Running Fox Papers

Augustus 2003 ~ Nog meer dromen.

Citaat van de maand:

En alles wat Wij deden…

En alles wat Wij deden is – op het nivo waarop wij wakker zijn – echt waar!
Het spel van zuivering behoort ook tot de illusie.
Het spel is immers perfect gespeeld, moet er dan iets ‘gereinigd, gezuiverd” worden?
Ook dit behoort Bron toe, die aan het spelen (ervaren) is.
Gij zijt mij die ervaart. Gij zijt mij die zuivert. Gij zijt mij die perfect is.
Gij zijt Mij!

Nine Versluis – Rienks

 

*~*~*~

Inhoud

Citaat van de Maand Nine Versluis-Rienks
Inleiding  
Toevoegingen aan de website  
Vijf meeuwen Hans Brockhuis
Het leven is als een droom Patrick Meijers
   


~*~*~*~

Inleiding

Hoewel ik aanvankelijk niet van plan was om in augustus een ‘papers’ te laten verschijnen, ben ik daarop toch teruggekomen. De vorige maand waren er enkele belangrijke dingen blijven liggen, die ik toch graag met jullie zou willen delen.

Het thema voor het septembernummer zal zijn: “WIJSHEID,” een onderwerp dat iedereen op zijn eigen wijze zal kunnen interpreteren. Ik nodig je daarom weer van harte uit om jouw bijdrage in te sturen, zodat die eventueel in deze nieuwsbrief gepubliceerd kan worden.

Ook ditmaal kan ik je weer een aantal nieuwe pagina’s op de website aanbieden. Hieronder zijn ze – met bijbehorende link – aangegeven.

Espavo,

Hans

~*~*~*~

Toevoegingen aan de website per 1 augustus 2003:

1) Nada Kroniek nummer 5: de Engelstalige editie van ‘Thila Vertelt,’ vertaald door Mirjam Coumans.
2) Nada Kroniek nummer 15: Judith Leeft!
3) Nada kroniek, nummer 16: Een spirituele reis naar Albion.
4) Running Fox Papers – januari 2003
5) Een Schat aan inzichten: Gebed door Rudolf Steiner
6) Een Schat aan inzichten: En alles wat wij deden, door Nine Versluis - Rienks

~*~*~*~

Vijf meeuwen
De Nada Kronieken, deel 3

Ik zit op een bankje op de boulevard van een grote stad en heb het bijzonder naar mijn zin. Ik kijk uit over de brede trechtervormige riviermonding en gedurende geruime tijd geniet ik op mijn gemak van licht, lucht en water. Het is werkelijk een fantastisch schouwspel. De wisselingen van de vele kleuren. Groen en blauw, rood en bruin, grijs en wit. En alles daartussen in. Tergend langzaam verwordt de vloed tot eb. Ik kijk naar het trage voorbijkomen van de grote vrachtschepen. Naar het silhouet van steden en nederzettingen aan de overkant van het brede water. Naar het nijvere heen- en weer varen van de loodsboten. Ik raak er maar niet op uitgekeken.

Voor mij op de balustrade, op een afstand van ruim twee meter, landt een kolossale stormmeeuw. Na een tijdje wordt het duidelijk dat het dier in afwachting is van enig lekkers dat ik bij me zou kunnen hebben. Enigszins nerveus trippelt hij of zij heen en weer en zo nu en dan richt hij een kraaloog naar mij om te zien of er nog wat van komt.

Ik sta op en doe een paar passen naar voren en steek voorzichtig mijn hand haar kant op. Wanneer de meeuw ziet dat zich daar niet in bevindt wat wordt verwacht, slaakt ze een meeuwenkrijs en trippelt enigszins aangebrand een metertje verderop, waar ik er niet bij kan komen. Zij maakt mij duidelijk dat ze niet van grapjes is gediend en blikt enigszins bozig mijn kant uit.

Ik haal mijn schouders op, ga maar weer zitten en ga door waar ik mee bezig was. Het turen in de verste verten en het beschouwen van de dingen waar ik zo mee bezig ben. En dat is aangenaam want ook het weer is aangenaam en langzamerhand verlies ik mij in de tijd en kom ik meer en meer in een staat van innerlijke reflectie, zodat de bubbel waarin ik mij bevindt zich gaandeweg uitbreidt, waardoor tenslotte de meeuw als het ware deel gaat uitmaken van deze uitgebreide bol van energie.

“Ook goedemorgen”, zegt de meeuw, nog steeds een beetje pissig, tot mij. Ik schrik op. Zoiets had ik niet echt verwacht.
“Goedemorgen meeuw”, antwoord ik. “Het was niet mijn bedoeling je te kwetsen. Ik wilde alleen maar contact maken, maar het is me nu duidelijk dat ik het niet op de juiste manier deed”.
“Dat kun je wel zeggen, vriend. Nogal ontactisch. Jullie mensen hebben nog heel wat te leren. Dat valt me iedere keer weer op”.
“Dat is natuurlijk zo”, antwoord ik de meeuw die inmiddels weer wat dichterbij is gekomen. “Maar geef ons nog wat tijd en we leren het allemaal wel”.
“Hmmm”, bromt de meeuw en schakelt over op een ander onderwerp. “Mooi uitzicht hier, vind je niet? Als je van hieruit over de riviermonding kijkt, geeft het een beetje de illusie als van het uitzicht dat wij vogels zien als wij van bovenaf de wereld gadeslaan. Dit extra perspectief dat je hier ziet is voor jullie landrotten nogal uitzonderlijk, moet ik zeggen”.

Het is duidelijk dat het humeur van het dier aan het verbeteren is en hoopvol zeg ik: “Zo, dat is interessant. Tja, wij hebben daar grote machines voor nodig om het van boven te kunnen bekijken. Jullie kunnen het op eigen kracht.” Ik probeer hem een beetje te paaien. “Zo zie je maar weer dat jullie soort in vele opzichten superieur is aan ons.”
“Hoho”, zegt de meeuw, die nog steeds heen en weer trippelt maar toch zichtbaar verguld is. “Zo is het niet helemaal. Niets en niemand is superieur aan iets of iemand anders. We doen het allemaal op onze eigen manier. We hebben allemaal onze eigen-aardigheden en we hebben ook allemaal onze goede kanten. Jullie kunnen weer beter lopen dan wij en zo is elk schepsel op zijn eigen wijze bezig om het paradijs op aarde te scheppen.
“Paradijs eh”. Ik val stil, want ik weet niet zo gauw wat ik moet zeggen. Maar de meeuw gaat verder.

“Tussen twee haakjes, je kent me wel; ik heet Nada en ik nodig je uit om met mij mee op reis te gaan. Er is iets wat ik je heel graag wil laten zien”.
Ineens ben ik helemaal wakker. “Nada, natuurlijk. Op reis, waarheen, hoe, wat, wanneer”. Mijn brein is ogenblikkelijk een chaos en weer weet ik niet wat ik moet zeggen.
“Je hoeft niet zo te schrikken hoor. Het is allemaal nogal eenvoudig. Je vliegt gewoon met me mee en dan zal ik je het een en ander laten zien. We gaan nu meteen. En je bent op tijd terug voor het eten, dat beloof ik je. Je had voor mij wel niets, maar reken maar dat ik voor jou wel iets heb”.

Het volgende moment merk ik dat ik ook op de balustrade sta, oog in oog met Nada, die mij vriendelijk en bemoedigend toeknikt. Tot mijn verbazing zie ik dat ik nu ook een meeuwengedaante heb aangenomen. Ik ben nu ongeveer even groot als zij en vol verwachting klopt mijn hart. Wat zal ik allemaal te zien krijgen?

“Sta nu niet te talmen, vriend en sla je vleugels uit, dan kunnen we beginnen.” En zo vangt een wonderlijke reis aan die mij vele dingen leert en die mij al-tijd bij zal blijven. Eerst steken we de riviermonding over naar de overzijde en we vliegen over akkers en weiden, over dorpen en steden. We zien de rivieren en de kanalen, de wegen en de paden en allengs wordt het weer steeds helderder en kan ik meer en meer gewaar worden van alles wat zich beneden mij afspeelt. Ik zie de mensen hun land bewerken; ik kijk naar anderen die op weg gaan om hun dagelijks brood te verdienen en ik begrijp dat sommigen belangrijk tegen elkaar lopen te doen. Het is allemaal nogal verwarrend.

“Ja, ja”, zegt Nada tegen mij. “Op het eerste gezicht lijkt het dat al die mensen vooral met hun zeer aardse dingen bezig zijn. Maar toch, onder de oppervlakte heerst er bij het grootste deel van hen toch een begin, een aanzet tot Vrede. Het is een groot goed wanneer een schepsel in staat wordt gesteld om door zijn eigen innerlijke krachten te beleven dat de eenheid van alles wat een ziel heeft de grootst mogelijke waarde heeft en dat wanneer wij ons dat herinneren het mogelijk wordt voor allen om die eenheid te ervaren en aldus liefde te zijn.”

Ik knik. Zo had ik er nog niet over nagedacht. Maar Nada heeft nog meer te vertellen. “Liefde is het woord dat steeds terugkeert maar dat vaak zo moeilijk te bereiken is; ook en vooral voor mensen en andere zielen die zich op de planeet Aarde bevinden. Jullie leven – en daarvoor heb je gekozen en daarvoor zijn wij jullie oneindig dankbaar – in een toestand van versluiering en die hoedanigheid maakt het weer mogelijk om de keuzes die je maakt een zodanige kwaliteit te geven dat je er ook van leert. Er is geen goed of kwaad. Alleen het goed of kwaad dat jij als zodanig ervaart heeft die waarde meegekregen. En dat leidt er weer toe dat mensen zich zo vaak tegen elkaar keren, terwijl het voor ieder persoonlijk beter zou zijn om zich mèt elkaar te ver-zoenen. Dan zullen jullie in staat zijn om te beleven wat wij zojuist hebben beleefd, de Eenheid met ons Meeuwen-beeld. Want eigenlijk is dat Evenbeeld niets anders dan God/Godin/Bron. Want ieder we-Zen is een deeltje van God/Godin/Bron en aldus is het mogelijk om de Liefde en de Eenheid der dingen te ervaren.”

Tja, dat is natuurlijk waar. Als tijdelijke meeuw zijnde, heb ik diep in Nada’s ogen gekeken en wat ik daar zag heeft zij zojuist voor mij verwoordt. Ik raak hoe langer hoe meer onder de indruk. Maar we gaan verder en verder en tenslotte is het land afgelopen en vliegen we over een bijna eindeloze zee. Over een oceaan. Zo nu en dan passeren wij een schip, maar allengs wordt dat steeds minder en tenslotte vliegen wij – het lijken wel uren – alleen maar over zacht golvend water dat niet door wat dan ook wordt onderbroken. Maar opeens is daar een zwart stipje aan de horizon dat, terwijl we die kant uit vliegen, geleidelijk groter wordt.

Als we dichterbij komen zien we dat het een klein eiland is dat als een kegel boven de golven uitrijst. Op de top van het eiland staat een wit tempelachtig gebouw in een ommuurde tuin. Tot mijn schrik zie ik dat het hele gebouw in brand staat. De muur, de tuin, het grootste deel van het huis. Alleen de deuropening en een halve cirkel daarvoor, zijn nog vrij van het allesverzengende vuur. In de deuropening staan een man met zijn zoon voor hun in lichtelaaie staande huis. Ze wenken naar ons.

“We moeten ze redden”, schreeuw ik tegen Nada, die knikt. Inmiddels zijn er nog twee of drie andere meeuwen verschenen en voorzichtig dalen we tot vlak bij het bezorgde tweetal in de deuropening. We blijven zweven om het duo onze hulp aan te bieden. Dat weigeren ze echter, kalm en waardig en derhalve gaan we weer omhoog om ons uit de hitte terug te trekken. Maar we blijven stand-by om, wanneer het kritiek wordt, toch in te kunnen grijpen.

We stijgen nog iets verder zodat de omgeving van het huis en de tuin geleidelijk zichtbaar worden. Het blijkt nu dat het huis aan de top is gebouwd van een grote terrasvormige stad. Alles staat niettemin onder water in deze enorme maar zeer rustige oceaan van helder azuurblauw doorschijnend water. Slechts de contouren van de stad zijn daarom zichtbaar, de oceaan en het brandende huis.

Beetje bij beetje rijst de waterspiegel en in een laatste ‘krachtsinspanning’ stort het water zich over de brandende muren heen en vrijwel onmiddellijk zijn alle vlammen gedoofd.

We dalen weer. De wateren trekken zich terug en het wordt tenslotte duidelijk dat het huis onaangetast is door de metershoge vlammen. De vader en zijn zoon staan naar ons te zwaaien. Ze zijn gered. En ze wisten en hadden vertrouwen dat dit zou gebeuren en wilden - ook in tijden van doodsnood - niet wijken voor het vuur. Zij vertrouwden op en geloofden in de allesomvattende liefde van de blauwe oceaan…

Uitbundig feliciteren we vader en zoon met hun redding die kalm en vreedzaam ons en hun omgeving bekijken. Blijkbaar was hun vertrouwen grenzeloos. Dan zegent de Vader ons. We zijn ontroerd en we gaan opnieuw ons weegs. De drie meeuwen die ons blijven vergezellen blijken Magda, Moira en Myriah te zijn. Voor mij oude bekenden. Ik begroet deze drie prachtige zielen uitbundig en terwijl we verder vliegen evalueren we wat zich op het brandende eiland heeft afgespeeld.

Nada neemt als eerste het woord: “zoals jullie hebben gezien, is niets wat het op het eerste gezicht lijkt, wanneer bekeken vanuit een onoverzichtelijk standpunt. Alles wordt pas duidelijk wanneer er afstand genomen wordt en je het juiste perspectief bezit. Dit geldt voor alles wat zich in het leven afspeelt.”
“Dat is zo, antwoordt Magda: “maar ik wil ook benadrukken dat ik het prachtig vind dat vader en zoon zo’n oneindig vertrouwen hadden in de purificatie van het vuur en de liefde voor en het vertrouwen in dát wat het alomtegenwoordige water van de blauwe oceaan voor hen kan betekenen. Heling in al zijn facetten.”
Ikzelf doe ook een duit in het zakje: “en dan is de aanwezigheid van alle elementen ook veelbetekenend: water, de oceaan; vuur, de brandende tempel; aarde, de halve cirkel onaangetaste grond voor het huis; lucht, vanwaar het geheel kan worden overzien en ether waardoor wij, als potentieel reddingsteam, konden voelen wat zich in de hoofden van de vader en zijn zoon afspeelt.
“Ja natuurlijk”, valt Moira bij: “Ik heb een gemakkelijke; als de nood het hoogst is, is de redding nabij.”
“En toch”, brengt Myriah te berde, “moet het mogelijk zijn om het geheel vanuit een nog verhevener standpunt te bekijken; ongetwijfeld zullen zich dan steeds weer nieuwe perspectieven ontvouwen. De uitzichten vanuit het hogere zijn schier onbeperkt. Bovendien wil ik er op wijzen dat ook onze Moeder Aarde bij dit alles betrokken is. Het eiland en de zee maken ten slotte deel uit van Haar Tedere Aanwezigheid.”
“Waaruit maar weer blijkt”, beaam ik, “dat het aantal conclusies wat uit deze episode te trekken valt, zo goed als oneindig is”.

Langzaam wordt het duidelijk dat dit het laatste woord is want voorlopig zegt niemand meer iets en gaat onze tocht verder. Opnieuw doemt er land op en geleidelijk wordt het donker en in het oosten kunnen we zien dat de zon zich in prachtige kleuren achter de horizon verliest. Nu zien we de lichten van de mensen en grote stukken donker land onder ons verschieten en steeds maar weer begrijp ik op wat een prachtige planeet ik het voorrecht heb te mogen leven. Vanuit de hoogten ben ik in staat om de droombeelden van het mensdom te begrijpen en meer en meer wordt ik vervuld van ontzag, eerbied en respect voor deze prachtige schepping, die inderdaad van tijd tot tijd zuivering behoeft, maar die in we-Zen zo schoon en zo puur is. Zo nu en dan is de balans zoek en moeten we met ons allen proberen om die terug te vinden en met vereende krachten en soms met een duwtje in de rug van het hogere, heb ik er vandaag alle vertrouwen in dat het eens gaat lukken. Die gedachte maakt me ziels gelukkig.

Een voor een nemen onze metgezellen afscheid en buigen af naar hun respectieve bestemmingen en geleidelijk kom ik weer terug op deze aarde en bevind ik mij weer in het hier en nu op mijn bank bij de riviermonding.

Nada bevindt zich weer vlak bij me op de balustrade. Dit keer heb ik een korst brood in mijn hand die ik naast haar op de rand leg. Dit is de maaltijd waarop zij zat te wachten. Ze pikt de korst op, knikt me toe en in een geweldige zwenking klimt ze in de vleugel en vliegt, na nog een rondje boven mijn hoofd te hebben gevlogen, de vermiljoenen zonsondergang tegemoet…

Ik Ben Dankbaar.

~*~*~*~
Het leven als een droom in een droom…
Patrick Meijers

Dromen zijn onze beelden van een ongrijpbare werkelijkheid, een venster op een verre van vastomlijnde wereld – waarin andere regels gelden dan overdag die het domein is van de wel min of meer vastomlijnde realiteit. Steeds vaker worden onze dromen op waarde geschat, bijvoorbeeld als goede verwerking en compensatie voor belevenissen in het dagbewustzijn. Hoe verhoudt zich deze waarde ten opzichte van de waarde die we toekennen aan de realiteit van alledag?

Als iemand boos op ons is tijdens een droom laten we dat gemakkelijk los. Dikwijls zijn we het al kwijt bij het wakker worden. Als zoiets echter in het ‘normale leven’ gebeurt, hebben we daar meer moeite mee en lopen we soms lang gekwetst rond. Is wat er ’s nachts gebeurt, in onze droomwerkelijkheid, minder belangrijk dan wat er overdag plaatsvindt? Mijn mening is dat dat niet persé zo is. We hechten simpelweg meer waarde aan de gebeurtenissen van alledag, en reageren anders. De vraag is dan: hoeveel waarde wil je ergens aan hechten? Dit is geen betoog om onze nachtelijke avonturen belangrijker te maken, maar eerder het tegenovergestelde: wat is de realiteitswaarde van onze werkelijkheid?

Door de acceleratie van planeet en mensheid is onze realiteit immers op losse schroeven komen te staan. De vastomlijnde ideeën en interpretatiekaders die ons hielpen een éénduidig en begrijpelijk beeld van de wereld in en om ons heen te bepalen, komen in rap tempo tot een einde. Wat wij beschouwden als onze realiteit blijkt meer een beschouwing van die realiteit. Het leven ontplooit zich meer en meer als in een droom; een droom vol onverwachte en ongekende ervaringen en wendingen.

De meer dan 99% van het bestaan in de schepping die we gewoonlijk niet konden waarnemen, begint geleidelijk in ons beeld te verschijnen. Onze werkelijkheid verandert! Ons tot dusver enge perspectief verbreedt zich, ieder moment van iedere dag. Kortom, de chaos neemt toe. Velen van ons kunnen beamen dat de hectiek de afgelopen jaren enorm is toegenomen in ons leven. Zowel in het groot, op het wereldtoneel, als in het klein, in ieders persoonlijk bestaan is turbulentie een teken des tijds. Onze werkelijkheid staat op het punt van openbreken; een grotere werkelijkheid dient zich aan en we ontwaken uit de droom.

In het werk van Heling Nieuwe Stijl werkt Patrick veel met interdimensioneel bewustzijn, met wonderbaarlijke resultaten. De tijd om ergens van op te kijken is voorbij.

info@helingnieuwestijl.nl