Mijn naam,
zoals u misschien wel weet, is Perseus. Ik woon en
werk in Lutetia, de hoofdstad van Gallië. Deze
stad wordt echter door iedereen Paris genoemd, naar
de grote held uit Hellas. Ik werk als aedilus, schrijver,
bij een grote fabriek van knoopsgatennaaimachines.
Een onmogelijk woord, ik weet het maar ik heb het
zelf ook niet bedacht. Mijn eega, Andromeda, werkte
destijds als secretaresse in dit bedrijf en het was
dan ook daar dat ik haar heb leren kennen. Inmiddels
is zij opgeklommen tot Hoofd van de Boekhouding en
als zodanig de tweede ‘man’ van de Parisische vestiging.
Het is een staatsbedrijf, dus worden we rechtstreeks
vanuit Roma betaald. Het loon is navenant relatief
laag, want overheidsdienaren in de ‘provincie’, zoals
ze dat daar noemen, worden per traditie onderbetaald.
De avond
voordat dit verhaal aanvangt, was ik laat opgebleven
en dat was niet verstandig want deze ochtend diende
ik mij bij het krieken van de dag naar het Noordstatie
te begeven, alwaar de flitstrein klaarstond om mij
in luttele uren via Viromanduorum en Bagacum naar
Lugdunum Batavorum te brengen. Zoals u weet is die
stad vlak bij de noordgrens van ons roemruchte Romeinse
rijk gesitueerd. Luttele mijlen benoorden die stad,
bij het villaticus met de naam Warmunda, begint Frisia
Pars, het grote kustrijk aan de Noorder Zee waarvan
de hoofdstad Ljouwert grote kunstschatten herbergt.
Voor zulk een barbaars land geen geringe prestatie.
In die uithoek
van het Romeinse rijk, in de beroemde universiteitskliniek
van professor Snellius, zag ik bijna vijftig jaren
tevoren, het levenslicht. Ik had er mijn jeugd, mijn
studiejaren en mijn leertijd in de fabriek aan de
Viale Roosevelt doorgebracht, voordat ik naar Paris
was gekomen om mijn ‘knoopsgatencarrière’ op
te bouwen. In opdracht van Roma diende ik vandaag
de lugdunensische vestiging te inspecteren en ik verheugde
mij erop om de stad, na zovele decennia wederom te
mogen aanschouwen.
Het geviel
dus dat ik later op die ochtend arriveerde op de Centrale
Statie van Leyden, zoals deze stad door het gemene
volk wordt genoemd. Het was druk op het station; veel
drukker dan ik mij van dit grensstation kon herinneren.
Bovendien was het geheel uitbundig verbouwd met veel
glas en modern beton en bovendien geflankeerd door
een aantal torenflats en kantoorgebouwen. Een slanke
toren gaf zowel de Romeinse, als de plaatselijke tijd
aan.
Onder de
grote gebogen luifel van de statie bekeek ik de drukte
op het stationsplein waar brede stromen stoommobielen,
straattrams en voetgangers zich traag of gehaast langs,
onder en over elkaar heen bewogen. Stoplichten sprongen
van rood op groen. Een tunnel, evenwijdig aan de sporen,
slokte grote hoeveelheden verkeer op om die even verderop
weer uit te spuwen. Rondom rezen hoge gebouwen, voorzien
van neonreclames, op uit de ongeaccidenteerde Bataafse
bodem.
Een ogenblik
stond ik sprakeloos want ik had beslist wel enige
verandering verwacht na al die jaren. Maar dat uit
het vervallen provinciestadje uit mijn tijd zo op
het oog een wereldstad had kunnen groeien, ging mijn
bevattingsvermogen toch enigszins te boven. Ik liep
verder de Via Statione in die, behalve dat er alleen
voetgangers en openbaar vervoer mocht komen, uiterlijk
niet veel veranderd was. Het was goed om weer de veeltaligheid
van de stad waar ik was geboren en grootgebracht te
kunnen beluisteren. Ik vernam flarden van gesprekken
in het Neder-Germaanse dialect van de Batavieren.
Ook het schier onbegrijpelijke Fries van de noorderburen
werd door velen gesproken. Het Romeins van mijn landgenoten
was voornamelijk te horen bij de in grote getale aanwezige
custodes en passagierende grenstroepen. Een fors aantal
cantina’s, restaurants, hadden voedsel uit alle windstreken
van het Romeinse Rijk in de aanbieding. Bovendien
kon men niet om de gebruikelijke etablissementen,
benodigd ter vermaak van een uitgebreid garnizoen,
heen.
Even verderop
dacht ik de aloude ‘beestenmarkt’ aan te treffen.
Die was er niet meer. Wel een enorm verkeerscircuit
met boven- en ondergrondse kruisingen, luchtbruggen
en onderdoorgangen. Waar was de rivier de Rhenus gebleven?
Verloren gegaan in de progressie? Ik slenterde verder
en sloeg linksaf de Brede Via in. Die straat was rustig
en ook al omgetoverd tot een voetgangersgebied. Hij
was over de gehele breedte betegeld. Slechts de tram
was het enige wat daar nog reed en als zodanig had
het winkelende publiek alle ruimte om de fraaie etalages
op het gemak te bewonderen. Mode uit Paris, Roma en
Mediolanum werden in geuren en kleuren ten tonele
gevoerd. Het geheel was overkapt en hier en daar stonden
bankjes onder in grote vierkante houten bakken geplaatste
linde- en berkenbomen, die uitnodigden om een wijle
te rusten. Grote bloembakken zorgden voor kleurrijke
en geurige afwisselingen.
Ik liep een
café binnen met de naam ‘Die Breede Straet’,
dat er in mijn studententijd nog niet was. Ik zette
me aan een tafeltje om thee te drinken en om na te
denken over de veranderingen die zich in de stad hadden
voorgedaan. In het midden van de ruimte stond een
biljarttafel waaraan een lange kalende man en zijn
korte ietwat gezette metgezel ijverig bezig waren
veelkleurige biljartballen in langs de zijkanten aangebrachte
zakjes te caramboleren. In ‘mijn’ tijd zag biljart
er veel eenvoudiger uit met maar drie ballen. Maar
ja; het was duidelijk dat ook hierin de vooruitgang
niet te stuiten was geweest. Desgevraagd wist men
mij te vertellen dat dit spel ‘snooker’ heette en
afkomstig was uit het rijk der Angelen en Saksen aan
de overzijde van de Noorder Zee.
Vroeger was
het in Leyden trouwens ook niet zo best. Hele wijken
waren aan het verkrotten. Men was altijd boos op de
magistraten die nimmer wat aan stadsontwikkeling deden
en altoos achter de feiten aanliepen. En als er dan
eens iets gebeurde, was men weer veel te laks en liep
men achter de gebeurtenissen aan. Ik herinnerde mij
nog maar al te goed de jarenlange grenswijzigingkwestie
die gedurende lange tijd de activiteiten van het gemeentelijke
apparaat hadden lamgelegd. Nu weet ik wel dat er in
een stad die zo dicht tegen de grens aan ligt weinig
expansiemogelijkheden zijn, maar vooral in zuidwestelijke
richting waren er toch mogelijkheden genoeg, zou men
zeggen.
Ik betaalde
de ober in Romeinse sestertiën en liep weer naar
buiten waar de zon haar stralen tussen de rechthoekige
gaten in de overkapping op de tegels en op de bloemenpracht
in de bloemperken liet neerdalen. Passeridae, mussen,
kwinkeleerden dat het een lieve lust was. Een tram
kwam stapvoets en ting-tingend voorbij. Even verderop
liep alweer een verkeersweg in een grote betonnen
bak onder de straat door. Nog meer ‘vooruitgang’.
Het werd langzaam warm en dat was aan de outfit van
de voorbijgangers te zien. En zo hoort het ook.
Ik liep verder,
af en toe in de uitnodigende uitstalkasten van de
winkels kijkend. Aan de linkerkant stond nog steeds
het oude stadhuis met zijn prachtige zandstenen gevel
en de grote met leeuwen en engelen versierde statietrap
waar de bruidsparen omhoog plegen te gaan om elkaar
het jawoord in de marmeren burgerzaal toe te fluisteren.
Ik bleef een poosje staan kijken naar zulk een gezelschap.
Bruid en bruidegom stapten in vol ornaat uit een open
landauer om gewillig voor de fotograaf te poseren.
De al wat oudere man, grijzend aan de slapen en grijnzend
van oor tot oor, keek – zo het leek – met veel affectie
naar zijn veel jongere bruid, een prachtige gazelle
met weelderig blond haar. Waar de man in zijn driedelig
grijs het in deze hitte ongelofelijk warm moest hebben,
was het bruidje gekleed in een smetteloos witte, uiterst
laag uitgesneden robe die haar weelderige voorkomen
alleszins voordelig liet uitkomen en ik vermoedde
dat het dat was waar de bruidegom voornamelijk oog
voor had.
Vlak voor
het stadhuis sloeg ik een steeg in langs het warenhuis
van Vulmarus & Drusus, dat inmiddels volledig
was vernieuwd en hoog boven de gevel van het stadhuis
uitstak. Geen gezicht eigenlijk. Even verderop dacht
ik eindelijk de aloude stroom der Rivier de Rhenus
weer te kunnen aanschouwen. Maar niets bleek minder
waar. Arbeiders waren druk doende om een verkeersweg
aan te leggen over wat eens Vader Rijn was geweest.
Met een neerslachtig gemoed stak ik over door de zandhopen
en zag de Burcht op diens heuvel onder de lommerrijke
bomen liggen. In mijn studententijd hadden wij daar
eens een feest meegemaakt, waarvan de details mij
onmiddellijk weer voor de geest sprongen.
De dames
en heren studenten werden op de galerij opgewacht
door een in oud-frankisch kostuum gestoken jongedame
die ons trakteerde op een glaasje druivennat uit Gallië.
Later werden wij de catacomben ingevoerd, waar een
zeer luidruchtige ‘Trojaanse feestmaaltijd’ werd geserveerd.
Het was een prima avond, waaraan zeer hartelijk door
alle aanwezigen werd deelgenomen, om het maar eens
eufemistisch uit te drukken. De muziek, de bediening,
de gasten – kortom, het werd een avond om nooit te
vergeten. Het voedsel werd geserveerd op houten schragen.
Het bestek bestond uit een vervaarlijk dolkmes. Men
diende met zijn vingers te eten. Vingerkommen en handdoeken
zorgden voor de somtijds meer dan noodzakelijke schoonmaak.
Iedereen werd voorzien van een ‘Helleens’ hoofddeksel
en een dito slab tegen het morsen.
In de loop
van de avond, eh nacht, ging de in een soort schildknapen
pak gestoken, en van een gitaar voorziene Keltische
troubadour volledig uit zijn dak en speelde de sterren
van de hemel. Het dansen, de polonaise en het lol
maken vierden alom hoogtij. Het geschreeuw en gestamp
om meer voedsel en meer muziek zorgden voor een uitermate
klassieke sfeer. Althans zoals wij moderne mensen
ons dat kunnen voorstellen. Ook de verklede dienstertjes
die hun handen vol hadden, kregen er uitbundig lol
in. De heren uit het gezelschap werden ritueel geschoren.
Later werd er wijn geschonken uit een Iberische bota.
Ondergetekende moest er ook aan geloven en kreeg een
zeer ruim bemeten groep laken omgegord; dienstmaagd
Ludovica klom tegenover mij op een stoel en goot dra
het spirituele vocht van grote afstand in mijn keelgat
die ik daartoe tevoren wijdopen had gezet. Een bijzondere
ervaring, dat kan ik u verzekeren. Zoals aan alles
kwam ook hieraan – na een uitgebreide toegift van
de troubadour, een eind en spoedden wij ladderzatte
studenten ons naar onze respectieve woonsteden.
Dit alles
ging in een flits aan mij voorbij en even later stapte
ik mijn oude boekhandel binnen, nog steeds gelegen
aan de voet van de Burchtheuvel. In tegenstelling
tot veel wat ik deze morgen had meegemaakt, leek de
tijd hier te hebben stilgestaan. Nog steeds waren
de boekenkasten hoog en tot aan het hoge plafond opgetrokken
en diende de bediening allerhande capriolen uit te
halen op via gammele ladders bij de benodigde boekwerken
te geraken. Alleen was het pand ernaast erbij getrokken
en het was ook mogelijk om veel dieper naar achteren
door te lopen dan vroeger het geval was geweest zodat
er veel meer ruimte was gekomen om de boeken uit te
kunnen stallen. Er lagen nog steeds boeken en folianten
uit het gehele Romeinse rijk en alle talen van de
vele provinciën waren zeker vertegenwoordigd.
Ik snuffelde
uitgebreid en vergat de tijd. De tijd was dan ook
zo snel voorbijgegaan. Ruim dertig jaar en toch leek
het bijna gisteren dat ik hier ook had gestaan om
mijn studieboeken uit te zoeken en te kopen. Ik memoreerde
dat het indertijd nogal gemakkelijk ging. Eerst nadat
ik was afgestudeerd behoefde ik mijn gedurende vijf
jaren opgelopen rekening slechts in gedeelten terug
te betalen. Al naar gelang mijn inkomen. Het voelde
weer net alsof ik thuis was. Ook de oude gietijzeren
wenteltrap achter in de winkel was er nog steeds.
Dat gaf een vertrouwd gevoel.
Ook aan deze
scène kwam na al mijn rêverieën
een eind en het was inmiddels zo laat geworden dat
het hoog tijd werd dat ik mij naar de Viale Roosevelt
zou spoeden om niet te laat te komen voor mijn afspraak.
Ik begaf mij dus gezwind naar de Via Korevaer om daar
te wachten op de tram die mij herwaarts zou brengen.
Aan de gevel van het gebouw aan de overkant waren
blauwe uithangborden aangebracht waarop twee eenden
de ondergaande zon tegemoet zwommen.
Maar ik wachtte
tevergeefs, want de tijd was stil blijven staan en
de tram reed niet meer. Bovendien bleken de mensen
plotseling geheel anders gekleed te zijn. Waar waren
de statige robes van de vrije dames gebleven. Waar
de tunieken van de heren der schepping? Bijna zonder
uitzondering droegen zowel vrouwen als mannen blauwgekleurde
strakke broeken, voorzien van koperen knopen. Het
duizelde me en het kostte me enige moeite om de leden
van beiderlei kunne uit elkaar te houden. Maar er
was meer. De automobielen bleken ineens niet meer
op stoom te lopen, maar reden zoevend voorbij. Ik
kan u verzekeren dat er zich een enorme verwarring
van mij meester maakte en het duurde een hele tijd
voordat dat gevoel enigszins tot bedaren was gekomen.
Tenslotte
bracht een afgeladen stadsbus mij naar de Rooseveltstraat
waardoor ik eindelijk was aanbeland waarvoor ik gekomen
was. De inspectie van het knoopsgaten naaimachine
productie bedrijf…