Het is een
warme zomerdag, een jaar of acht geleden, ergens aan
de Botnische Golf. Elders vallen de mussen van het
dak, maar dit is een klein strandje, omgeven door
rotsen. Er is rugdekking van een bos met prachtige
statige groene dennenbomen. Eeuwig zingende bossen
bevinden zich wat verder landinwaarts. Ik lig in mijn
eentje, tussen twee grote keien te zonnen en denk
in het bijzonder aan helemaal niets. Althans dat probeer
ik, maar alleen al het feit dat ik deze gedachten
denk doet me beseffen dat ik mijn geest die ik hier
tot bedaren dacht te brengen, al het werk laat doen.
Ik ben alleen.
Het is hier behoorlijk stil. De geluiden van de stad
worden gesmoord door de dennenbossen en hier is er
slechts een rondscharrelende meeuw die zo nu en dan
zijn krassende geluid laat horen en de af en aan duikelende
trage branding die zich keer op keer laat uitrollen
op het strand of zich verliest tussen de rotsen. De
wind die eerder vandaag nog met enige kracht over
het beboste land heeft gewaaid, is gaan liggen. Een
wit zeil, zichtbaar aan de einder, schiet voor geen
meter op. Geen wolk bespikkelt de hel-blauwe hemel.
Toeval bestaat
niet maar toch was het niet gepland dat ik hier terecht
ben gekomen. Tot voor kort waren de plannen dusdanig
dat ik mij op een congres in Llublijana, de hoofdstad
van het nog jonge land Slovenië, zou moeten bevinden.
Door een politieke speling van het lot, wat een hoogdravende
woorden bedacht ik me, ging dat niet door en daarom
heeft de bedrijfsleiding me uitgezonden naar Zweden,
voor contractbesprekingen in Sandviken. En nu lig
ik hier neergevleid, op mijn vrije dag, beschermd
door factor tien of zo, in de brandende zon op een
verlaten strandje ergens aan de Botnische Golf.
Dan hoor
ik voetstappen naderbij komen. Dat betekent dat er
iemand aankomt, merk ik scherpzinnig als ik ben, op.
Het blijkt een jonge Zweedse te zijn met van die geweldig
lange blonde manen tot op haar zitvlak. Op haar blote
voeten komt ze het bos uit, loopt in de richting van
de zee en scharrelt dan een poosje langs de waterlijn.
In gedachten als ze is ziet ze me niet en ik bedenk
dat ik haar ook niet zou moeten zien want ik besef
dat ik lig te gluren. Na een tijdje heeft ze blijkbaar
genoeg heen en weer gebanjerd, schudt haar hoofd waardoor
haar haren uiteenwapperen, en legt haar grote zwarte
tas die ze over haar schouder had geslagen, neer op
een rots, niet ver bij mij vandaan.
Terwijl ze
zich van haar kleren ontdoet en een prachtig goudkleurig
hoog opgesneden badpak zichtbaar wordt, ziet ze me
eindelijk liggen. Ze glimlacht een mysterieuze glimlach,
waarbij een kuiltje in haar linkerwang ontstaat, zegt
“hälsningar” en rommelt vervolgens wat in haar
tas wat eigenlijk een soort buidel is. Er bevinden
zich nochtans veel spullen in want ze kan blijkbaar
maar niet vinden wat ze zoekt. Uiteindelijk komt er
een lange ivoorkleurig kam te voorschijn waarmee ze
haar lange sluike haar in fatsoen brengt. Het lijkt
me toe dat het eigenlijk niet nodig is want het kapsel
hangt toch al patent sluik over haar ranke schouders
en langs haar prachtige lichaam. Maar omdat ik zelf
een vrouw ben weet ik hoe het is; het kan altijd nog
beter.
Inmiddels
heb ik deze ‘gouden’ vrouw in gedachten Agneta genoemd,
want ze doet me, hoewel ze blond is, denken aan Agneta
van Abba, en bovendien bezorgt ze me een déja-vu
gevoel, als was het iemand die ik zou moeten kennen,
maar wat me maar niet te binnen wil schieten.
Met een vaag
schuldgevoel blijf ik naar haar kijken. Ja, ik heb
deze fantastische vrouw beslist eerder gezien, maar
waar en wanneer wil maar niet helder worden. De vrouw
is klaar met haar kapsel, zwaait even naar me en rent
met grote reeën passen de zee in waar ze met
krachtige slagen heen en weer begint te zwemmen. Rozig
bedenk ik me dat zij straks weer haar haren in fatsoen
zal moeten brengen en val in slaap.
Als ik wakker
word ligt de vrouw op een meter of vijf afstand op
haar handdoek te zonnen. Ze heeft haar badpak uitgedaan
en laat de zon op haar nog behoorlijk witte lichaam
het werk doen. Ik val ook weer in slaap maar een poosje
later worden we tegelijk wakker wanneer een wolk voor
de zon schuift en het ogenblikkelijk een aantal graden
kouder wordt.
Eerst kijken
we elkaar aan, dan omhoog en zien dat er nog veel
meer wolken in aantocht zijn. Bovendien is er een
briesje gaan waaien. Gelijktijdig halen we onze schouders
op en beginnen als in een woordeloos duet onze kleren
aan te trekken.
Ik kuch even
om haar aandacht te trekken. Ze kijkt me vragend aan.
“Eh, hallo, mitt Känt är Laila, du förhindrar
mig bekänna.” Een inleiding om je dood te schamen,
maar het is wel de waarheid en hoewel mijn Zweeds
beperkt is lijkt ze me toch te begrijpen. “Oh ja,
är det hitåt”, antwoordt ze een beetje
uit de hoogte, “Tala dig som är Engelsk?”
“Yes”, zeg
ik en schakel prompt over. Wacht eens even, er gaat
me een licht op. “Zegt ‘Southend’ je iets?”
“Jazeker, daar ben ik geboren”, antwoordt ze. Haar
Engels klinkt inderdaad authentiek. Het meisje waarvan
ik dacht dat ze een Zweedse schone was blijkt dus
op en top Engels te zijn. Daar ging mijn mensenkennis
weer eens naar de knoppen. Maar ik verman me.
“Zie je wel. Twee jaar geleden was ik daar op een
groot feest en als ik me niet vergis hebben we samen
zitten kletsen”.
We zijn inmiddels
allebei klaar met aankleden en inpakken en gezamenlijk
wandelen we naar de parkeerplaats. Een eerste druppel
spat op mijn neus uiteen, gevolgd door een tweede,
en nog een. Even laten valt er een flinke plensbui
op ons neer en rennend tuimelen we in onze respectievelijke
huurauto’s, die naast elkaar geparkeerd staan.
Met ons raampje
omlaag gedraaid stelt ze me voor achter haar aan te
rijden om in een restaurant in de stad verder te praten
en een kwartiertje later zitten we tegenover elkaar
achter een bak koffie in een moderne bar op de hoek
van Nygatan en Södra Kungsgatan in Gävle.
De ongeïnspireerde formica grijze tafeltjes doen
nauwelijks hun best ons op het gemak te stellen, maar
daar hebben wij geen erg in.
We spreken
over die avond in Southend en beschrijven elkaar de
enorme zaal met de grote kristallen kroonluchters
aan de zoldering en zware gobelins en een groot aantal
schilderijen met heldhaftige mannen aan de wanden.
Er staan zware eikenhouten antieke tafels met van
die ouderwetse pluche zetels. Op een kleine verhoging
speelt een antiek salonorkest zachte gedateerde dansmuziek.
De paren golven door de zaal maar dat is niet aan
ons besteed. Hoe we elkaar ontmoet hebben weten we
geen van beiden meer. Het gebeurde zomaar en als een
eiland tussen de dansparen spreken we uren met elkaar
over het leven, over onze liefdes, ons werk, het milieu,
auto’s en spiritualiteit.
We blijken
allebei voor Procter en Gamble te werken, zeg maar
Unilever, maar dan Amerikaans. Zij voor de Londense
vestiging; ik voor die in Brussel. Lang spreekt ze
over haar leven met John, die zelden thuis is en ze
denkt erover om een einde aan haar relatie te maken.
Ik vertel haar over mijn leven in Brussel, waar niemand
op me wacht en ik toch zelden kom omdat ik drie keer
per maand ‘voor de zaak’ op reis moet om contracten
af te sluiten met leveranciers en erop toe te zien
dat er ook daadwerkelijk wordt geleverd wat er is
afgesproken. Julie is juriste en blijkt een vinger
in de pap te hebben in het voortraject van de contracten
die ik afsluit. Over een kleine wereld gesproken.
Dat was drie
jaar eerder en ondanks de klik verloren we elkaar
toch uit het oog en nu we hier weer tegenover elkaar
zitten aan dat sfeerloze tafeltje in Gävle, komt
het ons onbegrijpelijk over dat dit is gebeurd, want
opnieuw is die aantrekkingskracht er en weer blijken
we een groot aantal dingen gemeen te hebben. Het eind
van het liedje is dat Julie me meeneemt naar het hotel
Gävle aan de Staketgatan, wat hetzelfde hotel
blijkt te zijn als waarin ik logeer. In de bar nemen
we er eentje op onze hernieuwde ontmoeting en kijken
we elkaar diep in de ogen zodat we ontdekken dat we
soulmates, zielenmaatjes, moeten zijn.
De synchroniteiten
rijgen zich aaneen en het blijkt dat wij beiden de
volgende dag voor de zaak in Edinburg, Schotland worden
verwacht waar we in het statige Scottsman Hotel aan
de straat die North Bridge heet zowel zullen logeren
als een meeting moeten bijwonen met vertegenwoordigers
van een plaatselijke handelsfirma die zich, zoals
het prospectus verraadt waarvan wij allebei een exemplaar
in onze bagage blijken te hebben, bezighoudt met international
finance, import & export of all kinds of commodities
and products.
En daarna
hadden wij allebei vier dagen vrij en na een flink
aantal glazen port besluiten wij die in elkaars gezelschap
door te brengen en een rondrit te maken door het mooie
Schotland waar wij beiden nog nooit zijn geweest.
We bezoeken onder meer Lockerbie om naar het monument
voor de 272 slachtoffers van de Boeing vliegtuigramp
uit 1988 te kijken. Er hangt een ijzingwekkend drukkende
sfeer. We spreken met een echtpaar uit Glasgow, waarvan
de man indertijd als politieofficier heeft geholpen
bij de rampenbestrijding. Net als wij, is de man erg
aangedaan. Elk jaar keert hij terug naar de plaats
waar zich zoveel ellende heeft afgespeeld. Op deze
plaats word je zeer direct geconfronteerd met de gevolgen
die de ‘grote’ politiek op het leven van alledag kan
hebben.
Dan is het
tijd om naar het eiland Skye te gaan. Alle mysteriën
en betoveringen van de Hebriden kunnen hier worden
gevonden. In Noordse en Gaelic vertellingen wordt
Skye het Eiland van de Wolken of ook wel het Gevleugelde
Eiland genoemd. Het is een bastion van de Gaelic taal.
Meer dan 85% van de bevolking spreekt het nog. Naast
het Welsh, het Bretons en het Iers zijn het de enige
overblijfselen van de eens in Europa zo wijdverbreide
Keltische cultuur. De opschriften en alle verkeerstekens
zijn dan ook tweetalig.
Enkele dagen later willen we naar Cape Wrath, de kaap
der Gramschap, in het hoge noorden van Schotland.
Maar helaas, dat is balen; de autosleutels zijn zoek.
Dit is niet leuk meer. Goede raad is duur. We zoeken
ons het apenzuur maar ze blijven onvindbaar. Ook het
aanroepen van de heilige Antonius helpt deze keer
niet. Het is duidelijk, Cape Wrath is een plaats waar
we niet moeten zijn en door de vertraging die we hebben
met het zoeken naar de sleutel lukt het niet meer
om de dagtocht erheen te halen. Als we terugkomen
uit het dorp waar we met het autoverhuurbedrijf hebben
gebeld blijkt de hospita van de B en B waar we verblijven
de sleutel gevonden te hebben achter de kussens van
de pluchen bank. Maar het is inmiddels laat in de
middag en daarom blijven we nog een nachtje. `s/Avonds
in de pub wordt gedanst op de waanzinnige muziek van
een jengelende harmonica.
Inverness blijkt een drukke stad te zijn die behalve
door mensen wordt bevolkt door een groot aantal vierwielers.
We worden op een onoverzichtelijke rotonde bijna gesneden
door een enorme dubbeldeksbus zodat we op een haar
na één van onze voorwielen kwijtraken
die van een hoge stoep afraakt en geen grip meer heeft,
terwijl linksvoor de bodem van de auto op het trottoir
rust. Het ziet er echt heel lelijk uit. We kunnen
geen kant meer uit en goede raad is duur. Julie weet
het ook niet, maar na een kort moment van besluiteloosheid,
lijkt de oplossing zomaar mijn hoofd binnen te vloeien.
Ik vraag Julie het stuur naar rechts te draaien en
voorzichtig til ik de auto aan de voorkant op! De
zware kant, daar waar de motor zich bevindt! Langzaam
geeft ze gas, waarna het wiel ‘pakt’ en we uit de
problemen zijn. Ik word dan wel eens een struise tante
genoemd maar zomaar een auto optillen lijkt ten enenmale
onmogelijk. Ik heb het later trouwens nog eens een
keer geprobeerd. Er was geen beweging in te krijgen.
Hoe het ook zij, we zijn geweldig dankbaar voor degenen
aan de andere kant van de sluiers die verantwoordelijk
zijn voor deze flits van inspiratie én de extra
kracht die nodig is om het geduvel de baas te worden.
Zo zetten we de eerste schreden op een soort latrelatie
die nu al vijf jaar bestendig is. We zien elkaar ééns
in de maand, maar dan steeds wel bijna een week. De
ene keer is dat in Londen, waar Julie inmiddels woont,
de andere keer in Rotterdam, waarheen ik ben verhuisd
en elke keer weer vertellen we tegen elkaar dat het
zo mooi is dat we elkaar gevonden hebben en dat het
onbegrijpelijk is dat we er twee keer over hebben
moeten doen om erachter te komen dat we voor elkaar
bestemd zijn. Het is zo mooi om de mogelijkheid te
hebben om beiden ons eigen leven te leiden, maar om
steeds weer naar elkaar terug te kunnen keren om alles
met elkaar te delen en er onvoorwaardelijk voor elkaar
te zijn.
Niet Cape
Wrath, maar de Botnische Golf is van onze eerste gezamenlijke
schreden getuige geweest en elk jaar zorgen we ervoor
dat we elkaar daar weer treffen om tussen de rotsblokken
op het zand de liefde voor elkaar te kunnen vieren.
Julie en ik; we zijn dankbaar en weten zeker dat we
elkaar in vorige levens ook al waren tegengekomen;
weliswaar in andere gedaanten maar toch zeker als
twee zielen die samen Zijn en dat altijd zullen blijven.