Buitenaards Plejadische dossiers Nada Kronieken Running Fox Homepagina Written with Love Written Speciaal

. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .


Venna
2008

Klik hier voor de woordenlijst

De torenhoge Ka-la-na bomen op het immense forum van de grote hoogstad gaven een weldadige schaduw. Het was prettig om even op adem te kunnen komen van de hitte en de heksenketel van het alledaagse leven. Met zijn drieën slenterden ze in de richting van de grote cilinder van de Arische ambassade. Tot voor kort was daar het districtshoofdkwartier van het machtige gilde der kooplieden gevestigd geweest, maar sinds Venna zich van Ar had afgescheiden, een jaar geleden, liepen hier de diplomaten in en uit. Naast de vervaarlijk uitziende Kustos bij de ingang waren de grote zandstenen blokken die van de gevel deel uitmaakten, vaag door het gebladerte zichtbaar. Een Tharlarion-koets wiegde ting-tingend met haar waarschuwingsbel door de bocht.

De oudste van het drietal, zeventien was hij, liep voorop en liep ondanks de hitte behoorlijk door.
“Zeg Torg”, hijgde één van de anderen. “Heb je soms haast?”
“Nee hoor, ik heb geen haast, maar ik wil toch wel wat opschieten”, was het bitse antwoord. Torg had een gedrongen gestalte met een fris beweeglijk gezicht en donker glad achterover gekamd haar. Plotsklaps bleef hij staan en keek om zich heen. “Ik heb dorst”, zei hij. Laten we een tent opzoeken en er eentje pakken.” De twee anderen haalden achter zijn rug hun schouders op. Ze waren gewend aan de vreemde gemoedsveranderingen van hun vriend. Hij scheen nooit precies te weten wat hij wilde en kwam dan ineens met wat nieuws op de proppen. Maar verder was het een toffe gozer. Bovendien was hij de oudste van de drie kameraden en de goede ideeën kwamen bijna altijd van hem. Hij was een geboren leider en daar kon je nu eenmaal niet omheen. Torg droeg een vaal tuniek met achterop een print van de grote Kaissa-speler Bel-tran.

Nog even stonden ze voor de vorm te bekvechten maar opeens nam Torg een besluit. “Kom mee”, zei hij met een armzwaai en draaide zich om in de richting van het stadscentrum, waarvan in het middelpunt het Gor, de thuissteen, in een glazen koepel werd bewaard en waarvandaan ze zojuist aangekomen waren. De twee anderen keken elkaar eens aan, wisselden blikken van verstandhouding, haalden hun schouders op en volgden in Torg’s kielzog.

Vanuit de tegenovergestelde richting kwamen twee jonge meisjes aangeslenterd. Met hun gebronsde huid en iets scheefstaande ogen zagen ze er een beetje zuidelijk uit, alsof ze uit het gebied van Turia afkomstig waren. Dat was een zeldzaamheid hier in het noorden. Maar toch ook weer niet zo onwaarschijnlijk dat het enige opzien zou baren. De meisjes liepen een beetje met elkaar te smoezen en te giechelen en wierpen steelse blikken op de drie jongemannen. De twee groepen passeerden elkaar in het midden van de Viktel Voskis, genoemd naar de machtige rivier, die niet ver naar het noorden de economische ruggengraat van Gor vormt. Ze deden net alsof ze de jongens niet zagen. Eén van de meisjes zei in het voorbijgaan zachtjes, nonchalant en hoorbaar tegen de ander: “welke vind jij de leukste?”

Torg bleef midden op de weg staan, draaide zich abrupt om, vouwde zijn armen over elkaar en keek hen vragend aan. De meisjes waren ook gestopt en deden hun best om hooghartig terug te staren. Een ouderwetse koets kwam, veel te hard, de hoek omzetten en miste die de jongelui op een haar na. De reusachtige Hoge Tharlarion die voor de kar was gespannen brieste luidruchtig. De voerman, in zijn purper en turkooizen toga van de Kaste der Voerlieden zwaaide vloekend met zijn vuist en was even later uit het gezicht verdwenen.

“Meekomen”, kondigde Torg aan, en het vijftal liep geschrokken naar de kant van de weg. Ze belandden op het verhoogde trottoir, vlak bij de grote vijver die het middelpunt van de stad markeerde. Op een eilandje, midden in het water, was een glazen koepel opgericht, waarin de grote thuissteen van de stad Venna was geplaatst. Twee wachters met getrokken zwaarden cirkelden voortdurend om het gebouwtje heen om zo het heilige Gor voor rovers te behoeden. Als het donker werd, wisten ze, zoude grote flambouwen worden ontstoken, wat altijd weer een feeëriek schouwspel teweegbracht.

Aan de waterkant bleven ze alle vijf staan. De twee meisjes stonden tegen elkaar aangeleund naar de drie jongens te kijken die zich tegenover hen hadden opgesteld om de meisjes gade te slaan. Op die manier vormden ze een bijna volmaakte cirkel. Geruime tijd stonden ze alleen maar te staren zonder dat iemand iets zei, totdat Torg er genoeg van had.

“Lo Torg,” zei hij resoluut, terwijl hij op zichzelf wees. “En dit is Teibar en hij heet Almus en we gaan met zijn allen een biertje drinken want we kunnen hier niet blijven staan tot we een Talu wegen. En nu wil jullie namen weten.” De meisjes giechelden wat, maakten geen aanstalten om hun mond open te doen, maar bleven wel staan met hun rug naar de vijver.
“Laten we doorlopen,” zei Almus uitdagend. “Dit wordt niks. Die twee zijn van de Ubar getikt.”
“Zeg eens even jij”, zei het oudste meisje dreigend terwijl ze haar handen op haar heupen zette. Ze was erg knap, niet al te lang, en droeg lange golvende donkere haren, die haar tot ver over de schouders hingen. Ze droeg een kort geel gewaad die uitstekend paste bij haar lichtbruine huid en die vrij strak om haar slanke lichaam was gedrapeerd. Het andere meisje was iets kleiner en zelfs nog wat donkerder van teint. Ze had pikzwart krullerig haar en had bevallig slanke klassieke armen met de lange vingers van een kithara speelster. Het meisje droeg een korte katoenen tuniek zonder mouwen en wijde armsgaten. Om haar middel prijkte een zachtlederen Kaiila-riem met voorop een grote bronzen gesp. Over haar schouder had ze, ondanks de warmte – een Larl-cape geslagen die ze met een vinger in het oogje vasthield. Alles volgens de laatste mode.
“Maak je niet kwaad,” kwam Torg tussenbeide. “En kom nu maar mee; in de Can-ti-na praten we verder.
“Nou, vooruit dan maar”.
Ze streken neer op een terras in de buurt en bestelden bij de toegesnelde bedienaar Brod en Dzab.

“Ieder betaalt met zijn eigen munten,” zei Torg kort en bondig. De meisjes lieten een zwak protest horen maar Teibar zei: “Als Torg zoiets zegt dan gebeurt dat ook en daarmee uit.” Niemand ging daarop in, waarop Torg vroeg: “Nou wil ik eindelijk jullie namen weten, want ik heb er een hekel aan om je ‘eeh’ te noemen. De meisjes keken elkaar aan en toen: “La Tara, civitatis Schendii”, ik ben Tara en kom uit Schendi, zei de oudste van het tweetal, “Et illam sin Valesca, civitatis Kandae, nabi Bazi; illam sin si baie ki-alt. (En zij heet Valesca. Ze komt van Kanda bij Bazi en ze is nog erg jong.) Valesca protesteerde, maar Teibar vond: “Laten we het daar nu niet over hebben, want ij komt zelf ook maar net kijken.”Tara gooide haar hoofd opzij, waarbij haar haren in het rond zwierden, zette een nijdig gezicht op en zei ietwat geïrriteerd: “Hou jij je grote mond maar, jij bent er nog helemaal niet aan toe om iets in het midden…”
“Mond dicht, jullie allebei, en luisteren!” Torg, die op steelse wijze naar Valesca had zitten turen, kwam op barse toon tussenbeide. “Als jullie ruzie gaan zitten maken, dan donder ik op.” Zwijgend dronken ze allemaal van hun drankjes. Torg keek naar de overkant van het plein, naar de Dzigae in de grote vijver. Het waren er vijf. Twee van deze zwanen waren zwart en waren van de anderen weggezwommen, waarbij ze luid kwetterden en met zwiepende staarten hun ongenoegen kenbaar maakten. Het was niet duidelijk waarom ze zo opgewonden waren.

Aan de oever was een donkerblonde jonge vrouw met hoge jukbeenderen, samen met een kind van een jaar of vier de eendjes aan het voeren. Een grote zwerm drijfeenden maakte een geweldig spektakel en allemaal wilden ze als eerste aan de beurt komen om gevoederd te worden. Kortom, er was grote beroering in de vijver. Maar dat kon Torg niets schelen. Hij dacht aan het jonge meisje en aan het feit dat hij over enkele maanden achttien zou worden. Op het halfjaarlijkse Gor-festival zou hij worden geïnaugureerd als burger van de stad Venna. Eindelijk zou hij een volwaardig poorter worden en mogen deelnemen aan de electies voor een nieuwe Stadhouder.

Torg schrok op omdat de twee meisjes weer in zijn gezichtsveld kwamen. Tara stond op en zei tegen haar vriendin: “Kom mee, hier valt niets te beleven.” Hand in hand liepen ze met hooghartige gezichten en zonder verder wat te zeggen weg. Maar toen ze langs Torg liepen zag hij dat de jongste in een onbewaakt ogenblik even opzij keek en hem gedurende een fractie van een tel recht in de ogen keek. Almus wilde opstaan. “Blijf zitten”, gromde Torg, waarop de jongen gehoorzaam in zijn stoel terugzakte.

~*~*~*~

Voor het amfitheater, een eindje verderop, was een oploopje. “Zeker een ongeluk gebeurd”, zei Almus. “Zullen we gaan kijken?” “Ga maar kijken”, gromde Torg die er de pest in had en zich wel voor zijn kop kon slaan dat hij niet meer werk van het jongste meisje had gemaakt. “Ik blijf hier.” Almus ging kijken en was in een oogwenk in het gedrang verdwenen. “Waarom heb je ze laten gaan?”, vroeg Teibar aan Torg. “Ik weet het niet”, zuchtte deze. “Ik had geen zin; het is te warm; niet de moeite waard, of zo.” Maar zijn hart vertelde een heel ander verhaal die hij niet met de ander deelde. Ze bestelden nog een drankje, praatten nog wat, betaalden – noodgedwongen ook voor de meisjes – en stapten op. Bij het theater, waar het inmiddels rustig was geworden bekeken ze de banieren van de evenementen die werden gepresenteerd. Er liep een muziekfestival van het beroemde Iskander gezelschap. Verder was er de Kaissa tweekamp te zien tussen Stengarius Toris, de kampioen van de Salerische confederatie en Servilia Caepiona Vennais, de plaatselijke vrouwelijke kampioen. En de volgende maand begonnen weer de Tarnspelen met als eerste wedstrijd die tussen de teams van Venna en Port Kar, vorig jaar de runner up in de competitie.
Terwijl Torg de aankondigingen las keek Teibar schuins naar zijn vriend. Hij kon maar moeilijk achterhalen wat die allemaal dacht. Hij was iemand van weinig woorden, maar als hij sprak was het altijd ter zake. Torg hield niet van loze praatjes. Dat was duidelijk.

Langzaam slenterden ze verder door de arcade waar het heerlijk koel was en sloegen rechtsaf de Viktel Aria in. Ondanks de hitte was het er druk. Een groot aantal dienstboden was op stap gestuurd om de dagelijkse inkopen te doen en een aantal Hoge Dames, begeleid door hun gevolg, liepen de modehuizen af om de nieuwste gewaden te kunnen bemachtigen. Het was ‘business as usual’, ondanks de hitte. Torg bedacht dat het best weer was voor een duik in de rivier of om te luieren onder één van de vele Tur bomen in het grote park.

“Ik ga naar huis,” zei Teibar: “Ik heb het behoorlijk gehad.” Teibar kwam oorspronkelijk uit de buurt van Brundisium en gebruikte soms uitdrukkingen die hier in Venna niet echt gebruikelijk waren. “Tal”. Hij draaide zich om en liep naar de halte van de openbare vervoersdienst. Torg haalde zijn schouders op en liep alleen verder. Het kon hem allemaal niks meer schelen bedacht hij somber. Die meiden waren op een pleziertje uitgeweest, maar hadden er niets van kunnen maken. Wat dat aangaat, moest hij zichzelf toegeven, was hij zelf ook niet bepaald briljant in de weer geweest, maar het was ook zo heet. En wat hij niet voor zichzelf durfde toegeven was dat het jongste meisje, Valesca, toch best wel een snaar bij hem had geraakt.

Hij bleef voor de uitstalling van een verkoper staan. De man, gekleed in het wit en goud van de kaste der kooplieden probeerde zijn aandacht te trekken. Maar hij zag het niet. Zonder het echt te beseffen waren zijn gedachten heel ergens anders. Torg stond voor de nering van een groentenverkoper uit de omgeving van de stad en verstrooid, zonder ze echt te zien, bekeek hij de uitgestalde appels, de peren en de mand verlepte Sul-zonder pit. Hij slenterde naar binnen en liep wat rond tussen de schappen. Terwijl de verkoper nog steeds trachtte hem te verleiden om iets van hem te kopen ontdekte Torg dat hij hier eigenlijk niets te zoeken had.

En toen gebeurde het. Hij stapte naar buiten het felle zonlicht in en liep pardoes tegen iemand op. Hij schrok zich bijkans een ongeluk. “Lo dzeru!”, neem me niet kwalijk. Hij hoorde gegrinnik en toen zijn ogen aan het licht waren gewend zag hij tot zijn niet geringe verbazing dat hij pardoes tegen niemand minder dan Valesca was opgelopen. “Huh, wuh, w-waar kom jij zo opeens vandaan?” Van de weeromstuit begon hij bijna te hakkelen. Zij was wel de laatste die hij hier had verwacht. Ze sprak snel en hijgde een beetje. “Tara is naar huis en ik had dorst en toen bedacht ik dat een paar stuks Sul wel lekker…”

Ze stokte, kreeg een nog donkerder kleur dan ze van zichzelf al had en keek toen een andere kant op. Het was duidelijk dat ze met haar figuur geen raad wist.
Inmiddels had Torg zich hersteld. “Hoe oud ben je?” Ze keek omhoog naar zijn rijzige gestalte. “Zestien”. “O.K.”, Hij legde de vinger op de juiste plaats. “Je bent zestien, je vriendin is naar huis, je liep met je ziel onder je arm en toen dacht je, laat ik eens achter Torg aangaan. Hoe heb je me gevonden?” Bevallig haalde ze haar schouders op, sloeg haar ogen neer en zei niets. “Waar heb je je cape gelaten?” “Oh, die heb ik aan Tara meegegeven; ze woont in dezelfde Isola als ik en het is toch veel te warm voor een cape.” “Je hebt gelijk,” antwoordde Torg, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd wiste. “Laten we naar de rivier aan om af te koelen.”

Even aarzelde ze, maar dan knikte ze. “Het is wel goed, maar ik heb geen zwemkleding bij me.” “Nee, dat is wel duidelijk,” antwoordde hij terwijl hij zijn blik langs haar moderne kleding liet gaan. “Ik heb natuurlijk ook niks bij me , maar we verzinnen er wel wat op.” “Nou vooruit dan maar; het is niet zo ver hier vandaan, maar een kwart Ahn lopen.”

Langzaam liepen ze door de drukke winkelstraat in de richting van de rivier. Na een tijdje pakte hij als vanzelfsprekend haar hand die ze niet terugtrok. Het voelde zo vertrouwd alsof ze nooit anders hadden gedaan. Onderwijl praatten ze elkaar bij over hun eigen leven. Niet lang daarna kwamen ze bij de Vosk Vennais, de Venna rivier, aan, een zijrivier van de machtige Vosk. Op de plaats waar de straatweg door een gemetselde boogbrug met de andere oever was verbonden waren de oevers steil en de rivier betrekkelijk smal. Maar even verderop verbreedde de rivier zich en was er aan de stadskant onder het dichte gebladerte aan de oever een strandje waar het een drukte van belang was met velen die hier verkoeling zochten. Wegens de hitte was het voorspelbaar dat iedere Hort bezet was. Het lage langgerekte en begroeide eiland in het midden van de stroom leek ook vol bezet met zonnebadende mensen.

“Laten we een eindje stroomafwaarts lopen”, opperde Valesca, die voor het eerst het initiatief nam. Het leek wel of zij door de omstandigheden ineens iemand anders was geworden. Een golf van zelfvertrouwen overspoelde haar en zij had het gevoel dat hetzelfde met Torg het geval was. Wat was het merkwaardig dat zij deze jongeman nog nooit eerder was tegengekomen. Het leek wel of ze elkaar al hun hele leven hadden gekend.

Torg was het met het meisje eens. Het was duidelijk dat er op deze plek geen gelegenheid was om zich in het gedrang te mengen. Ze waadden daarop langs de waterkant en door het water stroomafwaarts en een Pasang verderop vonden ze een veel rustiger stuk grasachtig strand aan de overkant van de rivier. Valesca trok Torg mee aan zijn hand. “Kom, laten we naar de overkant zwemmen en daar voorlopig blijven. Het ziet er heerlijk koel uit onder de bomen en ik heb voorlopig genoeg gelopen.”

Samen doken ze het water in en zwommen met krachtige slagen door het snel stromende water, waardoor ze iets afdreven en in een wilgenbosje aan de oever uitkwamen. Maar het was niet al te moeilijk om een stukje terug te waden naar het strandje. Daar trokken ze hun kletsnatte tunieken uit en slechts gekleed in zijn lendendoek plofte Torg neer op het gras. Valesca deed er iets langer over en vlijde zich tenslotte naast de jongeman in het niet al te hoge gras. Ze had hun kleren over een paar takken gehangen om te drogen.

Gedurende lange tijd koesterden ze zich samen in de zon, gingen een poosje zwemmen waarbij ze ervoor zorgden niet weer af te drijven. Daarna gingen ze weer naar hun plekje terug om te kletsen, te knuffelen en om uit te rusten. Langzaam viel Torg in slaap.

Hij droomde… Samen gingen ze naar de Tarn-spelen in het grote stadion. De altijd met veel prestige omringde wedkamp tussen de aartsrivalen Venna en Ar stond op het programma. Het was niet eenvoudig om een plaatsje op de tribune te bemachtigen, maar gelukkig konden ze bij een illegale verkoper voor de dubbele prijs nog twee toegangskaarten op de kop tikken. Valesca had inmiddels een plaats naast haar vriendin Tara gevonden, maar hoewel hij de kaartjes had lukte het hem maar niet om een open plaats te vinden. Dan maar weer naar buiten, waar hij zijn paard, die hij opzij van de brede Viktel Aria bij een lage heuvel had achtergelaten, ook al niet terug kon vinden. Of het dier was de weg kwijt, of het was gejat.

Gelukkig waren een aantal opgeschoten jongelui bezig om voorbijgangers te beroven. Ze waren niet te beroerd om voor Torg een paard te pikken zodat hij toch weer naar huis kon. Onderweg naar huis kwam hij in een donkere Isola in de binnenstad terecht waar twee vrouwen duidelijk teveel Tass-poeder hadden gesnoven. Eén van hen was volkomen van de wereld zodat het hoogst noodzakelijk was om haar naar de wachters te transporteren. Omdat de vrouw naakt was gooide hij een oude Larl–cape over haar heen en bracht haar over zijn schouders naar het paard, zodat hij de vrouw veilig naar de kazerne van de stadswacht kon brengen. Verderop in de stad waren relletjes, maar hij waagde zich daar niet in de buurt. Laat ze hun eigen strijd maar uitvechten.

Met een schok werd Torg wakker. Hij voelde iets kouds op zijn been. Toen hij opkeek zag hij dat de lucht inmiddels was betrokken en er een enkele druppel op zijn blote bast terechtkwam. Hij keek opzij en zag dat Valesca ook langzaam bezig was wakker te worden. Een lichtflits dooraderde de lucht aan de overkant van de rivier. Een paar tellen later rolde de donder over de heuvels die de stad omringden. Ze konden zien dat de andere badgasten ook bezig waren hun spullen bij elkaar te zoeken en zo vlug mogelijk een veilig heenkomen zochten. In het algemeen zijn Goreanen niet bezorgd als het een beetje regent, maar als het daarbij ook nog gaat onweren, wordt het een ander verhaal.

Snel trokken de beide jongelui hun tunieken aan en liepen, op een plaats waar de rivier zijn bedding in het omliggende land had uitgesleten, vlug een pad op dat steil naar boven liep. Toen ze boven waren en omkeken konden ze de machtige muren van het grootse Venna zien blikkeren in de schaarse overgebleven zonnestralen. Een machtige dubbele regenboog omspande de stad en gaf de beide jonge mensen zowel een gevoel van bescherming, als ook van huivering. Was het een goed voorteken? Ze wisten het niet. De rivier glinsterde maar gaf geen antwoord op hun beider vraag en in de verte konden ze de mensen als poppetjes hun snelle weg naar de stad zien maken. Op de plek waar de grote weg via de grote brug uitkwam op de Zuiderpoort, was het een enorme drukte omdat iedereen binnen de veilige muren van de stad wilde zijn, voordat het noodweer zou losbarsten.

Ze beseften ineens dat ze in hun haast de verkeerde kant op waren gelopen en dat ze nu zeker niet voor het noodweer thuis konden zijn. Maar dat deerde ze niet want ze dartelden, zonder erover na te denken, onverdroten voort langs een smalle beek verder de heuvels in, weg van de stad. Als de ruimte op het pad het toeliet liepen ze dicht naast elkaar. Ging dat niet, liepen ze zo dicht mogelijk achter elkaar aan.

De regen was inmiddels opgehouden en het onweer zette ook niet door, zodat hun tunieken inmiddels volledig waren opgedroogd. Zo nu en dan bleven ze staan om een bloem te bewonderen of om even uit te rusten of rond te kijken, het brede dal in dat tussen de dicht opeen staande Blanc’Na bomen door zo nu en dan zichtbaar was. Aan de overkant van het dal, ongeveer op de hoogte waar zij zich nu bevonden, zagen ze een goederentrein zuchtend en steunend tegen de helling op zwoegen. De spoorlijn was fonkelnieuw en liep nog niet verder dan Perla, ongeveer honderd Pasang verderop. Spoorlijnen waren er nog niet zo lang op Gor, want de conservatieve kaste bestuurders wilden er voor jaren absoluut niet aan. Maar toen de Arische Spoorwegen eenmaal hadden bewezen wat je niet allemaal kon vervoeren – mensen en goederen tegen een relatief lage prijs èn in grote hoeveelheden - werden er op veel plaatsen in hoog tempo nieuwe spoorwegen aangelegd.

De rookpluim tekende zich als een dunne vervliegende wattendeken af tegen de hellingen en tegen de altijd groene coniferen die moeite hadden zich tegen de hellingen staande te houden.

Ze liepen verder, inmiddels hand in hand. Ze zeiden niet veel want dat was niet nodig. Ze hadden elkaar gevonden en zo was het goed. Tenslotte ging de helling over in een drassige vlakte dat de uitmonding van het Thassa-dal vormde. Waarom het zo heette, midden in het land, tenminste duizend Pasang verwijderd van de dichtstbijzijnde zee, wist niemand. Maar de overlevering wilde het zo en daarom was het goed. Links wees een geraas erop dat de beek zich daar in een waterval naar beneden stortte. Ze gingen op het geluid af en lieten zich door de kleine waterdruppeltjes besproeien. Daarna sopten ze door het drassige stuk weiland en koesterden zich op een hellinkje in de laatste stralen van de ondergaande zon. In de verte hoorde ze een Larl brullen. Het was niet duidelijk waarom het dier zich zo dicht bij de bewoonde wereld waagde. Even later kregen ze deze prachtige bewoner van het woud in het vizier. De enorme zespotige katachtige vleeseter beende met zwaaiende staart tussen de bosjes door, op weg naar een onbekend doel. Het dier bevond zich wind opwaarts van het tweetal en dat was maar goed ook, want hoewel het er niet hongerig uitzag, hadden ze weinig behoefte om als avondmaal te fungeren.

Het was voor het machtige dier niet noodzakelijk om op gevaar te letten, want hij stond bovenaan in de rangorde van de voedselketen. De Goreanen plachten deze Ubar-van-het-woud met rust te laten, wand er rustte, zo had de ervaring geleerd, geen zegen op het moedwillig doden van een Larl. De initiaten, de ingewijden van de tempels – lieten niet af te benadrukken, dat deze zwarte geweldenaren niet gedood dienden te worden. De meeste Goreanen hadden echter, zonder die aanmoediging, al zoveel respect voor de natuur dat zoiets normaal niet in ze op zou komen. Behalve dat het luipaardachtige dier uiterst gevaarlijk was, bezat deze soort ook zulk een natuurlijke gratie dat het in meer dan één opzicht eeuwig zonde zou zijn zo’n prachtig dier zomaar om te brengen. Wanneer echter een boer last had van een exemplaar die er een gewoonte van maakte om zijn vee als ontbijt te gebruiken, dan werd er na verkregen toestemming van de initiaten, een jachtgroep samengesteld om de stroper in te rekenen. Het gedode dier diende dan ritueel geofferd te worden om zo de Sardar gunstig te stemmen. Voor een dergelijke toestemming lieten de initiaten zich overigens ruimschoots belonen.

Weer liepen ze verder het dal in dat steeds nauwer werd en hoger de hellingen opklom. De wanden werden steiler. Ze kwamen in een Blanc’Na bos waar het heerlijk koel en beschaduwd was na de hete en helle dag. Rechts van hen, in de diepte, liep de lawaaiige beek die zich over en tussen honderdduizend rondgeslepen rotsen een weg naar beneden zocht. Deze glinsterende beek, ontspringend in het Thassa-dal, was onderweg op haar verre tocht naar Thassa, de altijd glimmende zee. Na een ruime bocht, waar het pad naar links uitweek voor een rotsachtige insnijding, kwamen ze een vrouw en een meisje tegen die beiden grote volgeladen gevlochten manden op hun gekromde ruggen torsten.

“Tal.” – “Tal”, begroeten ze elkaar. De vrouw zei: “Jullie kunnen beter naar beneden gaan want er komt beslist opnieuw onweer. Maar Torg en Valesca wimpelden deze raadgeving af en na weer een groet liepen ze hand-in hand door in zuidelijke richting. Steeds dieper de heuvels in, steeds hoger. Het werd snel donker maar ze dachten dat het kwam omdat het bos steeds dichter werd. Maar plotseling kwam er een eind aan het bos en waren er alleen nog rotsen en wat struiken. Op dat moment werd het duidelijk dat het toch echt donker was geworden. Gelijktijdig huiverden ze en Torg zei onzeker: Ik denk toch dat het tijd wordt om maar weer terug naar de stad te gaan. Hier kunnen we niet blijven.

“Kijk”, wees Valesca die een lichtje zag blinken. “Licht!, laten we gaan kijken.” En weg was ze. Het jonge meisje rende vlug als een hinde tegen de heuvel op waarachter een schuin dak zichtbaar was. Torg volgde iets langzamer. Hij moest het eerst allemaal nog zien. Boven op de heuvel bleef Valesca, toch wel enigszins aarzelend, op hem wachten. Zwijgend keken ze naar een grote groen geïmpregneerde blokhut in Arische stijl met een aangebouwde stal die half tegen de berghelling was ingegraven. Bij een bron had een ontelbaar aantal hoefafdrukken, van wat ongetwijfeld Tabuks moesten zijn, de drassige grond in een modderpoel omgetoverd. Het geheel lag in een plaatselijke verwijding van het dal en in de verte kon je de bellen horen van enkele grazende Kailiauks. Rondom tekenden de heuveltoppen zich af tegen de donkere lucht die zich boorden in de inmiddels laaghangende bewolking die zich als een dak boven dit alles scheen uit te strekken.

Plots begon het weer te regenen. Eerst een paar druppels maar al snel gutste het bij bakken loodrecht naar beneden en ze konden het licht niet meer zien. Ze renden de korte helling af naar een kleine deur die op een kier stond en stormden naar binnen. Daar heerste een aangename geur van voedsel dat werd bereid. Een man keek op. Hij was bezig bonen in een grote roodkoperen pan te scheppen die aan een driepoot boven een laaiend vuur was gehangen. Heerlijke geuren omkringelden hun neusgaten en ze merkten dat ze een reuze honger hadden gekregen. Gelach en muziek klonk van ergens binnen in het lage gebouw.

De man die zich als Holdus voorstelde noodde het tweetal binnen in het Atrim, de publieke ruimte die elders in het gebouw was gevestigd. Ze waren kennelijk niet door de hoofdingang naar binnen gekomen. Een groot aantal personen was er rond het haardvuur verzameld. Na enkele blikken van verstandhouding werden ze welkom geheten door een in een archaïsch kostuum gestoken jongedame die hun een houten nap met wijn aanbood. Toen ze beter keken zagen ze dat alle aanwezigen in oude kostuums waren gestoken. Hier was blijkbaar een feest aan de gang en desgevraagd vertelde de gastvrouw, Thisbe, hun dat het hier inderdaad een feestavond van de schutterij van Venna betrof, maar dat ze hoe dan ook welkom waren. Toevallige passanten waren altijd welkom. Oude kostuums uit Ko-ro-ba, waren er in overvloed zodat het geen moeite kostte om hun doorweekte kleren in te ruilen voor comfortabele lakense tunieken van ouderwetse snit.

Het werd een prima avond waaraan hartelijk door iedereen werd deelgenomen. Ze maakten vele vrienden. De muziek, de bediening door in luchtige kleding gestoken jonge maagden, de gasten, kortom het werd een avond om nooit te vergeten. Het voedsel werd geserveerd op ronde houten schalen. Het bestek bestond uit een Matus, een dolkmes. Vingerkommen en handdoeken zorgde voor de soms meer dan noodzakelijke schoonmaak.

Een Skald, Prensius Tabore, afkomstig van het eiland van die naam speelde hartverwarmend op zijn vele instrumenten. Veel later werd de wijn niet meer in nappen geschonken maar werd door de maagden van een afstand door middel van een bota rechtstreeks in de dorstige kelen gegoten. Valesca leek niet meer bij te komen van het lachen.

Zoals aan alles kwam ook hieraan, na een uitgebreide toegift van de musicus, een eind. Alle gasten werden in een ruime kamers ondergebracht om de nacht door te brengen. Maar van slapen kwam niet veel. Er stak opnieuw een enorm onweer op dat door de bergen duizendvoudig werd weerkaatst. Gedurende meer dan een Ahn hield het noodweer aan. Staande op een balkon, onder een afdak en dus beschut voor regen en wind keken ze hand in hand hun ogen uit naar dit magnifieke schouwspel. Toen het noodweer eindelijk versaagde fladderden een groot aantal Varts rond het huis. Zoiets was in de stad ondenkbaar. De Larl waarmee zij eerder kennis hadden gemaakt liet zich weer horen. Beiden huiverden ze bij de gedachte aan hun eerdere ontmoeting, eerder die dag…

~*~*~*~

Beknopte woordenlijst
(In de Goreaanse taal worden zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter geschreven).

Ahn – De Goreaanse dag bestaat uit 20 uren, onderverdeeld in 40 ‘Ehn’, minuten.
Ar – De grootste stad en economische en sociale hoofdstad van het ‘bekende’ Gor.
Blanc’Na – berk.
Brod – bier.
Can-ti-na – Restaurant.
Cilinder – Ronde cilindervormige woon- of werktoren. Meestal worden de woorden ‘Dom’, of ‘Isola’ gebruikt voor een woontoren. Werktorens worden aangeduid met het woord: La-borus, wat ook ‘werker of arbeider betekent.
Dzig – Zwaan.
Gor – Gor is ruime zin de naam van de planeet waarop dit verhaal zich afspeelt. In engere zin is het Gor, de thuissteen, een meestal cirkelvormige platte steen die de ziel van iedere woonplaats, stad, dorp op alleenstaande hoeve uitmaakt. De thuissteen wordt steeds tot het uiterste bewaakt en beschermd.
Hort – Goreaanse lengtemaat. 1 hort = 3,175 m.
Isola – Cilindervormige woontoren waar op elke verdieping verscheidene families wonen.
Kaissa – Goreaans schaakspel met 100 rode en gele velden en 20 stukken per speler.
Kaiila – Groot vleesetend zoogdier met een lange nek en een zijdeachtige pels.
Kailiauk – gedrongen herkauwer, taankleurig met bruine en rode vlekken op de flanken. Een Kailiauk heeft 3 hoorns en is ca 2 tot 2,5 meter hoog bij de schoften.
Ka-la-na – 1) Een hoge boom van sterk geel hout; de vaak kaarsrechte takken worden ondermeer gebruikt om strijdbogen van te maken. 2) Sterke droge witte of rode wijn, gemaakt van het fruit van de jonge Ka-la-na boom.
Ko-ro-ba – Na Ar de oudste stad op Gor. Er wordt vaak aan gerefereerd als aan de: ‘Torens van de Dageraad.’
Kustos – Wachtpost.
la – Eerste persoon enkelvoud vrouwelijk; lo – Eerste persoon enkelvoud mannelijk.
Larl – Katachtig roodachtig of zwart zoogdier met zwarte manen. Lijkt op een luipaard.
Pasang – Lengtemaat. Eén Pasang correspondeert met 0,7 mijl of ongeveer 1 kilometer.
Sardar - De buitenaardse ‘Priester-Koningen’, waren grote ca 2,5 meter lange intelligente insecten die tot ca 10 jaar geleden beschouwd werden als de ware heersers over Gor. Deze soort heeft inmiddels de planeet verlaten.
Sul – Stevige, goudbruine druifachtige vrucht, ongeveer zo groot als een grape-fruit.
Tabuk – Gele antilope met een enkele hoorn.
tal – Goreaanse begroeting; vaak vergezeld van een saluut door het binnenwaarts heffen van de rechterhand naar schouderhoogte.
Tarn – Gekuifde, havikachtige vogel, groot genoeg om te berijden. Werd tot voor kort gebruikt in de Goreaanse legers. Tegenwoordig alleen nog maar in de beroemde tarnraces.
Talu – Goreaans gewicht, ongeveer overeenkomend met honderd gram.
Tharlarion – Eén van diverse types grote vleesetende reptielen, waarvan er verscheidene zijn gedomesticeerd. Ooit werden de zogenoemde Tharlarion koetsen door deze woeste dieren voortgetrokken; tegenwoordig gebeurt dat door van de aarde geïmporteerde paarden.
Thassa – de zee, oceaan.
Tur – Een boomsoort met een roodachtige brede stam.
Turia – Grote zelfstandige Polis in het diepe zuiden.
Venna – De stadstaat Venna was eeuwenlang onderhorig aan Ar, maar doordat deze stad politiek was verzwakt lukte het Venna uiteindelijk de onafhankelijkheid uit te roepen.
Ubar – Oorlogsleider.
Vart – vleermuis.
Viktel – Straatweg. De Viktel Voskis is de hoofdweg van Venna naar Lara aan de rivier de Vosk. Met Viktel Aria wordt de hoofdweg naar Ar aangeduid. Viktel betekent ook overwinning.
Vosk – In het algemeen is Vosk de benaming voor rivier. In engere zin wordt met ‘de’ Vosk, de grootste rivier op Gord genoemd die de levensader is voor de Goreaanse economie.