. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .

-----------------------------------------------------------------

Donor

------------------------------------------------------------------
mei 2009
Den Haag, Alexanderstraat

Met een rood aangelopen gezicht en grote vlekken in zijn nek knalde Jan-Jaap van Deelen met zijn vlakke hand op de ovalen vergadertafel. “Het gebeurt niet! Dit familiebedrijf wordt niet verkocht aan de eerste de beste…”

Het volgende wat hij zich herinnerde waren het gedempte licht, allerlei ondefinieerbare apparatuur en de vage verschijning van een knappe verpleegster die over zijn bed gebogen stond. Tot zijn verbazing bleek het dat hij op de afdeling hartbewaking lag van het Leidse Academisch Ziekenhuis.

Ruim vijfendertig jaar eerder was Jan-Jaap geboren tijdens een korte zomervakantie – meer een lang weekend - op één van de Waddeneilanden. Omdat hij zich niet voor geografie interesseerde was hij op verjaardagen nooit in staat om de naam van het eiland te noemen. Hij was voortdurend in de war tussen Ameland en Schier-nog wat. Nee, Jan-Jaap interesseerde zich voor heel andere zaken. Bier, snelle auto’s, I-pod’s, mooie meiden, die soort dingen. En dan met de nadruk op dingen, waaronder hij zijn veroveringen nadrukkelijk telde. Vrouwen waren in zijn vaak bloeddoorlopen ogen uitsluitend geschikt voor seks en de keuken.

Al vroeg, op zijn negende, was hij met drugs in aanraking gekomen. Als zoon van rijke ouders was de aanschaf daarvan geen enkel probleem. Hij had altijd – in zijn eigen woorden - voldoende ‘fondsen’ ter beschikking om zijn ‘antidepressiva’ te bekostigen. Zijn ouders voorzagen hem ruim van alles wat zijn hart als enig kind begeerde. Op zijn zestiende kreeg hij de beschikking over een opgevoerde brommer en op zijn achttiende verjaardag stond er een rode ferrari met een enorme strik voor hem klaar in zijn deel van de maxi garage van hun ruimbemeten villa in Wassenaar. Als hij stoned was of een kater had, was er altijd nog – weer zo’n ding volgens Jan-Jaaps inhumane gedachtegoed – Herman de chauffeur om hem met de Rolls naar zijn feestje, date of louche vrienden te brengen.

Zijn ouders zag hij hoogst zelden. Hij was (in de terminologie van het huis) opgevoed door een reeks kindermeiden die het vaak maar kort uithielden bij de steeds ruziezoekende Jan-Jaap die het altijd beter wist en niet anders gewend was dan om voortdurend zijn zin te krijgen. Toen hij ouder werd joeg hij velen van de arme schapen de stuipen op het lijf door te proberen ze in zijn bed te parkeren.

Pa en ma werkten beiden lange dagen in het familiebedrijf, waarvan het hoofdkwartier was gevestigd aan de statige Alexanderstraat in Den Haag, vlak bij de ambassade van Saudi Arabië, zodat er altijd bewaking schuin voor de deur aanwezig was die strikt genomen niet voor hen bedoeld was, maar waardoor Jan-Jaap op feestjes altijd een bron van vermaak had om met zijn vrienden over te pochen.

Kort na zijn 32e verjaardag verloor Jan-Jaap in één weekend op een vrijdagavond zijn moeder en twee dagen later zijn vader. Zijn moeder was laat op de avond – ergens op de Veluwe – tijdens een ontwijkmanoeuvre voor een overstekend stuk wild – de onfortuinlijke ree had het ook niet overleefd – met haar Porsche tegen een dikke eikenboom gereden en was, volgens het politierapport, op slag dood. Wat die onbekende knappe man die zwaargewond naar het ziekenhuis in Arnhem was vervoerd, naast haar deed, vermeld het verhaal niet, maar gezien de schaarse kleding waarin zijn moeder op de plaats des onheils was aangetroffen, waren de verhalen over buitenechtelijke escapades niet van de lucht geweest.

Zijn vader, met een aangeboren hartafwijking en een grote voorliefde voor Whiskey  (met e-y) uit Bushmills, had de grote schok niet overleefd en stierf de volgende zondagmorgen in alle vroegte in de armen van zijn maitraisse Cornelia. Zij was het die drie dagen later wenend aan het graf bij de dorpskerk in Wassenaar had gestaan en de enige bleek te zijn die openlijk verdriet had geuit over het onverwachte verscheiden van deze van veel geld en weinig compassie voorziene echtelieden.

Vader Jan was niet zozeer geschokt door het overlijden van zijn vrouw, maar veel meer vanwege het feit dat hij niet had geweten dat zij een minnaar bleek te hebben gehad. Het feit dat hij het zelf met Cornelia hield was voor hem dan ook iets van een geheel andere orde.

Jan-Jaap had er bij de graflegging maar een beetje bijgestaan. Hij kende deze mensen, die zich slechts in financiële zin om hem hadden bekommerd, nauwelijks. Na de plechtigheid en het verplichte handjes schudden had Maya, zijn laatste verovering, aan zijn arm getrokken en hem meegetroond naar haar appartement, zoals zij het zei: “voor een verzetje.” In werkelijkheid was het haar natuurlijk om de erfenis van Jan-Jaap te doen, maar dat zei ze er niet bij.

Een week later maakte hij, als enige erfgenaam, samen met Maya zijn opwachting bij de notaris waar bleek dat hij, zoals verwacht, het gehele familiebedrijf, de huizen in Wassenaar en Zwitserland (vlakbij Liechtenstein, waar de ‘stille’ fondsen van de familie veilig waren opgeborgen), een grote kruiser in de jachthaven van Andijk aan het IJsselmeer en een stuk of tien dure auto’s had geërfd. Er werd wel van hem verwacht dat hij zich de volgende morgen, te 9.00 uur ten kantore zou melden om zijn taken als voorzitter van de Raad van Bestuur stante pede op zich te nemen.

Voor Jan-Jaap, die nog nooit een poot – en zeker niet voor een ander – had uitgestoken, was dat niet gemakkelijk. Om zijn zenuwen de baas te worden had hij zich de avond tevoren goed voorzien van zowel de aanvallige attenties van Maya, de whiskey van Pa en een lijn voortreffelijke coke. Gewapend met een aktetas gevuld met de papieren van de notaris, het zelfvertrouwen van een narcoticus en de steelse blikken van Maya die héél veel geld zag blikkeren, in zijn rug, stommelde hij de volgende morgen de trap af (hij woonde in een appartement boven de zaak) om zich te melden. Volkomen onvoorbereid zette hij aldus de eerste stappen op het pad van het ondernemerschap wat, zo nam hij zich voor, een succes zou worden omdat hij, Jan-Jaap van Deelen, de nering van wijlen zijn vader wel eens even zou gaan opstuwen in de vaart der volkeren. Goedgeproportioneerde Maya zou hem daarbij op het horizontale vlak uitstekend kunnen bijstaan.

Dat zoiets gedoemd was faliekant te mislukken lag voor de buitenstaander in de lijn der verwachtingen. Jan-Jaap had aan de ovalen vergadertafel een viertal ijverige zielen aangetroffen die verklaarden zich voor de volle honderd procent voor ‘het bedrijf’ te zullen inzetten. Ze overtuigden hem er vlotjes van dat zij zich met hand en tand zouden inzetten voor de goede zaak, waarbij zij er naar alle eer en geweten voor zouden waken de naam van het bedrijf in ere te houden en dat er van hem, de ‘grote leider’ niets anders werd verwacht dan het zo nu en dan zetten van een handtekening. Vanzelfsprekend maakten zij er geen woorden aan vuil dat zij ‘de goede zaak’ stilzwijgend interpreteerden als zijnde hun eigen belang.

In ruil voor de handtekeningen zou Jan-Jaap’s bankrekening maandelijks worden gespekt met vele duizenden Euro’s, handig voor zijn gokschulden, terwijl de overige hem toevallende baten voor een deel zouden worden gestort op zijn lopende rekening bij de Rabobank (Jan-Jaap hield ervan om naar het wielrennen te kijken), terwijl ‘de rest’ onvoorwaardelijk – daaraan hoefde hij zelf niets te doen - naar Liechtenstein zou worden doorgesluisd. Als tegenprestatie zou hij, de baas, elke maand de ‘Raad van bestuur’ voorzitten waar hij door hen – toegewijde volgelingen – zou worden ingefluisterd hoe te handelen.

Letty Homan, lid van de raad en nu tweede ‘man’ in de hiërarchie, was de enige die zich het lot van het bedrijf ècht aantrok. Als financieel deskundige was zij in staat om veel, laten we het merkwaardige financiële praktijken noemen, van haar collega’s op waarde te schatten en dat rapporteerde zij ook aan Jan-Jaap. Die had echter heel andere zaken aan het hoofd, zoals de Formule 1 races te Francorchamps en het casino van Scheveningen en liet alles maar zo’n beetje op zijn beloop.

Dankzij Letty duurde het nog bijna drie jaar voordat zij tijdens de bewuste ‘raad van bestuur’ had moeten voorstellen de zaak te verkopen aan een Ierse handelsfirma die kortgeleden een – gezien de droefgeestige zaken – nog redelijk aantrekkelijk bod op de firma had uitgebracht.

“Dat nooit”, had Jan-Jaap, die eindelijk wakker was geworden, gebulderd. Met een rood aangelopen gezicht en grote vlekken in zijn nek knalde hij met zijn vlakke hand op de ovalen vergadertafel. “Het gebeurt niet! Dit familiebedrijf wordt niet verkocht aan de eerste de beste…”

- 2 -

De rode sportwagen reed in de stromende regen en met hoge snelheid over de overvolle autobaan. Bij een plaats die Himmelreich heet was het erg druk maar omdat de weg ter plaatse vier rijstroken breed was en iedereen gedisciplineerd reed, wat welhaast een wonder was, was dat verder geen probleem en Agnes Huber kon goed opschieten. Maar helaas was het even verderop in het grote woud uit met de pret. De weg was afgesloten omdat er een vrachtwagen met verf gekanteld op de rijbaan lag. De verse verf, die een wonderlijk kleurenpalet had veroorzaakt, moest er weer afgefreesd worden en dat was zo te zien een heidens karwei. Al met al gaf dat een oponthoud van bijna een uur omdat al het verkeer over de te smalle vluchtstrook werd geleid. Toen zij eindelijk door de bottleneck heen was, zette ze er flink de sokken in op weg naar haar bestemming.

Het landschap was prachtig met steile en glooiende heuvels die zich geleidelijk steeds hoger verhieven. Grote en kleine bossen, watervallen en stroomversnellingen trokken aan haar voorbij. Ze genoot, want de natuur was haar lust en haar leven. Daarnaast was zij lid van de Duitse Groenen, want hoewel zij heel goed wist dat
Co-2 uitstoot en milieu niet verenigbaar waren, beschouwde zij haar passie voor auto’s als een voorbijgaande jeugdzonde die haar in alle andere gevallen niet belette om te strijden voor een beter leefklimaat.

Op dit moment baalde ze nog een beetje van het oponthoud van daarnet, maar aan de andere kant; wat gaf het ook allemaal want was ze niet een onafhankelijke jonge vrouw waar niemand thuis op wachtte en ze zou onderweg wel ergens een maaltijd kunnen nuttigen.

De weg ging steeds in grotere kronkels naar boven. Steeds hoger de bergen in. Wat later passeerde zij de waterscheiding tussen de stroomgebieden van de twee grootste rivieren van het land. Aan de andere kant van de pashoogte had het landschap een heel ander karakter. Veel opener, weinig bos, minder steil en de weg deed er geruime tijd over om zonder haarspelden uiteindelijk in Donaueschingen uit te komen, de plaats waar officieel de moeder aller rivieren ontspringt.

Agnes keek in de verte en zag voor zich op het na de grote regenbui oplichtende wegdek een grote Hollandse drietonner rijden die werd gepasseerd door een grijze kever. “Wat is dat toch mooi, zo’n opgeknapte volkswagen”, dacht ze bij zichzelf. “Daar moet een hoop werk ingezeten hebben. “De kleur is precies goed en het ‘brilletje’ achterin, is zo te zien nog origineel.” Ze moest enigszins bijremmen om de inhaalmanoeuvre te ontwijken, maar alles verliep gladjes en in het voorbijgaan kon ze een vluchtige blik werpen op de jongeman in de VW, degene die ongetwijfeld verantwoordelijk was voor het weer toonbaar maken van de wagen. Ze glimlachte naar de man, gaf een dot gas en liet zowel vracht- als personenwagen in een oogwenk ver achter zich.

De weg ging nu vrij steil naar beneden en in haar spiegel kon ze het grijs van wat de kever zou moeten zijn, in de verte vaag waarnemen. Ondertussen haalde ze met een ongelofelijke snelheid alle andere wagens in. Ze had een euforisch gevoel. De aanblik van de gerenoveerde VW had iets ongrijpbaars in haar hart achtergelaten; iets wat zij nooit eerder had gevoeld. Bovendien had de jongeman in de kever haar ook niet helemaal onverschillig gelaten. Maar vrijwel op hetzelfde moment zette ze de hele episode uit haar hoofd. De kans dat zij auto en/of inzittende ooit terug zou zien was minimaal, daar hoefde je helemaal geen gedachten bij te hebben. Bovendien was Agnes er niet zo zeker van of ze beiden nog wel terug zou wìllen zien. Ze kreeg daar een onverwacht unheimisch gevoel bij; net alsof er iets op handen was waarvan ze geen hoogte van kon krijgen.

Even verderop remde ze af voor een wegrestaurant en parkeerde voor de deur, In de grote gelagkamer ging ze helemaal achteraan op een barkruk zitten en bestelde een glas sinaasappelsap. Ze maakte een praatje met de barkeeper en zag even later tot haar verbazing de jongeman uit de grijze kever met een wezenloze blik haar richting uitkomen. Ze observeerde hem toen hij bij de jongen achter de bar een biertje bestelde en zag dat deze niet op zijn gemak was. Hij keek steeds om zich heen en op zijn horloge en hij zag er, met zijn verwarde haren, uit alsof hij zo van de kermis was afgekomen. Ineens zag hij haar. Hij leek te schrikken en met een hoogrode kleur op zijn wangen beduidde hij of hij naast haar mocht komen zitten. Ze knikte en even later stelden ze zich aan elkaar voor.

“Eh…, als je eens wist wat mij is over-uh-komen”, hakkelde hij. “Daar sla je steil van achterover.” “Nou, verras me maar,” antwoordde ze. “Maar neem eerst een bak koffie, daar ben je zo te zien erg aan toe.”

- 3 -

Langzamerhand kwam Dr. Med. Friedrich Merzig, ‘Der junge Fritz’ voor zijn collega’s, in een betere stemming, wat te merken was aan het feit dat hij zo nu en dan deuntjes die uit zijn autoradio schalden, meefloot, of mee neuriede. Het ging allemaal onbewust en mede omdat hij zich zo prettig voelde, besteedde hij er geen aandacht aan. Het gebeurde gewoon.

Een enorme regenbui had bakken water over het geaccidenteerde landschap uitgestort maar nu kwamen de eerste zonnestralen alweer tevoorschijn. Hij was zojuist een bestelwagen gepasseerd, toen de verkeersdrukte opeens wat verflauwde en hij tot de volgende bocht geen andere voertuigen meer voor zich zag. Hij keek eens naar links en zag dat de auto’s en de vrachtwagens en de autobussen aan de andere kant van de middenbermbeveiliging zich zoals gebruikelijk in tegenovergestelde richting bewogen. Ze zoefden langs in een niet aflatend ritme van korte zuiggeluiden dat zich vermengde met de echo die zijn eigen wagen tegen de vangrails naast hem veroorzaakte.

“Waar gaan ze heen?” vroeg hij zich ijdel af. “Misschien wel naar Karlsruhe, waar hij vandaan kwam… je weet maar nooit… nou ja, onzinnige gedachte,” zei hij hardop en mopperde een beetje op zichzelf. Hij betrapte zichzelf erop dat hij weer zat te dagdromen. Maar ja, het was al laat, hij had de hele dag hard gewerkt en hij verlangde naar huis, een avondmaaltijd, een goed glas wijn en een boek op de bank. Wat hij als zijn ‘thuis’ beschouwde was niet meer dan een klein kamertje op de derde verdieping van een oud 17e eeuws huis in een stadje aan wat daar nog een kleine rivier was. Beneden was een kleine boekhandel gevestigd met daarboven kantoren. Om op zijn kamer te komen moest hij eerst zien zijn auto te parkeren waarna hij door de boekhandel moest lopen om vervolgens een ijzeren wenteltrap te beklimmen en dan nog twee gewone trappen. Ten slotte kwam je dan op een zolder terecht met links een grote benauwde ruimte waar de voormalige bewoners hun was plachten te drogen. Het was er altijd muf van het stof van jaren.

Maar zijn kamer had uitzicht op het imposante blauw met rode raadhuis, met zijn ruimbemeten raadskelder waar het goed toeven was en waar het bier in grote aardewerken kroezen werd geserveerd. Terwijl hij daaraan terugdacht moest hij opnieuw een inhaalmanoeuvre uitvoeren. Hij keek in de achteruitkijkspiegel, gebruikte de richtingaanwijzer, waarbij hij even moest denken aan de eerste VW’s met hun uitklapbare aanwijzers die pas veel later werden vervangen door clignoteurs. Hij week uit om in te halen. De rode wagen die achter hem aan met hoge snelheid naderbij kwam had hij in zijn spiegeltje waargenomen maar er was genoeg tijd om de manoeuvre voort te zetten.

Maar wat hij nog meer had gezien, dat wist hij zeker, zou zijn hele verdere leven rotsvast in zijn geheugen gegrift blijven. Nadat hij had ingehaald ging hij terug naar de rechterbaan en wachtte op de rode sportwagen die weldra in zijn spiegel verscheen. De wagen was van het type waarvan hij altijd stiekem had gedroomd maar die vooralsnog onbereikbaar was. Een echte Sunbeam Talbot Alpine uit 1954, zoveel was zeker. Maar het was niet zozeer de sportwagen, als wel de bestuurder daarvan die als een bliksemschicht zijn aandacht had getrokken. Het meisje was een jaar of vijfentwintig en zag er heel aantrekkelijk uit. Maar het waren vooral de hemelsblauwe ogen die het hevige onweer in zijn binnenste had aangewakkerd. Waar had hij die ogen eerder gezien? De sunbeam schoot vooruit maar in het korte ogenblik dat de twee auto’s op gelijke hoogte waren keek ze hem aan en kon hij zien dat haar volle rode lippen een vluchtige glimlach lieten zien die zijn zinnen in vuur en vlam zetten.

Hij kwam tot zichzelf door een hevig getoeter van de vrachtwagen achter hem en hij realiseerde zich terwijl hij in de spiegel keek dat die bijna bovenop hem zat. Ongemerkt had hij zijn voet van het gaspedaal afgehaald zodat er een gevaarlijke situatie was ontstaan. Gelukkig was het goed afgelopen. Hij maakte een verontschuldigend gebaar naar de vrachtwagenchauffeur en trapte zijn gas op de plank, achter de sportwagen aan die hij natuurlijk nooit meer zou kunnen inhalen. Dat was uitgesloten. Hij had dan wel vele uren gestoken in het opknappen van zijn bebrilde kever, maar dat wilde nog niet zeggen dat hij een sunbeam zou kunnen bijhouden.

Toen Fritz op de volgende hoogte was aangekomen met een prachtig uitzicht over het volgende dal, was de rode sportwagen, zoals hij had verwacht, in het niets verdwenen. Omdat hij dorst had gekregen van de lange tocht besloot hij om in het volgende wegrestaurant, enkele kilometers verderop zijn benen te gaan strekken en wat te gaan drinken.

Met een matig gangentje reed hij onder een viaduct door en terwijl hij naar de uitrit stuurde hoorde hij volkomen onverwacht achter zich een harde knal. Hij schrok zich een ongeluk en een hevige rukwind waaide door zijn auto. In zijn spiegeltje zag hij dat de achterruit was verdwenen en door het verschil in luchtdruk werd een deel van de lucht in de cabine naar buiten geperst. Bovendien voelde hij aan het schokken van de wagen dat een band het begeven had. Omdat hij zich toch al op de afrit bevond reed hij voorzichtig verder naar de parkeerplaats van het wegrestaurant.

Wit weggetrokken en met trillende benen bekeek hij de schade. De achterruit was kompleet verdwenen, er was een grote deuk en een scheur in het dak ontstaan en de linkerachterband was volledig plat. Dat hij hier nog levend was uitgekomen mocht een wonder heten. Hoe het had kunnen gebeuren was voor hem een kompleet raadsel.

Met knikkende knieën liep hij het restaurant binnen om wat op verhaal te komen en om een garagebedrijf te bellen, want zijn mobiel was leeg. Hij stootte de glazen deuren van het gastlokaal open en keek rond om in eerste instantie een telefoon en in de tweede plaats een leeg tafeltje te zoeken. Die waren er niet en daarom liep hij naar de bar waar hij een biertje bestelde. Hij keek eens rond toen zijn blik een paar hemelsblauwe ogen kruiste. ‘Het meisje uit de sunbeam!’

Later, op haar verzoek, vertelde hij haar over zijn werk. Hij was jongste arts op de afdeling Noodgevallen van het Diaconessen ziekenhuis in Karlsruhe en had die dag, enkele grappige voorvallen meegemaakt. Er was een vrouw binnengebracht met verwondingen aan het voorhoofd. Ze had voorovergebogen gestaan boven een voedertrog toen een bok haar onzacht van achteren een kopstoot had gegeven, zodat zij keihard met haar voorhoofd tegen de tegenoverliggende rand van de trog was gestoten. Enkele hechtingen en een bemoedigend woord waren voldoende geweest om de vrouw weer opgekalefaterd bij haar geschrokken echtgenoot af te leveren. Een andere, van achteren ruim bemeten dame, was op een hoge ladder geklommen om appels uit een appelboom te plukken. Haar niet zo snuggere neef had gedacht dat er vogels in de boom zaten om de appels te stelen, had zijn jachtgeweer gehaald en had haar pardoes een schot hagel in de broek geschoten. Het had bijna een uur gekost om de hagelkorrels één voor een met een pincet uit het achterwerk van de jammerende vrouw te peuteren.

Zoals dat in dit soort zaken pleegt te gebeuren, kroop Fritz niet veel later bij Agnes in de sunbeam, op weg naar nieuwe avonturen. Toch had Agnes nog steeds een unheimisch gevoel. Hoezeer ze ook in de ban was geraakt van deze strakke jongeman die aantrekkelijk was, grappig kon vertellen en een snaar bij haar had geraakt, toch bleef er iets knagen. Iets klopte er niet en hoewel ze zich niet al te vaak met intuïtieve zaken bezighield, bleek dat ten slotte ook het geval te zijn.
 
Het gebeurde dan ook dat ze niet veel later tijdens een korte vakantie in Zwitserland, met de Sunbeam op een smalle haarspeldweg door een ongelukkige manoeuvre van een met grote snelheid omlaag uit het Maderanertal scheurende BMW werden geraakt en beneden, vlak boven de plaats Amsteg uit de auto gezaagd moesten worden waarvan niet veel meer over was dan een weggeworpen blikje cola.

Fritz overleefde het voorval, maar Agnes moest op slag dood zijn geweest. In de Kantonklinik van Luzern werd vastgesteld dat Agnes een donorregistratie had ingevuld en haar organen in voorkomende gevallen beschikbaar had gesteld voor transplantatie. Nadat de artsen Agnes hersendood hadden verklaard en met haar ouders hadden overlegd, werd Eurotransplant gebeld en werden haar organen enkele uren later, goed geprepareerd, per helikopter naar Zürich gevlogen, waar ze per vliegtuig op transport werden gesteld naar Nederland, waar hart en lever zouden worden geïmplanteerd in het lichaam van Jan-Jaap van Deelen die toe was aan nieuwe organen en een nieuwe start.

  • 4 –

Jan-Jaap werd wakker en keek rechtstreeks in het gedempte licht van enkele kleine lampen. Hij knipperde met zijn ogen en zag allerlei ondefinieerbare apparatuur en de vage verschijning van een verpleegster die over zijn bed gebogen stond. De verpleegster vertelde hem dat hij op de afdeling hartbewaking lag van het Leidse Academisch Ziekenhuis en dat ze iemand zou halen. Hij sliep weer in maar toen hij vele uren later opnieuw wakker weg zag hij dat Letty Homan aan zijn bed zat die met trillende lippen vaststelde dat Jan-Jaap langzaam weer tot leven kwam.

“Wat doe jij hier, Letty, en wat doe ik hier?” Zijn gevoelens gingen met hem op de loop. Voor zover hij zich kon herinneren zat hij enkele ogenblikken geleden de belangrijkste vergadering voor in zijn hele leven. Hij herinnerde zich dat het er om ging om de zaak te verkopen. Hij was daar faliekant tegen geweest, herinnerde hij zich, maar tot zijn verbazing merkte hij dat hij daar op dit moment veel genuanceerder over dacht.

En wat Letty betreft. Hij had haar altijd als zijn voetveeg beschouwd, maar nu, hoewel hij nog ietwat wazig uit zijn ogen keek, realiseerde hij zich dat deze Letty een schoonheid was. En dan heel anders dan dat wat hij in Maya had gezien. Dat was alleen maar erotische schoonheid. Wat hij nu in Letty’s ogen zag was compassie, mededogen maar ook een diepe en warme genegenheid. Woorden die hij wel kende maar waarvan hij de draagwijdte nog nooit had gevoeld. Maar nu leek alles ineens anders te zijn. De weerstanden die hij altijd ten opzichte van haar en voor het leven had gevoeld, zo realiseerde hij zich, waren zomaar ineens verdwenen. Merkwaardig.

 “Jan-Jaap, je bent heel ziek geweest,” antwoordde de jonge vrouw met trillende stem. Maar nu is alles goed. Je hebt een nieuwe lever én een nieuw hart; de dokters hebben uren aan je gesleuteld. Ik ben zo vreselijk bang geweest.” Opnieuw een schok voor Jan-Jaap. Waarom hadden ze al die moeite voor hem gedaan. Hij realiseerde zich dat hij zich, behalve voor drank en vrouwen, nooit veel voor de maatschappij had geïnteresseerd, noch dat hij ooit veel aan die samenleving had bijgedragen. En nu had diezelfde maatschappij zich als een barmhartige Samaritaan over hem ontfermd, had hem van nieuwe organen voorzien en gezorgd dat hij weer verder kon leven, vermoedelijk om nog meer brokken te maken. Jan-Jaap schrok van zijn eigen gedachten. Hij kon zich niet herinneren ooit op een dergelijke manier zulke gedachten te hebben bedacht. Zijn denkraam had altijd, en dat besefte hij ineens maar al te goed, andere normen en waarden gekend dan wat er nu allemaal aan het gebeuren was. “Zo, ik ben dus weer als nieuw. Het voelt overigens niet zo best van binnen… Heb jij hier de hand in gehad? En hoe is het met het bedrijf?”

Letty fronste haar wenkbrauwen. Jan-Jaap die belangstelling toonde voor iets anders dan mooie vrouwen? Dat was beslist iets nieuws. Maar ze vermande zich en vertelde met veel omwegen dat ze de zaak zouden moeten verkopen. Het geld was nu echt op en de behandeling van Jan-Jaap had ook nog eens een fortuin gekost. De verzekering had maar een deel van de kosten op zich genomen, zodat ze genoodzaakt was geweest om een hypotheek te nemen op het huis aan de Alexanderstraat.

“Goh”, zei Jan-Jaap, “heb je dat allemaal voor mij gedaan?" Hoe is het met Maya?”
Letty slikte. “Jan-Jaap, ik moet je iets vertellen. Maya is er vandoor. Je begrijpt toch wel dat zij op je geld uit was en toen bleek dat er niets meer te halen was, is zij met de noorderzon vertrokken. We hebben haar nooit meer gezien” Jan-Jaap glimlachte. En terwijl hij gedachten had in de trant van ‘opgeruimd staat netjes’, keek hij nog eens diep in Letty’s ogen. “Letty”, Jan-Jaap moest er bijna van stotteren. “Ik wil je bedanken dat je dit allemaal voor me hebt gedaan.” Hij wilde haar een warme handdruk geven, maar Letty boog zich over hem heen en kuste hem op het voorhoofd. Verbouwereerd knipperde hij met zijn ogen. “Eh, dank je Letty, maar hoe is het ècht met het bedrijf?” “Het bedrijf bestaat niet meer Jan-Jaap, maar het is misschien nog niet te laat om samen een nieuwe start te maken…”

Korte verhalen index