Carsten
Het was die dag een
levendige bedoening aan de zeereep. De hemel was lichtelijk
bewolkt en het waaide nog na van de vervlogen storm van een
etmaal eerder. Een sportclub was ijverig aan het trainen en
enkele ruiters m/v spoorden hun rijdieren aan tot grote spoed,
waarbij het water alle kanten opspatte. De branding rolde in
zijn immer voortdurende aanval op het strand. Een aanval die
bij dit weer natuurlijk geen kans van slagen had. Slechts bij
hogere windkrachten, en daar waren de sporen van te zien, heeft
die aanval succes en verdwijnen kleinere en grotere stukken
duin in het zilte nat.
Maar daar hadden wij
geen oog voor. Starend in de lens van een voor ons uit op een
trolley gemonteerde camera wandelden Kirsten en ik, met de presentator
tussen ons in, langs de vloedlijn. Om de beurt werd ons een
vraag gesteld die we zo oprecht mogelijk probeerden te beantwoorden.
Tijdens een draaipauze
had ik gelegenheid om eens om me heen te kijken. Kirsten noch
de presentator hadden oog voor mij. Er waren mensen met honden,
met kinderen, met elkaar en ook waren er natuurlijk eenzame
mensen; blije mensen; verdrietige mensen. Mijn blik werd getrokken
door twee jonge vrouwen met een kindje van een jaar of twee
die er genoegen in schepte om met zijn laarsjes door het water
te banjeren, daarbij bij voorkeur steeds de diepere gedeelten
opzoekend zodat het onvermijdelijk was dat de leren laarsjes
ook binnenin met het water in aanraking kwamen. De dames lieten
het glimlachend begaan. Maar toen was het weer tijd en de opnamen
werden voortgezet.
Kirsten
Gedurende een hele
week werden drie Vlaams/Nederlandse koppels gevolgd door een
ploeg van de commerciële TV zender VTzes, met het doel
gesprekken op gang te brengen over de zieleroerselen van mensen
afkomstig van twee kanten van de grens die eens de Noordelijke
en de Zuidelijke Nederlanden had verbonden. Er werden ons vragen
gesteld over wat ons in het dagelijks leven bezighield, wat
voor ons de diepere zin van het leven was, wat onze mening was
over het voor ieder van ons ‘andere’ Nederland en tenslotte
hoe we onze vrije tijd doorbrachten en op welke wijze we onze
dagelijkse activiteiten uitvoerden
De medewerkenden waren
een hardloper: Filip, uit Kalmthout bij Antwerpen die gekoppeld
was aan een jonge brandweervrouw, Karen, uit Katwijk aan Zee,
een plaatsje dat ten noorden van Den Haag ligt. Dan was er de
knappe Henning, een kok uit Utrecht die was verbonden aan een
Brusselaar, trambestuurder Louis, en ik tenslotte was gekoppeld
aan een zekere Carsten, een al wat oudere boekverkoper uit Leiden
in Zuid Holland. Mijn naam is Kirsten, ik woon in Meise en ben
verbonden aan het Brusselse toneelgezelchap: Théâtre
de Bruxelles. Zoals gezegd waren we gedurende een week intensief
samengebracht, waarbij werd geprobeerd het diepste uit ons naar
boven te brengen.
Carsten
Het was een vermoeiende
week. We werden van hot naar haar gesleept om op diverse locaties
ons zegje te doen en het was dan ook niet verwonderlijk dat
het er zo nu en dan wat minder harmonieus aan toeging bij één
van de koppels. Aanvankelijk was dat wat Kirsten en mij betreft
ook het geval. Toen we aan elkaar werden voorgesteld waren onze
reacties tegengesteld. Kirsten keek nogal hooghartig vanuit
grote hoogte op me neer. Wat moest ze met deze kleine ‘Ollander,’
scheen ze te denken. Ze is een kop groter dan ik en haar lichaamstaal
maakte duidelijk dat ze liever aan mooie Henning dan aan mij
was gekoppeld. Maar dat was blijkbaar de bedoeling van de opnameleiding;
tegenstellingen scheppen om zo reacties uit te lokken die het
zouden doen op de buis. Televisie maken, volgens het jargon.
Ik daarentegen zag het met de mooie Brusselse wel zitten. Haar
uiterlijk was in ieder geval, om het maar eens eufemistisch
uit te drukken, veelbelovend. Deze dame met ellenlange benen,
die ze ook nog eens accentueerde met hoge laarzen en korte rokken,
was een verschijning die het op TV zeker goed zou doen.
Maar nadat het de eerste
twee dagen vooral aftasten was geweest, bemoeilijkt door de
niet aflatende aanwezigheid van de cameraploeg én de
beide presentatoren, Antoine uit Brussel en Maaike uit Hilversum,
klikte het steeds beter tussen ons. We bleken zowaar een soort
overeenkomst te hebben. Zij speelde in een professioneel Brussels
toneelgezelschap en ik deed aan amateurtoneel, waar stukken
voor het voetlicht kwamen als ‘De engel in de kist’ en ‘Hoogheid
uw kameel staat voor,’ stukken die natuurlijk in niets te vergelijken
waren met de Shakespeare waar Kirsten zich nu mee bezig hield.
Henning
De eerste helft van
de week waren er opnamen in Nederland. Ik gaf kookles in mijn
restaurant aan de Oudegracht in Utrecht, we slenterden langs
de kantelen van de Leidse Burcht. In de brandweerkazerne werd
ons uitgelegd hoe, na een brandalarm, de procedure van het uitrukken
verliep. Vervolgens werden we geacht uit de brandweertoren ab
te seilen en ‘s woensdagmiddags was er een strandwandeling om
dezelfde avond te verkassen naar Brussel voor de Belgische opnamen.
Over die kookles valt
nog wel wat te zeggen en dat deed ik dan ook voor de camera.
Terugblikkend bracht ik de kijkers terug naar het vorige jaar
toen we op een stille maandag in het vroege voorjaar, als bedrijfsuitje
met een bus naar Brugge waren getogen waar we vlakbij het stadscentrum
werden gedropt. We keken uit op het zogenaamde Belfort, een
hoge toren waar je in Brugge onmogelijk omheen kan. Er werd
ons verteld dat het al in de 13de eeuw was gebouwd, en toen
was voorzien van een houten spits. Geld voor een stenen toren
was er blijkbaar niet.
Daarna kregen we een
rondleiding in het Begijnhof en een rondvaart door de grachten,
waarna voor mij het hoogtepunt begon, vissen in de Damsevaart,
want van geschiedenis heb ik bepaald geen Gruyèrekaas
gegeten. Voor visverlof, zoals ze hier een visserijvergunning
noemen, was gezorgd en we werden ergens halverwege Damme afgezet
waar we de meegebrachte hengels in gereedheid brachten.
En reken maar dat er wat naar boven gehaald werd. Rietvoorn,
Baars en Brasem werden aan de lopende band gevangen maar bij
mij wilde het maar niet vlotten. Enkele ondermaatse voorntjes,
meer zat er niet in. Maar zeg nooit nooit, want bij het scheiden
van de markt, ging mijn dobber met een reuzevaart onder en werd
ik bijna van m’n krukje gerukt omdat mijnheer vis het met deze
vangst niet eens was. Later bleek het dat een bijna zeventig
centimeter lange snoek er zowat met mijn gereedschap vandoor
was gegaan en mij tot een wilde achtervolging dwong waarbij
het snoer tenslotte verward raakte in een kaal elzenbosje, zodat
ik eindelijk de gelegenheid kreeg meester snoek omhoog te halen.
Het was nog een heel gedoe om de haak uit de bek te peuteren
maar tenslotte kon ik met mijn vangst op de foto en bleek het
dat ik de wedstrijd nog had gewonnen ook. En zo hoort het ook.
Met dit gegeven in
het achterhoofd wilde ik – bij wijze van kookles – samen met
mijn tijdelijke leerlingen gevulde snoek op tafel brengen. Ik
had voor een drietal snoeken gezorgd, brandnetels geplukt, sterrekers,
zuring en blond Belgisch bier en alle andere ingrediënten
bij elkaar gebracht en legde het recept uit:
“Doe de boter in de
vispan en voeg de schoongemaakte en kleingesneden uien toe.
Leg de schoongemaakte snoek op het rooster van de vispan, giet
het bier en de court-bouillon erbij en bestrooi het met de fijngehakte
zuring, sterrekers, netels en peper en zout. Houd alles op een
zacht vuur ± 30 minuten tegen het kookpunt aan. Verwarm
de room aan het einde van de kooktijd zachtjes in een pannetje,
peper hem goed en giet hem over de snoek. Serveer het gerecht
met gekookte aardappelen.”
Dat het hele festijn een zootje werd was bijna onvermijdelijk
en het eind van het liedje was dat iedereen elkaar met brokken
vis begogelde wat veel hilariteit en twijfelachtige opnamen
opleverde.
Filip
Na het Nederlandse
avontuur gingen we terug naar België. De atletiekbaan van
Hoboken was onze volgende stop. Hier werd het hele gezelschap
in atletiekoutfit gestoken. Na twee rondjes voor het uithoudingsvermogen
gaf ik les in de startprocedure. Tenslotte deden we een wedstrijdje
waarbij Karen, de Nederlandse brandweervrouw met 10.25 over
de 60 meter serieus uit de voeten bleek te kunnen. Er was ook
nog een incident. De al wat oudere Carsten verstapte zich en
raakte geblesseerd aan zijn linkervoet. De man schaamde zich
te pletter en ik betwijfel of hij er fier op is om dat thuis
te vertellen. Maar het is natuurlijk allemaal wel opgenomen
en dus zichtbaar op de beeldbuis.
De volgende dag kregen
we les in het besturen van een Brusselse tram en woonden we
een repetitie bij van Kirstens toneelgezelschap waarin zij bij
de eerstkomende voorstelling een geschifte dame gaat spelen.
Inderdaad, La mégère appivoisée, ofwel
de getemde feeks, van Guillaume Shakespeare.
Carsten
Het was duidelijk dat
Kirsten tijdens onze eerste onmoeting nog in die sfeer had verkeerd
en mij als ‘feeks’ had begroet. Inmiddels had zij meer dan ooit
haar zachte kant getoond en in de avonduren, als de hele ploeg
aan de bar in het hotel een afzakkertje kwam halen, was zij
– overigens net als alle anderen - uiterst prettig gezelschap.
Kortom, wij waren deelnemers
aan een ‘grenzenloze’ week. En dat was dan ook meteen de titel
waaronder de verschillende programma’s zouden worden uitgezonden.
Geleidelijk ontstond een sterke band tussen de zes lotgenoten
en de crew, en het was onontkoombaar dat wij – als er zich iets
bijzonders zou voordoen, voor elkaar op de bres zouden staan.
Naast de eerder genoemde
locaties waren er ook anderen, zoals het al genoemde Katwijkse
strand, een terras op de grote markt in Brussel, de Kalmthoutse
heide, een restaurant in Utrecht en zo meer. Steeds werden ons
uiteenlopende vragen voorgelegd, zodat na verloop van tijd allerlei
interessante discussies tussen de verschillende koppels op gang
kwamen. Daar kwamen hele bijzondere gesprekken uit voort, een
beetje Felderhof-achtig, die zowel voor het Vlaamse als voor
het Nederlandse publiek stof tot nadenken zouden moeten geven.
Het programma was dan ook duidelijk niet voor prime-time bedoeld
maar meer voor de late uurtjes.
Kirsten
Het voorval dat ik
wil delen speelde zich af op de Kalmthoutse Heide. Van achter
gevolgd door de camera liepen Carsten en ik over de grote heidevlakte,
hier en daar begroeid met bossages, wat kleine en grotere meertjes,
en in de verte de bossen die op Nederlands grondgebied staan.
We werden geacht om aan weerskanten van de grens samen op te
lopen. Ik op Nederlands en Carsten op Belgisch grondgebied.
De vragen die ons daar werden gesteld gingen over het gevoel
respectievelijk Nederlander dan wel Belgisch te zijn en wat
er zich in het bijzonder in ons leven had voorgedaan dat ons
een minder goed gevoel over het andere land had bezorgd. Voor
de goede orde; de positieve kanten kwamen ook aan bod.
Ploeterend door het
rulle zand, Carsten had er na zijn blessure op de atletiekbaan
aanzienlijk meer moeite mee, had ik niet zoveel moeite om iets
uit mijn geheugen op te diepen. Ik vertelde een verhaal uit
mijn jeugd waarbij ik samen met mijn vriendin Lut tijdens
een vakantie in Katwijk aan Zee had doorgebracht. We hadden
gelogeerd in een ‘Zimmer Frei’ aan een straat met de weidse
naam ‘Waaigat’, vlakbij zee. Gedurende een week genoten wij
van de zon op het strand, de discotheken in het dorp en vooral
van de jongemannen die twee jonge Vlaamse meiden wel zagen zitten.
Het was in die zin goed afgelopen dat wij geen van beiden een
zwangerschap aan de vakantieweek hadden overgehouden maar er
was wel een knaap genaamd Dirk geweest die zich na de vakantie
nog lang aan mij had opgedrongen. Ik had er spijt van dat ik
hem mijn telefoonnummer had gegeven en pas nadat ik hem er door
het apparaat ongenadig van langs had gegeven, kreeg meneer de
doordrijver het eindelijk door dat er van mijn kant niets meer
te verwachten viel. Ik was toen werkelijk zo ongelofelijk kwaad,
dat ik nu, bij de repetities van de ‘feeks’ dat gevoel oproep
om in de juiste stemming te komen.
Na de opnamen rustten
we uit in het restaurant de Heihoeve, aan de overkant van de
weg naar Kapellen. Ze serveren daar uitstekende pannenkoeken
met kriekskes! Zelfs Henning, de sceptische kok waar het over
andermans kookkunst gaat, vond ze overheerlijk.
Carsten
Mijn verhaal over België
was van een heel andere orde. Ik beschreef een voorval in de
Ardennen waar mijn vrouw en ik op een zekere dag in een hotel
terechtkwamen bij het voormalige station van Stoumont, ergens
tussen Trois Ponts en Vielsalm. Het echtpaar dat de zaak runde
kwam uit West Vlaanderen, wat voor ons wel prettig was omdat
ons Frans nou niet bepaald om over naar huis te schrijven is.
Die avond maakten wij een wandeling in de buurt en ontdekten
dat behalve het oude stationsgebouw weinig meer aan de tijd
deed herinneren dat er op deze plek de treinen ook daadwerklijk
stopten. Perrons, seinen, uithaal- en rangeersporen bleken verdwenen
en de goederentreinen en een enkele intercity raasden voorbij
alsof er hier nooit iets was geweest om voor te stoppen. Het
merkwaardige was echter dat er in dit verlaten station een lichtje
brandde. Nieuwsgierig geworden namen we een kijkje en we zagen
achter een raam aan de wegkant een man achter een bureau zitten,
bij het licht van een kale schemerlamp, die zo te zien ijverig
bezig was een puzzel te leggen. We keken elkaar eens aan, haalden
de schouders op en vroegen later aan de eigenaar van het hotel
wat dit merkwaardige fenomeen te betekenen zou kunnen hebben.
Het antwoord was dat
het station inderdaad was opgeheven maar dat de vakbonden ervoor
hadden gezorgd dat het station, ondanks het feit dat er niets
meer te doen was, tot aan het pensioen van de stationschef 24
uur op 24 bemand zou blijven, De betreffende man toog elke dag
naar zijn ‘werk’, zat zijn acht urige werkdag uit, waarna hij
werd afgelost door een confrater die evenzo de tijd volmaakte
totdat hij ook weer werd aflgelost. Voorwaar een merkwaardige
situatie, waarover Kirsten zich danig vrolijk maakte en mij
op mijn vraag verzekerde dat het betreffende hotel nog steeds
als zodanig in gebruik was; zij had er de vorige zomer een nacht
doorgebracht. Of de betreffende stationschef inmiddels met pensioen
is, vertelde het verhaal niet.
Louis
Tijdens één
van de zittingen, het was op een terras op de Grote Markt in
Brussel, was de vraag of ik mij iets kon herinneren over een
goede tijd die ik in Nederland gehad zou hebben. Dat was inderdaad
het geval. Samen met Nonkel Daaf uit Berendrecht – mijn ouders
hebben een zaak aan de Brusselse Hoogstraat - had ik, jaren
geleden een korte vakantie in Nederland doorgebracht. In zijn
oude Landrover maakten we een rondreis waarbij we allerlei bezienswaardigheden
bezochten, zoals een ongelofelijke hoeveelheid molens in een
plaats die Kinderdijk heet en de Keukenhof. Bloemen, bloemen
en nog eens bloemen; het zal allemaal wel. Maar Nonkel Daaf
vond het allemaal prachtig. De volgende dag was in Amsterdam
het Van Goghmuseum aan de beurt waar ik me ook al te pletter
verveelde en het Anne Frankhuis, wat niet veel beter was.
Daarna reden we over
de afsluitdijk – er lijkt geen einde aan te komen – naar Friesland
waar we zeilden op het Heegermeer en we het Jopie Huismanmuseum
bezochten. Ook al geen evenementen om over naar huis te schrijven.
Maar het mooie aan dit alles waren de avonden. Daaf is maar
vijf jaar ouder dan ik en ikzelf was toen nog 16. Elke avond
veranderde Daaf van een cultuurfreak in een losbol en samen
bezochten wij disco’s waar we met veel genoegen met de Nederlandse
meiden aan de zwier gingen. Voor mij was het een verademing
want thuis mocht nooit iets, maar hier hebben we het dubbel
en dwars ingehaald.
Filip
Aan Karen en mij werd
gevraagd of we ons iets konden voorstellen bij de gedachte van
een fusie tussen Vlaanderen en Nederland. Karen had geen idee;
haar interesse ging meer in de richting van de manier waarop
zij als Nederlandse en ik als Vlaming met de Nederlandse taal
omgaan. Tenslotte bestaat er een Nederlandse taalunie die de
taalgebieden van Frans Vlaanderen, Belgisch Vlaanderen en Nederland
taalkundig aan elkaar heeft gekoppeld. Maar daarnaast zijn er
mogelijkheden bij andere politieke raakvlakken tussen de beide
landen. Eén van de grote problemen daarbij is dat deze
kwestie zowel in Vlaanderen als in Nederland vooral wordt aangegrepen
door uiterst rechtse partijen als die van Filip Dewinter en
Geert Wilders en dat zijn mensen waar we ons geen van beiden
mee willen vereenzelvigen.
Maar toch kunnen er
voordelen zijn wanneer het er ooit van gaat komen als Vlaanderen
zich van Wallonië zou afscheiden. Maar dan zitten er toch
wel weer een groot aantal haken en ogen aan. Bovendien komen
er dan vragen aan de orde als: moet het een volledige fusie
worden, een federatie of een confederatie? Welke instellingen
moeten worden samengevoegd; zijn dat alleen de buitenlandse
instellingen of moeten ook zaken als sport, waar ik natuurlijk
mee te maken heb, sociale diensten, weg en water, enzovoort
geïntegreerd worden? En dan de grote vraag: wat moet er
met de beide koningshuizen gebeuren? Worden die opgedoekt en
komt er een republiek of wordt Albert naar Wallonië verbannen
en worden de Oranjes opnieuw aangesteld in Vlaanderen? En hoe
moet de nieuwe staat heten: Belgica, Rijnscheldeland, Delta?
Kortom, het is allemaal heel gecompliceerd.
Karen
De hele week was een
groot avontuur. Je moet weten dat ik in een zeer protestants
dorp ben opgegroeid. Mijn ouders, en tot voor kort ik ook, bezochten
elke zondag twee keer de kerk, waar mijn vader ouderling is.
Thuis is het dan ook allemaal zeer zuinigjes en mede daardoor
besloot ik om in Leiden de opleiding tot brandweervrouw te gaan
volgen. Pa en Ma vonden dat aanvankelijk maar niks en dreigden
me zelfs te onterven maar daar had ik maling aan. In Leiden
had ik de gelegenheid om een hele andere wereld te leren kennen.
Brandweerlieden zijn merkwaardige wezens. Over het algemeen
zijn het mannen met een groot machogevoel. Veel van hen dragen
uitzonderlijk grote snorren en de kantine hangt vol met schaars
geklede dames. Maar onder die vernislaag zijn het hele lieve
mannen die er – wanneer je tijdens een brand onverhoopt in moeilijkheden
zou raken – alles aan doen om jou èn de bewoners (in
die volgorde) uit het brandende huis te redden.
Toch was het een goede
tijd want in de zogenaamde wachturen; had je dienst maar je
hoefde niet veel te doen. Totdat er een alarm kwam, had ik gelegenheid
om mijn hobbies, taal en geschiedenis, bot te vieren. Ik was
lid geworden van de UB, de universiteitsbibliotheek aan het
Witte Singel en las me te pletter. En dat kwam me, toen ik gevraagd
werd om aan ‘Grenzenloos’ mee te doen, goed uit.
Want taal is zo iets
moois om mee bezig te zijn. Het is vreselijk interessant om
de interactie tussen het Nederlands en het Vlaams te volgen.
Ooit, met Vlaanderen als het dominante gewest in de Nederlanden,
was voor zover ik dat heb begrepen, het Vlaams, althans voor
het gewone volk de dominante taal. Voor de elite, zowel in Noord
als Zuid, gold dat niet. Men sprak Frans. In de tijd dat het
‘ABN’ ontstond is er veel van wat uit het Zuiden komt in het
Nederlands terechtgekomen.
Bovendien was er de
trek van de hugenoten en andere, om hun geloof vervolgden, vanuit
Zuid naar Noord die ook hun invloed op de taal hebben laten
gelden. In Leiden bijvoorbeeld, waren op een gegeven moment
bijna de helft van de inwoners, wat je tegenwoordig allochtonen
zou noemen. Als je in het Leidse telefoonboek kijkt kom je nog
steeds ongelofelijk veel Frans- of Frans klinkende namen tegen
- verbasterd of niet. Thans is de taalunie van kracht waardoor
er weer veel vanuit Noord naar Zuid terugsijpelt. Andersom,
mede door de invloed van de TV, komen er ook weer Vlaamse woorden
en uitdrukkingen in het Nederlands terecht en zo is het een
steeds terugkerende interactie.
Kirsten
Het was goed om aan
deze week mee te doen. Maar alles heeft z’n einde en op maandag
zou ik weer gaan repeteren. Als Vlaamse ben ik in het Franstalige
gezelschap ingehuurd omdat mijn Frans beter is dan dat van de
meeste Walen die voornamelijk hun eigen dialect plegen te spreken.
Om van de Brusselaars maar te zwijgen.
Er was nog een interessant
verhaal van Louis over de tegenstelling tussen de Walen en de
Vlamingen. Louis, met een Waalse vader en een Vlaamse moeder
is tweetalig opgevoed. Op zijn tram spreekt hij in Brussel Frans
of Vlaams, net zoals men hem aanspreekt, maar over de taalgrens,
in Vlaams Brabant wordt hij geacht uitsluitend Nederlands te
spreken en in Frans Brabant uitsluitend Frans. Louis had meegedaan
aan de fake RTBF uitzending waarin Vlaanderen zogenaamd de onafhankelijkheid
had uitgeroepen. Louis was daarin bestuurder van de tram die
zogezegd bij de taalgrens was tegengehouden. Ik kan me zo voorstellen
dat dit soort toestanden voor Nederlanders onbegrijpelijk zijn.
Natuurlijk sprak ik
lang over dit soort zaken met Carsten, die behoorlijk begripvol
was maar soms toch ook moest afhaken over sommige raadselachtige
dingen zoals de pariteit dat wanneer er in Vlaanderen een viadukt
wordt aangelegd, er ook in Wallonië iets dergelijks moet
komen. Noodzakelijk of niet. Carsten vond het allemaal maar
eigenaardig en ik kreeg niet de indruk dat hij, de gevoelige
man uit Leiden, voor dit soort dingen gevoelig was. Maar in
allerlei andere omstandigheden was hij bijzonder plezierig gezelschap
en ik moest toegeven dat ik het jammer vond dat wij spoedig
afscheid zouden moeten nemen.
Carsten
Door deze en andere
voorvallen groeiden Kirsten en ik steeds meer naar elkaar toe,
mede omdat bleek dat wij, zij 28 was en ik 57, ondanks onze
heel verschillende achtergronden we toch ook wel weer dingen
gemeen hadden. Behalve het toneelspelen was er onze liefde voor
boeken en bleek zij net als ik van honkbal te houden, hoewel
dat in België helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Op de
dag van het afscheid bleek er daar midden op de Grote Markt
in Brussel, zelfs een band te zijn ontstaan die maar moeilijk
was los te weken.
De camera zoemde in.
We omhelsden elkaar en Kirsten snikte. “Probeer niet teveel
aan mij te denken, Carsten”, zei ze in haar sappige Vlaamse
tongval.” Het was schoon deze ganse week, maar gij moet terug
naar uw lief vrouwtje. Ik ga terug naar mijn katten en mijn
verder leeg huis in Meise.”
Ik stond op mijn tenen
om haar op de wang te kunnen zoenen. “Niet huilen, Kirs, ‘t-is
goe hoor.” Van de weeromstuit sprak ik ook al een mondje Vlaams.
Met uw looks zult ge spoedig de ware vinden en samen gaat ge
een schoon leven opbouwen. In uw drama speelt ge een feeks.
In het dagelijks leven zijt ge een schoonheid, van buiten en
van binnen. Ik ben nu al jaloers op degene die jouw vertrouwen
weet te winnen.”
“Dat is nu juist de
ellende”, snikte ze en keek me diep in de ogen. “Ik sta elke
dag voor het voetlicht en in de schijnwerpers. De mannen liggen
bij bosjes aan mijn voeten en ze willen allemaal maar één
ding en dat is dus niet trouwen, een huis en kinderen.”
Het viel stil; ik wist
ook niet wat te zeggen maar dat hoefde ook niet want Maaike
kwam tussenbeide… “En dit was dan het verhaal van Carsten, de
Nederlandse boekhandelaar en Kirsten de Vlaamse actrice, die
we inmiddels zo goed hebben leren kennen. Zullen zij elkander
nog ooit weerzien?” De vraag bleef in de lucht hangen. De camera
zoomde uit van portret naar totaal en daar stonden we dan. Midden
op het grote plein in een stevige omhelzing, omgeven door de
duiven. In de verte kon je een tram de bocht om horen scheuren.
Het moment was verstoord
en buiten de blik van de camera omhelsden we elkaar nog een
keer, zeiden vaarwel en kusten elkaar veel goeds toe. De grens
tussen de beide Nederlanden was tijdelijk geslecht geweest.
Vlaanderen en Nederland waren voor een kort moment weer aaneen
gesmeed, maar het moment was verstreken en in de realiteit van
alledag gingen Nederland en Vlaanderen opnieuw hun eigen weg.
Zowel politiek als intermenselijk. Brussel en Den Haag kunnen
niet aan elkaar worden gesmeed. Zo nu en dan is er slechts een
enkel moment wanneer het even lijkt of het wel zo is.