De Reiger

De Nada Kronieken

deel 13


Voor het decembernummer van de Running Fox Papers leek het me een goede gedachte om iets te scheppen waarin de kerstgedachte tot uitdrukking zou komen. Ik heb daar even over moeten nadenken, maar schijnbaar als vanzelf werden mijn gedachten teruggeroepen naar datgene wat zich afspeelde gedurende de kersttijd van 1998. Het is een gouden herinnering die ik door middel van dit verhaal met jou, lezer, wil delen.

Na een turbulent en werkzaam leven en een lange periode van ziekte en narigheid, stierf mijn moeder vlak voor kerstmis, nu vier jaar geleden. We konden het van tevoren zien aankomen. Een aantal malen daarvoor waren er al momenten geweest dat wij als nazaten werkelijk hadden gedacht dat het afgelopen was, maar steeds weer was gebleken dat het nog geen tijd was. Wanneer je uiteindelijk dan toch met het onvermijdbare wordt geconfronteerd en opeens is de vrouw die jou het leven schonk er niet meer, is dat op zijn minst schokkend. Ik ben er zeker van dat dit voor velen van jullie herkenbaar zal zijn.

Het leven van mijn moeder liet zich lezen als een gedicht. Soms kabbelend op de ritmische rustieke woorden van een kalme woordenvloed. Soms heftig en verlangend naar betere tijden, de strofen worstelend om tot de zoete helling van het kalme strand te geraken. Altijd was daar dat bos met zijn vele bomen waaruit zij maar geen keus kon maken. Maar steeds was haar leven een boeiend woordenspel, doordrongen van een hevig geloof, en immer zoekend naar de bevrediging, naar de voleinding, naar een juist getroffen cadans.

Reeds in haar jonge jaren ontdekte zij het onzienbare. Zij was spiritueel avant la lettre en herkende zich al vroeg in de pinksterbeweging. Krishnamurti kwam naar Nederland en op de Paasberg luisterde zij ademloos naar de boodschap van deze verlichte grote kleine man uit het oosten. Later leerde zij de Antroposofische beweging kennen, waarin zij gedurende vele jaren datgene vond wat haar gelukkig maakte. De liefde voor een liefdevolle God, de liefde voor mens en dier, de eurythmie, tekenen en schilderen, muziek. Het bijbehorende filosofische gedachtegoed gaven haar een handvat om met de dingen des levens in het reine te komen. Om zich soms los te kunnen maken van de dagelijkse beslommeringen, om zich te verliezen in de grote denker die Rudolf Steiner toch was, in een levensovertuiging.

Ook was zij een niet onverdienstelijk dichteres die in 1953 het volgende voorspellende gedicht maakte:

“O dit te dragen en te sterven niet
de tijd te lijden die een leven biedt,
te treden van het kruis van tijd en ruim
zich voeden met de wijn, van brood het kruim
te nemen, oogst van overvloed in eeuwigheid.
God neemt ons tot zich en heeft alle tijd.”

In het voorjaar van 1992 gaf zij een dichtbundeltje uit: ‘Proeven van taal en teken,’die onder een klein groepje belangstellenden is verspreid. Zij beschouwde dit als haar levenswerk, maar helaas heeft haar gezondheid daarna grote schade opgelopen en begon de ziekte van Parkinson haar langzaam te slopen. De laatste jaren van haar leven putte zij troost uit de gedichten van Ida Gerhardt, waarvan ik hier een voorbeeld wil geven. Een voorbeeld dat een bijzonder licht werpt op de laatste jaren van haar leven, waarin haar lichaam het stukje bij beetje liet afweten, maar waarin haar geest tot het laatst toe helder bleef als glas.

De grassen

Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dàn zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.

Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wèl was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree der late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.

Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend’re wetten staan verteld;
ik zie hen tegen ‘t blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.

Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.

En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk’re huis zal ‘s-avonds òm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.


Ik heb haar leven van terzijde altijd kunnen gadeslaan als een zoektocht. Een speuren naar die enige boom die haar alles had kunnen geven wat zij in dit leven zocht. Vele malen vond zij er een die haar welgevallig was en haar voor kortere of langere tijd vervulling kon schenken. Maar altijd weer was daar, vroeg of laat, die teleurstelling, het afkeren en opnieuw het hunkeren naar iets wat voorbij de einder lag.

Maar plotseling was zij er niet meer. Ineens maakte zij geen deel meer uit van dit ondermaanse. Zij en ik waren 54 jaar lang tijdgenoten geweest. De laatste jaren waren voor haar een zware strijd. Parkinson, diverse hartstilstanden, longembolie, een gebroken heup, borstkanker. Weinig is haar bespaard gebleven.

Vlak voor kerst troffen mijn vrouw en ik haar aan in een beschut kamertje van het tehuis waar zij haar laatste maanden doorbracht. Enkele minuten daarvoor had zij voor het laatst haar moede ogen gesloten, maar om haar tot rust gekomen gelaat speelde een halve glimlach en ik wist op dat moment zeker dat zij tenslotte haar boom had gevonden....

Na de crematieplechtigheid gingen mijn vrouw en ik, samen met een twintigtal vrienden en familieleden naar ons huis om wat te drinken en om te praten over de gebeurtenissen van de laatste tijd die hadden geleid tot deze op zich treurige gebeurtenis. Zoals zo vaak na begrafenissen, was het een geanimeerde bijeenkomst met mensen die je in het drukke leven van alledag niet al te vaak ontmoet.

Maar opeens was daar het moment dat een van ons ontdekte dat een reiger was geland op het dak van de kleine schuur achter ons huis. De vogel was, met zijn snavel wijzend in onze richting, daar neergestreken en keek – zoals reigers dat kunnen doen – gedurende lange tijd met een zeer intense blik in onze richting.

Geleidelijk verstomden de conversaties en er was een moment dat we allemaal in de richting van deze reiger keken en het was duidelijk dat hij of zij zich intens in ons aller aandacht mocht verheugen. Precies op dat moment vloog de statige vogel weer op en wiekte herwaarts. Ik kan je verzekeren dat de stilte in de kamer langdurig en oorverdovend was. Ieder van ons achterlatend met zijn eigen gedachten en deze gebeurtenis op zijn of haar eigen wijze interpreterend.

Hierop terugkijkend, kan ik niet anders dan aannemen dat dit waardevolle, dit gouden moment, een geschenk uit de hemel was, waarbij duidelijk werd gemaakt dat alles goed was en dat mijn moeder niet zonder intentie was overgegaan naar de andere wereld. Bovendien maakte het voor mij mogelijk om op een positieve manier met dit verlies om te gaan en ik dank degenen aan gene zijde die hiervoor verantwoordelijk waren, voor de mogelijkheid om me te her-inneren dat het leven niet eindigt bij een sterfgeval, maar tegelijkertijd kan worden gezien als een wedergeboorte in een wereld die voor ons niet tastbaar is.

Deze kersttijd was er een die ik niet licht zal vergeten en heeft mij doen beseffen dat de geldende kerstgedachte soms kan overstijgen naar iets wat veel dieper ligt. En toch, vieren we met kerstmis niet elk jaar een geboorte?