. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .


Grenzenloos
maart 2008

Carsten

Het was die dag een levendige bedoening aan de zeereep. De hemel was lichtelijk bewolkt en het waaide nog na van de vervlogen storm van een etmaal eerder. Een sportclub was ijverig aan het trainen en enkele ruiters m/v spoorden hun rijdieren aan tot grote spoed, waarbij het water alle kanten opspatte. De branding rolde in zijn immer voortdurende aanval op het strand. Een aanval die bij dit weer natuurlijk geen kans van slagen had. Slechts bij hogere windkrachten, en daar waren de sporen van te zien, heeft die aanval succes en verdwijnen kleinere en grotere stukken duin in het zilte nat.

Maar daar hadden wij geen oog voor. Starend in de lens van een voor ons uit op een trolley gemonteerde camera wandelden Kirsten en ik, met de presentator tussen ons in, langs de vloedlijn. Om de beurt werd ons een vraag gesteld die we zo oprecht mogelijk probeerden te beantwoorden.

Tijdens een draaipauze had ik gelegenheid om eens om me heen te kijken. Kirsten noch de presentator hadden oog voor mij. Er waren mensen met honden, met kinderen, met elkaar en ook waren er natuurlijk eenzame mensen; blije mensen; verdrietige mensen. Mijn blik werd getrokken door twee jonge vrouwen met een kindje van een jaar of twee die er genoegen in schepte om met zijn laarsjes door het water te banjeren, daarbij bij voorkeur steeds de diepere gedeelten opzoekend zodat het onvermijdelijk was dat de leren laarsjes ook binnenin met het water in aanraking kwamen. De dames lieten het glimlachend begaan. Maar toen was het weer tijd en de opnamen werden voortgezet.

Kirsten

Gedurende een hele week werden drie Vlaams/Nederlandse koppels gevolgd door een ploeg van de commerciële TV zender VTzes, met het doel gesprekken op gang te brengen over de zieleroerselen van mensen afkomstig van twee kanten van de grens die eens de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden had verbonden. Er werden ons vragen gesteld over wat ons in het dagelijks leven bezighield, wat voor ons de diepere zin van het leven was, wat onze mening was over het voor ieder van ons ‘andere’ Nederland en tenslotte hoe we onze vrije tijd doorbrachten en op welke wijze we onze dagelijkse activiteiten uitvoerden

De medewerkenden waren een hardloper: Filip, uit Kalmthout bij Antwerpen die gekoppeld was aan een jonge brandweervrouw, Karen, uit Katwijk aan Zee, een plaatsje dat ten noorden van Den Haag ligt. Dan was er de knappe Henning, een kok uit Utrecht die was verbonden aan een Brusselaar, trambestuurder Louis, en ik tenslotte was gekoppeld aan een zekere Carsten, een al wat oudere boekverkoper uit Leiden in Zuid Holland. Mijn naam is Kirsten, ik woon in Meise en ben verbonden aan het Brusselse toneelgezelchap: Théâtre de Bruxelles. Zoals gezegd waren we gedurende een week intensief samengebracht, waarbij werd geprobeerd het diepste uit ons naar boven te brengen.

Carsten

Het was een vermoeiende week. We werden van hot naar haar gesleept om op diverse locaties ons zegje te doen en het was dan ook niet verwonderlijk dat het er zo nu en dan wat minder harmonieus aan toeging bij één van de koppels. Aanvankelijk was dat wat Kirsten en mij betreft ook het geval. Toen we aan elkaar werden voorgesteld waren onze reacties tegengesteld. Kirsten keek nogal hooghartig vanuit grote hoogte op me neer. Wat moest ze met deze kleine ‘Ollander,’ scheen ze te denken. Ze is een kop groter dan ik en haar lichaamstaal maakte duidelijk dat ze liever aan mooie Henning dan aan mij was gekoppeld. Maar dat was blijkbaar de bedoeling van de opnameleiding; tegenstellingen scheppen om zo reacties uit te lokken die het zouden doen op de buis. Televisie maken, volgens het jargon. Ik daarentegen zag het met de mooie Brusselse wel zitten. Haar uiterlijk was in ieder geval, om het maar eens eufemistisch uit te drukken, veelbelovend. Deze dame met ellenlange benen, die ze ook nog eens accentueerde met hoge laarzen en korte rokken, was een verschijning die het op TV zeker goed zou doen.

Maar nadat het de eerste twee dagen vooral aftasten was geweest, bemoeilijkt door de niet aflatende aanwezigheid van de cameraploeg én de beide presentatoren, Antoine uit Brussel en Maaike uit Hilversum, klikte het steeds beter tussen ons. We bleken zowaar een soort overeenkomst te hebben. Zij speelde in een professioneel Brussels toneelgezelschap en ik deed aan amateurtoneel, waar stukken voor het voetlicht kwamen als ‘De engel in de kist’ en ‘Hoogheid uw kameel staat voor,’ stukken die natuurlijk in niets te vergelijken waren met de Shakespeare waar Kirsten zich nu mee bezig hield.

Henning

De eerste helft van de week waren er opnamen in Nederland. Ik gaf kookles in mijn restaurant aan de Oudegracht in Utrecht, we slenterden langs de kantelen van de Leidse Burcht. In de brandweerkazerne werd ons uitgelegd hoe, na een brandalarm, de procedure van het uitrukken verliep. Vervolgens werden we geacht uit de brandweertoren ab te seilen en ‘s woensdagmiddags was er een strandwandeling om dezelfde avond te verkassen naar Brussel voor de Belgische opnamen.

Over die kookles valt nog wel wat te zeggen en dat deed ik dan ook voor de camera. Terugblikkend bracht ik de kijkers terug naar het vorige jaar toen we op een stille maandag in het vroege voorjaar, als bedrijfsuitje met een bus naar Brugge waren getogen waar we vlakbij het stadscentrum werden gedropt. We keken uit op het zogenaamde Belfort, een hoge toren waar je in Brugge onmogelijk omheen kan. Er werd ons verteld dat het al in de 13de eeuw was gebouwd, en toen was voorzien van een houten spits. Geld voor een stenen toren was er blijkbaar niet.

Daarna kregen we een rondleiding in het Begijnhof en een rondvaart door de grachten, waarna voor mij het hoogtepunt begon, vissen in de Damsevaart, want van geschiedenis heb ik bepaald geen Gruyèrekaas gegeten. Voor visverlof, zoals ze hier een visserijvergunning noemen, was gezorgd en we werden ergens halverwege Damme afgezet waar we de meegebrachte hengels in gereedheid brachten.

En reken maar dat er wat naar boven gehaald werd. Rietvoorn, Baars en Brasem werden aan de lopende band gevangen maar bij mij wilde het maar niet vlotten. Enkele ondermaatse voorntjes, meer zat er niet in. Maar zeg nooit nooit, want bij het scheiden van de markt, ging mijn dobber met een reuzevaart onder en werd ik bijna van m’n krukje gerukt omdat mijnheer vis het met deze vangst niet eens was. Later bleek het dat een bijna zeventig centimeter lange snoek er zowat met mijn gereedschap vandoor was gegaan en mij tot een wilde achtervolging dwong waarbij het snoer tenslotte verward raakte in een kaal elzenbosje, zodat ik eindelijk de gelegenheid kreeg meester snoek omhoog te halen. Het was nog een heel gedoe om de haak uit de bek te peuteren maar tenslotte kon ik met mijn vangst op de foto en bleek het dat ik de wedstrijd nog had gewonnen ook. En zo hoort het ook.

Met dit gegeven in het achterhoofd wilde ik – bij wijze van kookles – samen met mijn tijdelijke leerlingen gevulde snoek op tafel brengen. Ik had voor een drietal snoeken gezorgd, brandnetels geplukt, sterrekers, zuring en blond Belgisch bier en alle andere ingrediënten bij elkaar gebracht en legde het recept uit:

“Doe de boter in de vispan en voeg de schoongemaakte en kleingesneden uien toe.
Leg de schoongemaakte snoek op het rooster van de vispan, giet het bier en de court-bouillon erbij en bestrooi het met de fijngehakte zuring, sterrekers, netels en peper en zout. Houd alles op een zacht vuur ± 30 minuten tegen het kookpunt aan. Verwarm de room aan het einde van de kooktijd zachtjes in een pannetje, peper hem goed en giet hem over de snoek. Serveer het gerecht met gekookte aardappelen.”

Dat het hele festijn een zootje werd was bijna onvermijdelijk en het eind van het liedje was dat iedereen elkaar met brokken vis begogelde wat veel hilariteit en twijfelachtige opnamen opleverde.

Filip

Na het Nederlandse avontuur gingen we terug naar België. De atletiekbaan van Hoboken was onze volgende stop. Hier werd het hele gezelschap in atletiekoutfit gestoken. Na twee rondjes voor het uithoudingsvermogen gaf ik les in de startprocedure. Tenslotte deden we een wedstrijdje waarbij Karen, de Nederlandse brandweervrouw met 10.25 over de 60 meter serieus uit de voeten bleek te kunnen. Er was ook nog een incident. De al wat oudere Carsten verstapte zich en raakte geblesseerd aan zijn linkervoet. De man schaamde zich te pletter en ik betwijfel of hij er fier op is om dat thuis te vertellen. Maar het is natuurlijk allemaal wel opgenomen en dus zichtbaar op de beeldbuis.

De volgende dag kregen we les in het besturen van een Brusselse tram en woonden we een repetitie bij van Kirstens toneelgezelschap waarin zij bij de eerstkomende voorstelling een geschifte dame gaat spelen. Inderdaad, La mégère appivoisée, ofwel de getemde feeks, van Guillaume Shakespeare.

Carsten

Het was duidelijk dat Kirsten tijdens onze eerste onmoeting nog in die sfeer had verkeerd en mij als ‘feeks’ had begroet. Inmiddels had zij meer dan ooit haar zachte kant getoond en in de avonduren, als de hele ploeg aan de bar in het hotel een afzakkertje kwam halen, was zij – overigens net als alle anderen - uiterst prettig gezelschap.

Kortom, wij waren deelnemers aan een ‘grenzenloze’ week. En dat was dan ook meteen de titel waaronder de verschillende programma’s zouden worden uitgezonden. Geleidelijk ontstond een sterke band tussen de zes lotgenoten en de crew, en het was onontkoombaar dat wij – als er zich iets bijzonders zou voordoen, voor elkaar op de bres zouden staan.

Naast de eerder genoemde locaties waren er ook anderen, zoals het al genoemde Katwijkse strand, een terras op de grote markt in Brussel, de Kalmthoutse heide, een restaurant in Utrecht en zo meer. Steeds werden ons uiteenlopende vragen voorgelegd, zodat na verloop van tijd allerlei interessante discussies tussen de verschillende koppels op gang kwamen. Daar kwamen hele bijzondere gesprekken uit voort, een beetje Felderhof-achtig, die zowel voor het Vlaamse als voor het Nederlandse publiek stof tot nadenken zouden moeten geven. Het programma was dan ook duidelijk niet voor prime-time bedoeld maar meer voor de late uurtjes.

Kirsten

Het voorval dat ik wil delen speelde zich af op de Kalmthoutse Heide. Van achter gevolgd door de camera liepen Carsten en ik over de grote heidevlakte, hier en daar begroeid met bossages, wat kleine en grotere meertjes, en in de verte de bossen die op Nederlands grondgebied staan. We werden geacht om aan weerskanten van de grens samen op te lopen. Ik op Nederlands en Carsten op Belgisch grondgebied. De vragen die ons daar werden gesteld gingen over het gevoel respectievelijk Nederlander dan wel Belgisch te zijn en wat er zich in het bijzonder in ons leven had voorgedaan dat ons een minder goed gevoel over het andere land had bezorgd. Voor de goede orde; de positieve kanten kwamen ook aan bod.

Ploeterend door het rulle zand, Carsten had er na zijn blessure op de atletiekbaan aanzienlijk meer moeite mee, had ik niet zoveel moeite om iets uit mijn geheugen op te diepen. Ik vertelde een verhaal uit mijn jeugd waarbij ik samen met mijn vriendin Lut tijdens een vakantie in Katwijk aan Zee had doorgebracht. We hadden gelogeerd in een ‘Zimmer Frei’ aan een straat met de weidse naam ‘Waaigat’, vlakbij zee. Gedurende een week genoten wij van de zon op het strand, de discotheken in het dorp en vooral van de jongemannen die twee jonge Vlaamse meiden wel zagen zitten. Het was in die zin goed afgelopen dat wij geen van beiden een zwangerschap aan de vakantieweek hadden overgehouden maar er was wel een knaap genaamd Dirk geweest die zich na de vakantie nog lang aan mij had opgedrongen. Ik had er spijt van dat ik hem mijn telefoonnummer had gegeven en pas nadat ik hem er door het apparaat ongenadig van langs had gegeven, kreeg meneer de doordrijver het eindelijk door dat er van mijn kant niets meer te verwachten viel. Ik was toen werkelijk zo ongelofelijk kwaad, dat ik nu, bij de repetities van de ‘feeks’ dat gevoel oproep om in de juiste stemming te komen.

Na de opnamen rustten we uit in het restaurant de Heihoeve, aan de overkant van de weg naar Kapellen. Ze serveren daar uitstekende pannenkoeken met kriekskes! Zelfs Henning, de sceptische kok waar het over andermans kookkunst gaat, vond ze overheerlijk.

Carsten

Mijn verhaal over België was van een heel andere orde. Ik beschreef een voorval in de Ardennen waar mijn vrouw en ik op een zekere dag in een hotel terechtkwamen bij het voormalige station van Stoumont, ergens tussen Trois Ponts en Vielsalm. Het echtpaar dat de zaak runde kwam uit West Vlaanderen, wat voor ons wel prettig was omdat ons Frans nou niet bepaald om over naar huis te schrijven is. Die avond maakten wij een wandeling in de buurt en ontdekten dat behalve het oude stationsgebouw weinig meer aan de tijd deed herinneren dat er op deze plek de treinen ook daadwerklijk stopten. Perrons, seinen, uithaal- en rangeersporen bleken verdwenen en de goederentreinen en een enkele intercity raasden voorbij alsof er hier nooit iets was geweest om voor te stoppen. Het merkwaardige was echter dat er in dit verlaten station een lichtje brandde. Nieuwsgierig geworden namen we een kijkje en we zagen achter een raam aan de wegkant een man achter een bureau zitten, bij het licht van een kale schemerlamp, die zo te zien ijverig bezig was een puzzel te leggen. We keken elkaar eens aan, haalden de schouders op en vroegen later aan de eigenaar van het hotel wat dit merkwaardige fenomeen te betekenen zou kunnen hebben.

Het antwoord was dat het station inderdaad was opgeheven maar dat de vakbonden ervoor hadden gezorgd dat het station, ondanks het feit dat er niets meer te doen was, tot aan het pensioen van de stationschef 24 uur op 24 bemand zou blijven, De betreffende man toog elke dag naar zijn ‘werk’, zat zijn acht urige werkdag uit, waarna hij werd afgelost door een confrater die evenzo de tijd volmaakte totdat hij ook weer werd aflgelost. Voorwaar een merkwaardige situatie, waarover Kirsten zich danig vrolijk maakte en mij op mijn vraag verzekerde dat het betreffende hotel nog steeds als zodanig in gebruik was; zij had er de vorige zomer een nacht doorgebracht. Of de betreffende stationschef inmiddels met pensioen is, vertelde het verhaal niet.

Louis

Tijdens één van de zittingen, het was op een terras op de Grote Markt in Brussel, was de vraag of ik mij iets kon herinneren over een goede tijd die ik in Nederland gehad zou hebben. Dat was inderdaad het geval. Samen met Nonkel Daaf uit Berendrecht – mijn ouders hebben een zaak aan de Brusselse Hoogstraat - had ik, jaren geleden een korte vakantie in Nederland doorgebracht. In zijn oude Landrover maakten we een rondreis waarbij we allerlei bezienswaardigheden bezochten, zoals een ongelofelijke hoeveelheid molens in een plaats die Kinderdijk heet en de Keukenhof. Bloemen, bloemen en nog eens bloemen; het zal allemaal wel. Maar Nonkel Daaf vond het allemaal prachtig. De volgende dag was in Amsterdam het Van Goghmuseum aan de beurt waar ik me ook al te pletter verveelde en het Anne Frankhuis, wat niet veel beter was.

Daarna reden we over de afsluitdijk – er lijkt geen einde aan te komen – naar Friesland waar we zeilden op het Heegermeer en we het Jopie Huismanmuseum bezochten. Ook al geen evenementen om over naar huis te schrijven. Maar het mooie aan dit alles waren de avonden. Daaf is maar vijf jaar ouder dan ik en ikzelf was toen nog 16. Elke avond veranderde Daaf van een cultuurfreak in een losbol en samen bezochten wij disco’s waar we met veel genoegen met de Nederlandse meiden aan de zwier gingen. Voor mij was het een verademing want thuis mocht nooit iets, maar hier hebben we het dubbel en dwars ingehaald.

Filip

Aan Karen en mij werd gevraagd of we ons iets konden voorstellen bij de gedachte van een fusie tussen Vlaanderen en Nederland. Karen had geen idee; haar interesse ging meer in de richting van de manier waarop zij als Nederlandse en ik als Vlaming met de Nederlandse taal omgaan. Tenslotte bestaat er een Nederlandse taalunie die de taalgebieden van Frans Vlaanderen, Belgisch Vlaanderen en Nederland taalkundig aan elkaar heeft gekoppeld. Maar daarnaast zijn er mogelijkheden bij andere politieke raakvlakken tussen de beide landen. Eén van de grote problemen daarbij is dat deze kwestie zowel in Vlaanderen als in Nederland vooral wordt aangegrepen door uiterst rechtse partijen als die van Filip Dewinter en Geert Wilders en dat zijn mensen waar we ons geen van beiden mee willen vereenzelvigen.

Maar toch kunnen er voordelen zijn wanneer het er ooit van gaat komen als Vlaanderen zich van Wallonië zou afscheiden. Maar dan zitten er toch wel weer een groot aantal haken en ogen aan. Bovendien komen er dan vragen aan de orde als: moet het een volledige fusie worden, een federatie of een confederatie? Welke instellingen moeten worden samengevoegd; zijn dat alleen de buitenlandse instellingen of moeten ook zaken als sport, waar ik natuurlijk mee te maken heb, sociale diensten, weg en water, enzovoort geïntegreerd worden? En dan de grote vraag: wat moet er met de beide koningshuizen gebeuren? Worden die opgedoekt en komt er een republiek of wordt Albert naar Wallonië verbannen en worden de Oranjes opnieuw aangesteld in Vlaanderen? En hoe moet de nieuwe staat heten: Belgica, Rijnscheldeland, Delta? Kortom, het is allemaal heel gecompliceerd.

Karen

De hele week was een groot avontuur. Je moet weten dat ik in een zeer protestants dorp ben opgegroeid. Mijn ouders, en tot voor kort ik ook, bezochten elke zondag twee keer de kerk, waar mijn vader ouderling is. Thuis is het dan ook allemaal zeer zuinigjes en mede daardoor besloot ik om in Leiden de opleiding tot brandweervrouw te gaan volgen. Pa en Ma vonden dat aanvankelijk maar niks en dreigden me zelfs te onterven maar daar had ik maling aan. In Leiden had ik de gelegenheid om een hele andere wereld te leren kennen. Brandweerlieden zijn merkwaardige wezens. Over het algemeen zijn het mannen met een groot machogevoel. Veel van hen dragen uitzonderlijk grote snorren en de kantine hangt vol met schaars geklede dames. Maar onder die vernislaag zijn het hele lieve mannen die er – wanneer je tijdens een brand onverhoopt in moeilijkheden zou raken – alles aan doen om jou èn de bewoners (in die volgorde) uit het brandende huis te redden.

Toch was het een goede tijd want in de zogenaamde wachturen; had je dienst maar je hoefde niet veel te doen. Totdat er een alarm kwam, had ik gelegenheid om mijn hobbies, taal en geschiedenis, bot te vieren. Ik was lid geworden van de UB, de universiteitsbibliotheek aan het Witte Singel en las me te pletter. En dat kwam me, toen ik gevraagd werd om aan ‘Grenzenloos’ mee te doen, goed uit.

Want taal is zo iets moois om mee bezig te zijn. Het is vreselijk interessant om de interactie tussen het Nederlands en het Vlaams te volgen. Ooit, met Vlaanderen als het dominante gewest in de Nederlanden, was voor zover ik dat heb begrepen, het Vlaams, althans voor het gewone volk de dominante taal. Voor de elite, zowel in Noord als Zuid, gold dat niet. Men sprak Frans. In de tijd dat het ‘ABN’ ontstond is er veel van wat uit het Zuiden komt in het Nederlands terechtgekomen.

Bovendien was er de trek van de hugenoten en andere, om hun geloof vervolgden, vanuit Zuid naar Noord die ook hun invloed op de taal hebben laten gelden. In Leiden bijvoorbeeld, waren op een gegeven moment bijna de helft van de inwoners, wat je tegenwoordig allochtonen zou noemen. Als je in het Leidse telefoonboek kijkt kom je nog steeds ongelofelijk veel Frans- of Frans klinkende namen tegen - verbasterd of niet. Thans is de taalunie van kracht waardoor er weer veel vanuit Noord naar Zuid terugsijpelt. Andersom, mede door de invloed van de TV, komen er ook weer Vlaamse woorden en uitdrukkingen in het Nederlands terecht en zo is het een steeds terugkerende interactie.

Kirsten

Het was goed om aan deze week mee te doen. Maar alles heeft z’n einde en op maandag zou ik weer gaan repeteren. Als Vlaamse ben ik in het Franstalige gezelschap ingehuurd omdat mijn Frans beter is dan dat van de meeste Walen die voornamelijk hun eigen dialect plegen te spreken. Om van de Brusselaars maar te zwijgen.

Er was nog een interessant verhaal van Louis over de tegenstelling tussen de Walen en de Vlamingen. Louis, met een Waalse vader en een Vlaamse moeder is tweetalig opgevoed. Op zijn tram spreekt hij in Brussel Frans of Vlaams, net zoals men hem aanspreekt, maar over de taalgrens, in Vlaams Brabant wordt hij geacht uitsluitend Nederlands te spreken en in Frans Brabant uitsluitend Frans. Louis had meegedaan aan de fake RTBF uitzending waarin Vlaanderen zogenaamd de onafhankelijkheid had uitgeroepen. Louis was daarin bestuurder van de tram die zogezegd bij de taalgrens was tegengehouden. Ik kan me zo voorstellen dat dit soort toestanden voor Nederlanders onbegrijpelijk zijn.

Natuurlijk sprak ik lang over dit soort zaken met Carsten, die behoorlijk begripvol was maar soms toch ook moest afhaken over sommige raadselachtige dingen zoals de pariteit dat wanneer er in Vlaanderen een viadukt wordt aangelegd, er ook in Wallonië iets dergelijks moet komen. Noodzakelijk of niet. Carsten vond het allemaal maar eigenaardig en ik kreeg niet de indruk dat hij, de gevoelige man uit Leiden, voor dit soort dingen gevoelig was. Maar in allerlei andere omstandigheden was hij bijzonder plezierig gezelschap en ik moest toegeven dat ik het jammer vond dat wij spoedig afscheid zouden moeten nemen.

Carsten

Door deze en andere voorvallen groeiden Kirsten en ik steeds meer naar elkaar toe, mede omdat bleek dat wij, zij 28 was en ik 57, ondanks onze heel verschillende achtergronden we toch ook wel weer dingen gemeen hadden. Behalve het toneelspelen was er onze liefde voor boeken en bleek zij net als ik van honkbal te houden, hoewel dat in België helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Op de dag van het afscheid bleek er daar midden op de Grote Markt in Brussel, zelfs een band te zijn ontstaan die maar moeilijk was los te weken.

De camera zoemde in. We omhelsden elkaar en Kirsten snikte. “Probeer niet teveel aan mij te denken, Carsten”, zei ze in haar sappige Vlaamse tongval.” Het was schoon deze ganse week, maar gij moet terug naar uw lief vrouwtje. Ik ga terug naar mijn katten en mijn verder leeg huis in Meise.”

Ik stond op mijn tenen om haar op de wang te kunnen zoenen. “Niet huilen, Kirs, ‘t-is goe hoor.” Van de weeromstuit sprak ik ook al een mondje Vlaams. Met uw looks zult ge spoedig de ware vinden en samen gaat ge een schoon leven opbouwen. In uw drama speelt ge een feeks. In het dagelijks leven zijt ge een schoonheid, van buiten en van binnen. Ik ben nu al jaloers op degene die jouw vertrouwen weet te winnen.”

“Dat is nu juist de ellende”, snikte ze en keek me diep in de ogen. “Ik sta elke dag voor het voetlicht en in de schijnwerpers. De mannen liggen bij bosjes aan mijn voeten en ze willen allemaal maar één ding en dat is dus niet trouwen, een huis en kinderen.”

Het viel stil; ik wist ook niet wat te zeggen maar dat hoefde ook niet want Maaike kwam tussenbeide… “En dit was dan het verhaal van Carsten, de Nederlandse boekhandelaar en Kirsten de Vlaamse actrice, die we inmiddels zo goed hebben leren kennen. Zullen zij elkander nog ooit weerzien?” De vraag bleef in de lucht hangen. De camera zoomde uit van portret naar totaal en daar stonden we dan. Midden op het grote plein in een stevige omhelzing, omgeven door de duiven. In de verte kon je een tram de bocht om horen scheuren.

Het moment was verstoord en buiten de blik van de camera omhelsden we elkaar nog een keer, zeiden vaarwel en kusten elkaar veel goeds toe. De grens tussen de beide Nederlanden was tijdelijk geslecht geweest. Vlaanderen en Nederland waren voor een kort moment weer aaneen gesmeed, maar het moment was verstreken en in de realiteit van alledag gingen Nederland en Vlaanderen opnieuw hun eigen weg. Zowel politiek als intermenselijk. Brussel en Den Haag kunnen niet aan elkaar worden gesmeed. Zo nu en dan is er slechts een enkel moment wanneer het even lijkt of het wel zo is.