het toch echt donker
was geworden. Gelijktijdig huiverden ze en Torg zei
onzeker: Ik denk toch dat het tijd wordt om maar weer
terug naar de stad te gaan. Hier kunnen we niet blijven.
“Kijk”, wees
Valesca die een lichtje zag blinken. “Licht!, laten
we gaan kijken.” En weg was ze. Het jonge meisje rende
vlug als een hinde tegen de heuvel op waarachter een
schuin dak zichtbaar was. Torg volgde iets langzamer.
Hij moest het eerst allemaal nog zien. Boven op de
heuvel bleef Valesca, toch wel enigszins aarzelend,
op hem wachten. Zwijgend keken ze naar een grote groen
geïmpregneerde blokhut in Arische stijl met een
aangebouwde stal die half tegen de berghelling was
ingegraven. Bij een bron had een ontelbaar aantal
hoefafdrukken, van wat ongetwijfeld Tabuks moesten
zijn, de drassige grond in een modderpoel omgetoverd.
Het geheel lag in een plaatselijke verwijding van
het dal en in de verte kon je de bellen horen van
enkele grazende Kailiauks. Rondom tekenden de heuveltoppen
zich af tegen de donkere lucht die zich boorden in
de inmiddels laaghangende bewolking die zich als een
dak boven dit alles scheen uit te strekken.
Plots begon
het weer te regenen. Eerst een paar druppels maar
al snel gutste het bij bakken loodrecht naar beneden
en ze konden het licht niet meer zien. Ze renden de
korte helling af naar een kleine deur die op een kier
stond en stormden naar binnen. Daar heerste een aangename
geur van voedsel dat werd bereid. Een man keek op.
Hij was bezig bonen in een grote roodkoperen pan te
scheppen die aan een driepoot boven een laaiend vuur
was gehangen. Heerlijke geuren omkringelden hun neusgaten
en ze merkten dat ze een reuze honger hadden gekregen.
Gelach en muziek klonk van ergens binnen in het lage
gebouw.
De man die
zich als Holdus voorstelde noodde het tweetal binnen
in het Atrim, de publieke ruimte die elders in het
gebouw was gevestigd. Ze waren kennelijk niet door
de hoofdingang naar binnen gekomen. Een groot aantal
personen was er rond het haardvuur verzameld. Na enkele
blikken van verstandhouding werden ze welkom geheten
door een in een archaïsch kostuum gestoken jongedame
die hun een houten nap met wijn aanbood. Toen ze beter
keken zagen ze dat alle aanwezigen in oude kostuums
waren gestoken. Hier was blijkbaar een feest aan de
gang en desgevraagd vertelde de gastvrouw, Thisbe,
hun dat het hier inderdaad een feestavond van de schutterij
van Venna betrof, maar dat ze hoe dan ook welkom waren.
Toevallige passanten waren altijd welkom. Oude kostuums
uit Ko-ro-ba, waren er in overvloed zodat het geen
moeite kostte om hun doorweekte kleren in te ruilen
voor comfortabele lakense tunieken van ouderwetse
snit.
Het werd
een prima avond waaraan hartelijk door iedereen werd
deelgenomen. Ze maakten vele vrienden. De muziek,
de bediening door in luchtige kleding gestoken jonge
maagden, de gasten, kortom het werd een avond om nooit
te vergeten. Het voedsel werd geserveerd op ronde
houten schalen. Het bestek bestond uit een Matus,
een dolkmes. Vingerkommen en handdoeken zorgde voor
de soms meer dan noodzakelijke schoonmaak.
Een Skald,
Prensius Tabore, afkomstig van het eiland van die
naam speelde hartverwarmend op zijn vele instrumenten.
Veel later werd de wijn niet meer in nappen geschonken
maar werd door de maagden van een afstand door middel
van een bota rechtstreeks in de dorstige kelen gegoten.
Valesca leek niet meer bij te komen van het lachen.
Zoals aan
alles kwam ook hieraan, na een uitgebreide toegift
van de musicus, een eind. Alle gasten werden in een
ruime kamers ondergebracht om de nacht door te brengen.
Maar van slapen kwam niet veel. Er stak opnieuw een
enorm onweer op dat door de bergen duizendvoudig werd
weerkaatst. Gedurende meer dan een Ahn hield het noodweer
aan. Staande op een balkon, onder een afdak en dus
beschut voor regen en wind keken ze hand in hand hun
ogen uit naar dit magnifieke schouwspel. Toen het
noodweer eindelijk versaagde fladderden een groot
aantal Varts rond het huis. Zoiets was in de stad
ondenkbaar. De Larl waarmee zij eerder kennis hadden
gemaakt liet zich weer horen. Beiden huiverden ze
bij de gedachte aan hun eerdere ontmoeting, eerder
die dag…
~*~*~*~
Beknopte
woordenlijst
(In de Goreaanse taal worden zelfstandige naamwoorden
met een hoofdletter geschreven).
Ahn – De
Goreaanse dag bestaat uit 20 uren, onderverdeeld in
40 ‘Ehn’, minuten.
Ar – De grootste stad en economische en sociale hoofdstad
van het ‘bekende’ Gor.
Blanc’Na – berk.
Brod – bier.
Can-ti-na – Restaurant.
Cilinder – Ronde cilindervormige woon- of werktoren.
Meestal worden de woorden ‘Dom’, of ‘Isola’ gebruikt
voor een woontoren. Werktorens worden aangeduid met
het woord: La-borus, wat ook ‘werker of arbeider betekent.
Dzig – Zwaan.
Gor – Gor is ruime zin de naam van de planeet waarop
dit verhaal zich afspeelt. In engere zin is het Gor,
de thuissteen, een meestal cirkelvormige platte steen
die de ziel van iedere woonplaats, stad, dorp op alleenstaande
hoeve uitmaakt. De thuissteen wordt steeds tot het
uiterste bewaakt en beschermd.
Hort – Goreaanse lengtemaat. 1 hort = 3,175 m.
Isola – Cilindervormige woontoren waar op elke verdieping
verscheidene families wonen.
Kaissa – Goreaans schaakspel met 100 rode en gele
velden en 20 stukken per speler.
Kaiila – Groot vleesetend zoogdier met een lange nek
en een zijdeachtige pels.
Kailiauk – gedrongen herkauwer, taankleurig met bruine
en rode vlekken op de flanken. Een Kailiauk heeft
3 hoorns en is ca 2 tot 2,5 meter hoog bij de schoften.
Ka-la-na – 1) Een hoge boom van sterk geel hout; de
vaak kaarsrechte takken worden ondermeer gebruikt
om strijdbogen van te maken. 2) Sterke droge witte
of rode wijn, gemaakt van het fruit van de jonge Ka-la-na
boom.
Ko-ro-ba – Na Ar de oudste stad op Gor. Er wordt vaak
aan gerefereerd als aan de: ‘Torens van de Dageraad.’
Kustos – Wachtpost.
la – Eerste persoon enkelvoud vrouwelijk; lo – Eerste
persoon enkelvoud mannelijk.
Larl – Katachtig roodachtig of zwart zoogdier met
zwarte manen. Lijkt op een luipaard.
Pasang – Lengtemaat. Eén Pasang correspondeert
met 0,7 mijl of ongeveer 1 kilometer.
Sardar - De buitenaardse ‘Priester-Koningen’, waren
grote ca 2,5 meter lange intelligente insecten die
tot ca 10 jaar geleden beschouwd werden als de ware
heersers over Gor. Deze soort heeft inmiddels de planeet
verlaten.
Sul – Stevige, goudbruine druifachtige vrucht, ongeveer
zo groot als een grape-fruit.
Tabuk – Gele antilope met een enkele hoorn.
tal – Goreaanse begroeting; vaak vergezeld van een
saluut door het binnenwaarts heffen van de rechterhand
naar schouderhoogte.
Tarn – Gekuifde, havikachtige vogel, groot genoeg
om te berijden. Werd tot voor kort gebruikt in de
Goreaanse legers. Tegenwoordig alleen nog maar in
de beroemde tarnraces.
Talu – Goreaans gewicht, ongeveer overeenkomend met
honderd gram.
Tharlarion – Eén van diverse types grote vleesetende
reptielen, waarvan er verscheidene zijn gedomesticeerd.
Ooit werden de zogenoemde Tharlarion koetsen door
deze woeste dieren voortgetrokken; tegenwoordig gebeurt
dat door van de aarde geïmporteerde paarden.
Thassa – de zee, oceaan.
Tur – Een boomsoort met een roodachtige brede stam.
Turia – Grote zelfstandige Polis in het diepe zuiden.
Venna – De stadstaat Venna was eeuwenlang onderhorig
aan Ar, maar doordat deze stad politiek was verzwakt
lukte het Venna uiteindelijk de onafhankelijkheid
uit te roepen.
Ubar – Oorlogsleider.
Vart – vleermuis.
Viktel – Straatweg. De Viktel Voskis is de hoofdweg
van Venna naar Lara aan de rivier de Vosk. Met Viktel
Aria wordt de hoofdweg naar Ar aangeduid. Viktel betekent
ook overwinning.
Vosk – In het algemeen is Vosk de benaming voor rivier.
In engere zin wordt met ‘de’ Vosk, de grootste rivier
op Gord genoemd die de levensader is voor de Goreaanse
economie.