Extraterrestrial Written with Love Stories

 

Sunset

Sunset

Reïncarnatieverhalen; Verslagen, gegeven door Kareem van Altaïr en beschreven door:

Martin Pleiades

Tales of reincarnation; Tidings, given by Kareem of Altair, written down by:

Martin Pleiades


 

 

Introductie

I - Afvallige zielen - 1672

II - Legende van de oude molen - 1834

Introduction

I - Renegade souls - 1672

II - Legend of the old mill - 1834


Introductie

Een paarsachtige regenbui stroomt neer op de aarde, een hemelse kracht in staat om alle harten die openstaan voor een duidelijke maar ook simpele waarheid te reinigen. Al die zielen, iedere individuele druppel van purper vocht draagt eenzelfde essentie als alle anderen, aangezien alle druppels hun oorsprong vinden in diezelfde bron. Een plaats die sommigen de Hemel zouden noemen, het rijk der wonderen. Echter, terwijl de essentie van de regen de straten vult, zullen ze een nat en sober tafereel vormen. Wanneer de temperaturen zich ergens onder het vriespunt bevinden zal het water op de wegen bevriezen. Alle ontstane waterpoelen transformeren zodoende in een ijzige massa. Een ongemakkelijke situatie zal ontstaan. Dat wil zeggen…, totdat de Zon opnieuw zal schijnen. Haar tedere stralen zullen het ijs doen smelten en alle nattigheid zal ten langen leste verdampen. Probleem opgelost zou je kunnen zeggen.

Maar voorafgaand aan de manifestatie van jullie mooie Zonnewereld was de omgeving door een geheel ander scenario gedomineerd. Maar uiteindelijk is iedere waterdruppel in zijn geheel opgelost. Houdt dit dan werkelijk in dat hiermee hun bestaan definitief ten einde is gekomen? Nou, ik zou zeggen dat dit simpelweg niet het geval kan zijn, nooit. In tegenstelling tot alle andere levende zielen zullen ook zij uiteindelijk terugkeren, wellicht nog eens als de zuivere aanwezigheid van een regendruppel, of ditmaal misschien, in de trotse vorm van een minuscule gekristalliseerde sneeuwvlok. Hoe dan ook, de ziel zal evolueren en te allen tijde terugkeren voor een ander optreden. De schepping zelf kan immers nimmer verloren gaan.

Dit feit moedigt mij aan om een aantal reïncarnatie ervaringen van mijzelf te delen. Hoewel ik op dit punt het rad van noodzakelijke menselijke incarnaties al ben overstegen, kan het nog altijd lonend zijn om enkele van mijn levensverhalen te openbaren. Daarom zal ik, als universele ziel van Altaïr met de onmiskenbare naam Kareem, aan de tamelijk onopvallende verschijning Martin Pleiades, alle avonturen overdragen die ik gaarne zou willen en kunnen onthullen. Mettertijd, zodra zijn drukke werkschema het toestaat zal hij ze subtiel beschrijven, verdeeld in specifieke hoofdstukken. Niettemin heeft hij me expliciet verzocht om hèm geheel buiten beschouwing te laten. “Nee, mijn vriend, dit draait uitsluitend om jou. Nu is het jouw tijd om te stralen, ga rustig achterover zitten, voorzie me van je kennis, en geniet van de gelegenheid”, waren zijn nuchtere woorden.

Welnu, hier ben ik dan, op het punt om het briljante licht van mijn waarheid te delen. Maar toch, gezien het feit dat tijd op zichzelf niets minder symboliseert dan een tamelijk rekbaar begrip, zullen de verhalen niet in enige chronologische volgorde worden aangereikt. In plaats daarvan zal het op een meer spontane wijze gaan gebeuren. Dus, dames en heren, neem een zetel, zet u schrap voor verassingen en geniet van de show.

Eén van die zielen, maar ook je vriend, Kareem van Altaïr.

terug


Hoofdstuk 1: Afvallige zielen - 1672

Obar Dheathain, of Aberdeen zoals het tegenwoordig heet, een rijke stad in het noordoostelijke deel van Schotland in de winter van het jaar 1672. Hier leefde ik het leven van een jonge man, bekend onder de naam Ian McCullan. Omdat ik het enige kind was van een behoeftige, zelfs berooide familie, was mijn leven niet iets om trots op te zijn. Ik was een ongeletterde ziel, met gebrek aan enige vorm van goed onderwijs, die probeerde zijn krachteloze vader te helpen door in diens kruidenierswinkel te werken. Het leek de enige realiteit van het dagelijkse leven. Na zulke dagen met fatsoenlijk toezicht, voorzag hij me altijd van wat zakgeld. ''Je hebt het verdiend zoon, besteedt het goed, maar zeg niets tegen je moeder.'' Dit is wat hij gewoonlijk zei, met een gebelgde glimlach op zijn gezicht. Maar, zoals dat van een jonge kerel met weinig of geen ambitie verwacht wordt, werden die kleine emolumenten meestal doorgebracht in een van de diverse beruchte bars, in de buurt van de haven. Ondanks de routine levensstijl, vlogen de maanden vrij snel voorbij.

Dat duurde totdat ergens in september een nieuw tijdperk aanbrak. Het gebeurde terwijl ik met een grote kruik bier opnieuw een sombere periode gevuld met zware arbeid en veel financiële zorgen aan het afsluiten was. Op dat moment benaderde me vrij onverwacht een zwaarlijvig figuur met een flamboyant ooglapje. ''Ha, mijn ene oog liegt nooit wanneer het een verarmde ziel opmerkt met een onherroepelijke behoefte, een ziel verlangend naar avontuur. Mijn vrienden noemen me Randall de dealer. (Een voormalige incarnatie van mijn lieve vriend, Charles Wilson.) Maar, begrijp me niet verkeerd, ik ben een eerlijk koopman die de zeven zeeën bereisd om de meest waardevolle goederen te leveren aan de bevolking van Schotland. Goud, specerijen, gereedschappen, ja zelfs meubels. Zolang je het kan benoemen, kan ik zekerlijk leveren.'' Ik keek naar zijn ene oog, en vroeg hem nieuwsgierig wat dat met mij te maken had. Daarop antwoordde hij: “Wel vriend, om alle verschillende taken op zee uit te kunnen voeren, kan ik absoluut een paar extra handen van een gewillige leerling gebruiken.” En met een plechtig gezicht: “Verkond het mij: zijt gij in?''

Omdat er niets te verliezen was, bezweek ik uiteindelijk na het bespreken van een aantal mogelijke voor- en nadelen. Randall beloofde me een prachtige beloning zodra we terug in Aberdeen waren, een honorarium voldoende om mijn ouders voor een langere periode te ondersteunen. Met dat gegeven stevig in het achterhoofd ging ik naar huis, pakte wat spullen en liet voor mijn ouders een korte notitie achter. Toen ik het huis verliet waren ze allebei diep in slaap.

~*~*~*~

Het was op een koude en sobere zondagochtend waarop nieuwe avonturen deel van mijn leven zouden gaan uitmaken. Een vreemd gevoel van gerechtvaardigde opwinding, maar ook een besef van onvervalste trots waren emoties die ik nog nooit eerder had gevoeld. Nieuwe golven van frisse energie klopten aan mijn deur. Hoewel ik een beetje aangeschoten was van alle drank die ik de vorige avond had geconsumeerd, was het duidelijk dat het leven naar me glimlachte. Er kon niets misgaan, toch?

In de haven stond Randall me al op te wachten. “Ah, daar is de verloren zoon. Wees niet bang om mij te volgen jongeman, alles zal goed komen,'' zei hij met een grijns. Vervolgens maakten we een lange wandeling naar de andere kant van de haven en toen we uiteindelijk de ligplaats van zijn schip hadden bereikt, wees hij meteen in de richting van een eng boegbeeld, de beeltenis van een boze godin. ''Maak kennis met Mary Madeline, vriend. Je ware thuis voor de komende maanden.''

De contouren van een mysterieuze houten kolos, gedekt door de schemering en subtiele mistslierten benamen me onmiddellijk de adem. Toch was er geen tijd om de verschijning van iets dat zo griezelig was fatsoenlijk bij me binnen te laten komen. ''Is ze niet mooi?,'' vroeg Randall trots. Ik deed alsof ik het met hem eens was en uiteindelijk gingen we aan boord.

De volgende dagen op open zee verliepen tergend traag omdat het enige karwei dat mij werd toevertrouwd het schrobben van het dek was. Keer op keer. De bemanning bestond uit een aantal norse individuen, niet bereid om op welke manier dan ook te socialiseren. Ten aanzien van de kapitein zelf, meneer Randall, hij bracht het grootste deel van zijn dagen door met zijn favoriete metgezel, een fles rum, zodat hij bijna altijd dronken was. Nee, tot nu toe was er niets avontuurlijks aan deze ongelofelijk saaie reis. Ik bleef maar schrobben tot mijn vingers bloedden en was bang dat er op korte termijn niets zou veranderen. Maar wanneer ik deze incarnatie achteraf in ogenschouw neem, is alles wat ik mezelf kan vragen: ‘Hoe anders kan het lopen.’

Niet veel later werd mijn aandacht gevestigd op een ander schip ergens in de verte, want ik hoorde de matroos in het kraaiennest, gewapend met een lange afstand telescoop, luidkeels schreeuwen: "Schip Ahoi!" We wendden de steven in die richting en de reden waarom zou al snel blijken. Toen we dichtbij genoeg waren, toverden de mannen een aantal verborgen wapens te voorschijn, enterden het andere schip op gruwelijk wijze, doodden een aantal van de andere bemanningsleden en plunderden alles wat los en vast zat. Niet wetende wat te doen, vluchtte ik benedendeks. Ja, mijn jonge ogen werden, op klaarlichte dag, blootgesteld aan een gruwelijke gebeurtenis. Hoe dan ook, ik was terechtgekomen in een harteloze troep kwaadaardige piraten, in plaats van een bedrijf van hardwerkende ondernemers. En nee, het zou niet de laatste keer zijn dat een dergelijke overval plaatsvond.

Gedurende de volgende dagen en weken werd een enorme hoeveelheid nutteloos bloed verspild, terwijl de niet te stuiten begeerte en hebzucht ongebreidelde krachten teweegbracht. Tijdens elke rooftocht, sloot ik me op in mijn hut, ging op mijn knieën en begon hard te huilen en te bidden voor duurzame vrede. Ondanks dat ik me in de greep bevond van een schijnbaar eindeloos moeras van ontbering en wanhoop, leek het eindelijk alsof mijn gebeden werden verhoord. Na een zware periode op zee, kwamen we eindelijk aan in de Ierse haven van Baile Átha Cliath, Dublin. Hier zou ik de liefde van mijn leven, Cathy Ann ontmoeten die gedurende het huidige leven bekend staat als Ana Catharina. Zie: http://www.runningfox.nl/chapter.html). Captain Randall verleende zijn toestemming om de stad te bezoeken voor zo lang en vaak als ik zou willen, onder één dwingende voorwaarde. ''Waag het niet om over onze ware motieven te praten. Gij zijt gewaarschuwd!''

Wat kan ik zeggen over het ware voorrecht van de ontmoeting met een prachtige jonge vrouw? Wat een zondagskind was ik om, als een onbedorven ziel haar aanwezigheid te mogen aanschouwen, liefdevol verlicht door de rustgevende stralen van de zon op een mooie vrijdagochtend. Nadat ik had besloten om in St. James’ Green mijn benen te strekken, alleen maar om een deel van de stress veroorzaakt door deze ongelukkige omstandigheden los te kunnen laten, duurde het niet lang voordat ik tot het besef kwam dat dit rendez-vous had plaatsgevonden op een door ons beider intuïties gekozen locatie.

Op hetzelfde moment dat ik haar op dat bankje zag zitten, zag ik dat ze in haar linkerhand een kleine muziekdoos vasthield die een Keltisch lied speelde. Aanvankelijk leek het gewoon iets onschuldigs, maar even later schrok ik van mezelf terwijl ik op goed geluk tegen haar zei: "Ik ken dat wijsje.” (Wat een spontaan verzinsel was.) Maar haar aandacht was getrokken. Ze keek op en verleende me een goedhartige glimlach, iets wat veel verder ging dan ik kon bevatten. Een creatie voortgebracht door de oneindigheid van de hemel? Ik had op dat moment natuurlijk geen idee. Niettegenstaande de grootsheid van de hele gebeurtenis was er slechts het voorrecht van een speculatie.

Even later nodigde ze me uit om op de lege plek naast haar plaats te nemen. Terwijl we in een diep gesprek verwikkeld raakten, ontdekten we dat we een verbinding deelden met wortels dieper dan we in staat waren te doorgronden. Hoewel we niets over de betekenis van een spirituele verbinding begrepen, werden we acuut verliefd op elkaar. Veel later, als aanvullende vanzelfsprekendheid, vroeg ze me opgewekt om haar te begeleiden naar haar bescheiden woning, waar ze helemaal in haar eentje leefde. Met een onverbloemde glimlach in mijn hart stemde ik toe. Vanaf dat moment klopte ik natuurlijk vele malen aan bij deze verfijnde dame, waarvan ik het in ieder geval betreurenswaardig vond dat deze zachtmoedige ziel, als gevolg van een ernstig ongeval, het zonder de onmisbare liefde van haar ouders moest stellen. Maar dit opmerkelijk stuk informatie zorgde er wel voor dat ik een heel natuurlijke gelofte kon maken: ‘Voor zo lang als ik zou leven, zal ze nooit meer eenzaam zijn!’

Een paar dagen later, tijdens het verkennen van de diepten van het onderbewustzijn, was ik in staat om me een nogal belangrijke herinnering voor de geest te halen. Te midden van een aantal vreemd geklede mannen en vrouwen kreeg ik een andere verschijning van Cathy Ann te zien. In werkelijkheid, maar ik realiseerde het me toen niet, illustreerde het niets minder dan een beeld van ons toekomstige zelf aan boord van een groot ruimteschip. Destijds voelde het gewoon aan als een visioen dat ik niet in staat was te doorgronden, laat staan ontcijferen. Sommigen zouden het waarschijnlijk gewoon een dagdroom noemen.

Hoewel, wanneer ik terugkeer naar mijn verhaal, kunt u begrijpen dat de voorwaarden van kapitein Randall getransformeerd waren in beloften die onmogelijk waargemaakt konden worden. Terwijl onze liefde steeds sterker werd verdiepte de band met mijn mooie Cathy Ann met de dag. Uiteindelijk had ze het hele verhaal gehoord, maar tegenstrijdig als het lijkt voor een onschuldig meisje als zij, besloot ze desondanks dat ze me nooit meer zou verlaten.

Inderdaad sloot ze zich bij mij aan en net voordat we twee weken later uit Dublin vertrokken smokkelde ik haar aan boord van de Mary Madeline. Ik verborg haar met minutieuze precisie in een lege dekenkist naast mijn kooi, want geen van de andere bemanningsleden mocht haar zien. Niet alleen zou de kapitein, vanwege de gebroken belofte, lucht krijgen van een onvergeeflijk verraad, de bijgelovige piraten geloofden zeker ook dat vrouwelijk gezelschap aan boord van een schip niets minder dan tonnen tegenspoed zou inhouden.

De momenten midden in de nacht, als alle bemanningsleden als kleine baby's sliepen als gevolg van de rum in hun buiken, bleken leerzame tijden te zijn voor onze stiekeme romantiek. Op die vreugdevolle momenten, vooral wanneer de hemel onbewolkt was, smokkelde ik Cathy Ann zorgvuldig naar het bovendek, vooral om over de vele sterren te filosoferen. ''Liefste, geloof me, op een dag zullen de sterren van ons zijn, op die dag zullen we vrij zijn,'' placht ik dan tegen haar te zeggen.

Tot het moment dat kapitein Randall de aanwezigheid van mijn meisje opmerkte tijdens een onverwachte nachtwacht geloofde ik echt in deze naïeve gedachtegang. De barbaarse matrozen werden vrijwel onmiddellijk geroepen. En zodra ze zich allemaal verzameld hadden, werden we geboeid met een dik touw. Vervolgens, na een kort beraad en gemanipuleerd door de scherpe rand van een mes die in onze rug boorde, hoorden we uiteindelijk het meedogenloze vonnis. De kapitein zelf wilde dat we op een lang stuk hout zouden klimmen, dat diende als geïmproviseerde loopplank. Het was kort daarvoor over het gangboord vastgemaakt. Plotseling, stonden we daar, klaar om voedsel te worden van vele hongerige haaien. Onze tijd samen was voorbij, of zo dachten we erover.

Want, op hetzelfde moment, werden meerdere schoten afgevuurd vanuit een tot dan onopgemerkt militair schip. De romp van de Mary Madeline werd door meerdere kanonskogels geraakt en samen met alle opvarenden, zonk het bijna ogenblikkelijk naar de bodem van de zee. Ik kan me nog steeds Cathy Ann’s glimlach voor de geest halen terwijl we elkaars hand vasthielden. Terwijl een woeste stroom van woedend water onze longen met de snelheid van een denderende sneltrein vulde, voelden we in ons hart niets anders dan ultiem geluk, omdat we beiden beseften dat we eindelijk vrij waren. Nadat de kracht van de natuur haar werk opmerkelijk goed had gedaan, wandelden we door een gouden poort als onafscheidelijke zielen, naar een plek die sommigen zullen herkennen als het koninkrijk der hemelen. Sterker nog, het onvermijdelijke fenomeen van de fysieke dood was niet sterk genoeg om onze diepe intieme liefde te scheiden. En ja, wat een reis was het.

~*~*~*~

Beste lezer, tot zover dit zeer specifieke leven, een avontuur met een waardevolle les waarin ik, Kareem van Altaïr, duidelijk leerde hoe je een andere ziel onvoorwaardelijk kunt liefhebben. Zelfs tot op het punt dat ik mijn eigen leven zou riskeren, gewoon om wat tijd met een geliefde te delen. Inderdaad, een authentiek geschenk.

 

Beleef vrede, wandel in liefde en laat vreugde u op een natuurlijke manier betoveren. Fijne dag en vele zegeningen ...

terug


Hoofdstuk 2: De legende van de oude molen - 1834

Verward en duidelijk overrompeld door wat er was gebeurd, keek ze wat paniekerig om zich heen. Ze vroeg zich af; hoe had dit nu toch kunnen gebeuren? Het voelde allemaal zo ver weg, maar toch ook zo gruwelijk dichtbij. Een klein straaltje zonlicht scheen door het plafond, het gapende gat waar ze zojuist doorheen was gevallen. Het leek haar maar weinig troost te bieden. Daar lag ze dan, ergens middenin een donkere kille ruimte. Een grote buil onder haar dikke haar, ergens aan de achterzijde van haar gezicht, betekende slechts een nog groter ongemak. Terwijl ze met haar linkerhand voorzichtig de schade trachtte in te schatten, hoorde ze vaag de stemmen van haar twee jongere broertjes, ergens boven haar. Hoewel ze echt wel de drang voelde om om hulp te willen roepen, al was het maar als uiting van angst, kon ze het op de een of andere manier gewoon niet opbrengen. De val had simpelweg teveel van haar energie gevergd. Haar huid voelde klam aan en uiterst bezweet terwijl een weerzinwekkend gevoel van misselijkheid haar volledig in zijn macht leek te hebben. Het duurde dan ook niet lang voordat zij zichzelf, overweldigd door een onregelmatige ademhaling, alsmaar lichter en lichter voelde worden, tot op het punt dat ze uiteindelijk het bewustzijn zou gaan verliezen. De schok was haar duidelijk teveel geworden en langzaam zakte ze weg.

Toch opende ze even later haar ogen. Angstig en verward vroeg ze zich af waar ze zich in ’s hemelsnaam bevond en wat er zojuist was voorgevallen. De zeurende pijn aan haar achterhoofd was nog altijd niet verdwenen. Maar tegenstrijdig als het soms kon zijn, was dat gelijktijdig in staat om haar een vriendendienst te verlenen. Het vormde immers de ultieme herinnering aan het feit dat ze even geleden omlaag was gevallen. Ze keek omhoog, het sprankje daglicht van eerder leek te zijn verdwenen. De ruimte waarin ze zich bevond leek nu donkerder te zijn dan eerst. Wat betreft de stemmen, ook die waren verdwenen. Dus wat nu? Ze bevond zich, moederziel alleen, in een donkere ruimte, een plaats waar het volgens de dorpslegenden weleens zou kunnen spoken. Uiteraard was ze hiervan op de hoogte, en dat was zowel voor haar als voor haar broertjes precies de reden geweest om juist hier in de buurt te gaan spelen. Het avontuur lonkte, daar bij de oude molen achter de begraafplaats, hoewel dat zeker geen plek voor kinderen was.

Wanhopig strompelde ze overeind, niet wetend of ze nu banger moest zijn voor de reactie van haar strenggelovige nogal conservatieve ouders die haar met klem hadden verboden om op deze plek te gaan spelen, of dat angst voor de mogelijke waarheid van een naargeestige legende meer op zijn plaats zou zijn. Hoe dan ook wist ze dat, als ze hier ooit uit zou komen, de scheuren aan de door haar moeder zelfgenaaide jurk, haar slechte gedrag zeker zouden verraden. Bang als ze was raapte ze desondanks al haar moed bij elkaar en besloot de fysieke ruimte om zich heen nader te gaan verkennen. Maar alsof ze nog niet diep genoeg in de nesten zat, kwam ze op dat moment tot het besef dat haar schoenen eerder die dag al waren ontvreemd. Eén van de plaaggeesten uit haar schoolklas, die haar altijd al als een excentriek meisje had beschouwd, had ze tijdens een spelletje verstoppertje van haar afgenomen. Terwijl ze volledig toegewijd haar opdracht uitvoerde om gehurkt, met haar gezicht naar de oude boom gericht, van één tot en met honderd telde, had ze dat echt niet doorgehad. Ze kon zich zijn plagerige gelaatstrekken herinneren van het moment dat ze klaar was met tellen. Zonder er verder bij na te denken had hij het schoeisel met een grote zwieper zo maar in de sloot geworpen, om vervolgens lachend weg te rennen. Dus nu, tot overmaat van ramp, voelde ze van alles krioelen langs haar blote voeten. Waren het wellicht wormen, muizen of misschien toch wat anders? Nou ja, het naadje van de kous willen weten maakte ook niet gelukkig. Nog nooit eerder had ze de waarheid van een spreekwoord zo ter harte willen nemen.

~*~*~*~

Het voorgaande beschrijft een ongelukkige dag uit het leven van een achttienjarige jonge vrouw, een lieftallige verschijning met lang donkerbruin gekruld haar en grote diepblauwe ogen, gezegend met de sprookjesachtige naam Mathilde. Deze gebeurtenis neemt ons mee terug tot halverwege het jaar 1834, naar één van de talloze dorpjes in het noordoosten van de Nederlandse provincie Groningen. Met haar twee jongere broertjes, en een wat ouder gehandicapt zusje, leidde ze nu niet bepaald het doorsnee zorgeloze leventje dat je haar allicht zou gunnen. Haar vader, overdag werkzaam als timmerman, was noodzakelijkerwijs de enige kostwinner, terwijl haar moeder alles deed wat ze kon om het huishouden draaiende te houden.

Onnodig te vermelden dat van Mathilde, als het verstandige meisje met het hart op de goede plaats, vele malen meer dan slechts het broodnodige werd verwacht. Naast de gebruikelijke zorg voor haar broertjes en zusje waren er verder nog de veeleisende kerkdiensten op zondag, en natuurlijk de lessen op school die ze zo goed als ze kon probeerde te volgen. Als één van de oudere leerlingen had ze dan ook het voorrecht om de leraar te mogen assisteren tijdens zijn veelzijdige lessen. Hoewel ze zich te allen tijde vasthield aan het idee dat ze dit soort opdrachten met absolute passie wilde vervullen, had ze ook nog een geheel andere kant.

Op zaterdagmiddagen, zoals op deze, schonken haar ouders haar altijd de vrijheid om het sobere muffe huisje waar ze met zijn allen moesten wonen voor korte tijd te ontvluchten. Wel werd er van haar verwacht dat ze tijdens dergelijke gelegenheden altijd haar twee broertjes volledig op sleeptouw zou nemen. Zonder zich verder af te vragen wie nu wie een dienst bewees, deed ze dat maar al te graag. Vaak kwamen ze dan op deze bijzonder sinistere plaats terecht, de oude verlaten molen aan de rand van het dorp.

Ondanks de strenge veelal ernstige waarschuwingen van haar ouders en zelfs van dorpsgenoten, ging ze juist vaak naar deze plaats om daar samen met haar broertjes verstoppertje te spelen. Alles onder de strenge voorwaarde dat ze hun mond erover zouden houden. Dat deden ze en zonder het verder al te serieus te nemen, vonden ze het minstens net zo spannend als hun oudere zus. Alleen had er zich vandaag iets heel vervelends voorgedaan, iets waardoor de diepere geheimen van een tienermeisje weleens aan het licht zouden kunnen komen. Geheimen die voor velen, met name gezien het tijdperk waarin het zich voordeed, een absoluut taboe zouden betekenen.

Op een bewust niveau had Mathilde altijd al geweten dat ze een gave van mediamieke aard bezat. Voor haar was het immers gewoon om menselijke schimmen waar te nemen op de begraafplaats, maar zeker ook op andere plaatsen waar ze zich bevond. Gedurende meerdere, nogal levendige dromen, was haar verteld dat ze er beter niet over zou moeten spreken. Er werd haar slechts gezegd dat hetgeen ze waarnam niets anders was dan zielen die blijkbaar waren blijven steken tussen het rijk der levenden en het koninkrijk van de zogenaamde dood. Voor een persoonlijkheid als Mathilde was het natuurlijk onvermijdelijk om al snel tot de conclusie te komen dat ook zij, evenals iedereen om haar heen, in werkelijkheid niets anders dan eenzelfde soort zielen waren. Als mens noodzakelijkerwijs voorzien van een vleselijk lichaam. Eilandjes van bewustzijn, zoals ze het in haar gedachten altijd noemde. Aangezien haar gedachtegang niet bepaald strookte met de vele dogma’s onderwezen door de plaatselijke kerk, was ze zich pijnlijk bewust van het feit dat haar gave haar eerder zou afschilderen als potentiële ketter in plaats van een dappere pionier.

Maar vorig jaar, laat op een middag, tijdens het vegen van de schoolbibliotheek had een bepaald boek haar volledige aandacht weten te trekken. Ineens lag het daar, op de houten vloer, recht voor haar neus. Een boek dat de veelbelovende titel droeg: Journey of the soul. Zorgvuldig had ze het afgestoft en begon er wat in te bladeren. Natuurlijk was het lezen van de Engelse taal voor een goed opgeleide jongedame als Mathilde geen enkel probleem. Ze had het zich in de loop van haar korte leventje al aardig meester weten te maken. Echter na het omslaan van de eerste paar pagina’s voelde ze achter haar rug duidelijk de aanwezigheid van haar leraar: “Nee Mathilde, dit is geen fijn boek om te lezen. De inhoud is van een duivelse aard. Ik denk dat je, om verdere problemen te voorkomen, het maar beter terug kunt leggen.” Ze knikte en zonder verdere vragen deed ze op het eerste gezicht netjes wat er van haar gevraagd werd. Ze had het keurig op een van de vele planken teruggeschoven. Toch had ze de rug van het boek opzettelijk wat laten uitsteken, zodat ze het later gemakkelijk zou kunnen terugvinden. Aan het begin van de avond, vlak voor het naar huis gaan, had ze het stiekem onder haar kleren mee weten te smokkelen. Ten slotte, na het meerdermalen gelezen te hebben, lag het nog altijd veilig opgeslagen onder haar matras, klaar om haar te blijven inspireren.

Juist deze ene gedachte spookte nu voordurend door haar geest, iets wat ze niet kon bevatten. Ze wist alleen maar dat ze op dit moment vastzat, opgesloten in een ruimte waar ze ondanks haar bijzondere gave, echt niet in haar eentje zou willen vertoeven. Radeloos voelde ze dat een golf van vertwijfeling haar geleidelijk trachtte te verzwelgen.

Wat later had de tijd haar grip volledig verloren. Sensaties van eenzaamheid en uiterste vervreemding van wat eens haar normale leventje was, maakten op subtiele wijze plaats voor het ultieme overlevingsinstinct. Luidkeels trachtte ze de aandacht te trekken van de buitenwereld, de realiteit die zich boven haar hoofd manifesteerde. Nog nooit had ze er zo naar verlangd. Angstig roepend werd ze uiteindelijk een vaag licht gewaar; het kwam langzaam naderbij. Zouden haar wanhopige pogingen dan toch worden beloond? Een mannelijke stem, in de verte, verzekerde haar dat ze niet bang hoefde te zijn. “Redding is nabij,” heette het steeds.

Intussen werd de lichtbundel meer en meer verblindend. Totdat Mathilde ten langen leste kon zien dat de bron zich in een oude olielamp bevond. De contouren van een oude man manifesteerden zich geleidelijk. Hij kroop door de modderige aarde, in de richting van Mathilde, en bleef dat ene zinnetje alsmaar herhalen. “Wees niet bang, redding is nabij.” Angstig wachtte ze af, de woorden uitbrengend: “b..., bent u de geest van de oude molenaar?” De man, nu recht tegenover haar, begon hierop duidelijk geamuseerd te glimlachen. “Maar jonge dame..., zie ik er dan werkelijk zo angstaanjagend uit? Neen, ik bewoon inderdaad de molen, maar ben allesbehalve een of andere enge geest. Kom, ik neem je mee naar boven en zal je de enige echte waarheid tonen.”

En zo gebeurde het. De mysterieuze, maar op het oog welwillende verschijning, loodste haar op eigenzinnige wijze mee naar boven en nam haar vervolgens mee de beruchte molen in, de plaats die door velen werd gevreesd. Eenmaal binnen verzocht hij haar plaats te nemen. Hij zou ondertussen een sterke kop koffie zetten. Mathilde deed precies zoals hij had gevraagd en eigende zich al spoedig een comfortabele zetel toe. Een bijzondere ontlading overviel haar terwijl ze rustig het knisperen van het gezellige haardvuur in zich opnam. Het interieur van deze plaats voelde beslist niet zo eng of negatief aan als ze had verwacht. Integendeel, het voelde eerder gemoedelijk en in sommige opzichten zelfs sereen aan. Zo vond ze onder andere de moed, alle gedachten rustig te laten varen. Deze plek leende zich er gewoon voor. Iets dat ze, tot op dat ogenblik, niet zomaar had kunnen verklaren.

Na een klein kwartiertje was de oude man teruggekeerd met een pot hete koffie, melk en suiker plus twee oubollige kopjes. Maar toen hij voor een tweede maal richting zijn knusse keukentje liep, keerde hij terug met iets geheel anders. ‘Herken je deze nog?’ vroeg hij haar met een lach. “H... hoe is dat mogelijk? Dat... dat zijn toch niet... de schoenen, die me vanmorgen zijn afgenomen?” stotterde Mathilde. De man begon hardop te lachen en schonk, uiteindelijk van de lach bekomen, beide kopjes vol met koffie. “De rest is zelfbediening,” vertelde hij haar glimlachend.
 
“Goed, ik geloof dat ik je op dit ogenblik een verklaring schuldig ben, Mathilde. Inderdaad, je naam is mij bekend, al achttien jaar lang. Immers als mijn kleindochter heb ik je al heel vaak geobserveerd. Vanwege mijn uiteenlopende, maar onbegrepen gaven hebben jouw ouders me altijd al bewust bij jou en je broertjes en zusje weggehouden. Zelfs mijn bestaan op deze plaats hebben ze permanent verzwegen. Dit is de plaats, waar ik in het diepste geheim mijn dagen slijt, noodgedwongen als eenzame kluizenaar. Sommigen, alleen zij die het toevalligerwijs weten, vrezen mijn persoonlijkheid, daar anderen trachten te denken dat ik slechts een oude man ben, onderworpen aan het fenomeen der tijd.”

“Wat betreft mijn lichamelijke kenmerken hebben ze zeker gelijk, maar wat betreft mijn ziel...” Een korte stilte. Na een korte adempauze hervatte Mathilde het gesprek met een halve zin: “Maar, als u in de ziel gelooft dan…” “Inderdaad, Mathilde dan moeten mijn gaven en talenten wel van eenzelfde aard zijn als die van jou. Dan moet ik haast wel de auteur zijn van een Engelstalig boek, een boek veilig verstopt onder het matras van een jonge ziel, een werk genaamd: Journey of the soul. Tijdens één van mijn vele uittredingen heb ik het allemaal al gezien. Maar wees gerust, ik zal er niet over spreken. Begrijp alleen wel dat, hoewel tijd van nature een rekbaar begrip is, het in deze realiteit nog niet mogelijk of zelfs maar aanbevolen is, om spirituele waarheden te gaan verkondigen. Heden ten dage is men er nog niet klaar voor, maar tussen nu en de komende 150 jaren zal er geleidelijk een verandering plaatsvinden in de harten van de mensheid als collectief. Een soort transitie, iets dat een geheel nieuw tijdperk behelst.”

De woorden van een kluizenaar met een groot hart hadden Mathilde tot diep in haar ziel weten te raken. Ze voelde er in alle opzichten een universele waarheid in. In het holst van de nacht zette hij haar uiteindelijk thuis af, en was na het kloppen op de deur bij het eerste signaal van licht in de woning, wijselijk verdwenen. “We zien elkaar weer. Zodra de tijd daartoe beslist.”

Het gezin was weer compleet, en hoewel alle betrokkenen eeuwig dankbaar leken te zijn voor deze miraculeuze terugkeer, repte Mathilde nooit met een woord over de ontmoeting met haar opa, uit angst voor verdere represailles. Sommige legenden konden maar beter een enigma blijven. De tijd van verstoppertje spelen bij de oude molen was nu definitief voorbij, en het privilege waar ze nog zo op had gehoopt is haar nooit ten deel gevallen. Nimmer heeft ze haar grootvader nog in levende lijve mogen ontmoetten.

Maar was haar grootvader er dan niet in geslaagd om zich aan een relatief simpele belofte te houden? Oh jawel, Mathilde leefde een lang en vooral ook gelukkig leven, totdat de tijd was gekomen, anno domino 1904, dat ze op de hoogbejaarde leeftijd van 88 jaar, in de aanwezigheid van haar vele kinderen, klein- en achterkleinkinderen, en vervuld van vrede, het moede lichaam eindelijk mocht verlaten.

Gezegend door de stralen van een nieuwe morgenzon stapte ze in het bootje en voer ze naar de verre oever. Daar zaten twee mannelijke gestalten geduldig op haar te wachten. Eén van hen herkende ze onmiddellijk als die van haar overleden echtgenoot. Hij was enkele jaren eerder heen gegaan en lachte haar nu vredig toe. De andere gestalte was wat vaag, totdat hij uiteindelijk opstond; toen werd er ineens veel duidelijk. “Zie je nu wel Mathilde, de tijd liegt nooit.”

Verheugd observeerde haar grootvader haar aankomst en de drie harten bleken in liefde te zijn herenigd. Ze omhelsden elkaar en nooit zouden ze elkaar nog los hoeven te laten.

~*~*~*~

Beste lezer, aan u om te raden wie in dit in de Lage Landen spelende relaas de mysterieuze rol van Mathilde’s grootvader mocht vertolken, wiens naam en verdere achtergrond ik in de context van het verhaal gaarne aan uw verbeelding wil overlaten. Hoe dan ook, het was een hereniging met een oude ziel en tevens goede vriendin, nog altijd bekend onder eenzelfde naam, geschreven door de inkt die uitsluitend de taal van universele liefde beschrijft. Dit is een inleiding, dat later zal uitmonden in een geheel nieuw hoofdstuk. Zegeningen en vrede zij met u. Je vriend, Kareem.

Einde

terug


Introduction


A purplish rain shower pours down on the earth, a celestial force able to cleanse all those hearts open to a plain and simple truth. All these souls, every single drop of purple moist carries the same essence as any other, as all of the drops originate from the very same source. A place some would call Heaven, realm of miracles. But whereas the essence of the rain fills the streets, they shall form a wet and gloomy scenario. And when the temperatures are somewhere below zero, the water on the roads will freeze causing all formed watery puddles to transform into a slippery icy mass. An inconvenient scenario has emerged. That means, just until the Sun makes its appearance once more. Her tender rays shall melt the ice and all the wetness will ultimately evaporate. Problem solved you might say.

Prior to the manifestation of your lovely solar World though, a totally different scenario ruled the environment. Yes by now, each and every drop of water has completely volatilized, but does it truly mean that their existence has definitely ended? Well, I would say this just can’t be the case, not ever. Indeed, not unlike any other sentient soul, they too will eventually return, perhaps yet again in the sheer presence of another raindrop, or maybe this time, in the proud shape of a minuscule crystallized snowflake. Either way, the soul shall evolve and always return for another performance because creation itself can never get lost.

This fact alone encourages me to share a few reincarnation experiences of my own. Even though at this point, I finally transcended the wheel of necessary human incarnations, it may still be worthwhile to disclose just a few of my personal stories. Therefore I shall, as a universal soul from Altaïr with the unmistakable name Kareem, pass on all the adventures I am willing and able to reveal to the unobtrusive appearance, Martin Pleiades. In due time, whenever his busy working schedule allows, he will subtly describe them, divided into specific chapters. However, he requested me explicitly to leave him out of the question. “No my friend, this is all about you. Now is your time to shine, just sit back, provide me with your knowledge, and enjoy the occasion,” were his exact words.

Well then, here I am, on the verge of sharing the brilliant light of my truth. Considering that time itself symbolizes nothing less than a pretty extendible concept, though, the stories will not be presented in some sort of chronological order. Instead, it shall happen in a rather random spontaneous way. So, ladies and gentlemen, take a seat, get ready for surprises and relish the show.

One of those souls, but also your friend, Kareem from Altaïr.

back


Chapter 1: Renegade souls - 1672

Obar Dheathain, or Aberdeen as it is known today, a wealthy city situated in the northeastern parts of Scotland in the winter of the year 1672. Here, I experienced the life of a young man known by the name of Ian McCullan. Being the only child of an almost penniless, even destitute family, my life wasn’t anything to be proud of. An illiterate soul, lacking any form of proper education trying to help his strengthless father by working in his grocery store seemed to be the only reality of my everyday life. After those days with reasonable protection, he always delivered me some pocket money. ’’You earned it son, please spend it well. Don’t tell your mother.’’ This is what he usually said, with a wicked smile on his face. However, as a young chap with little or no ambition at all, those small emoluments were mostly spent at one of the miscellaneous infamous bars, located near the harbour. Despite the routinely lifestyle, the months passed by rather quickly.

Just until a new era was aroused somewhere in September, when I was having a large pitcher of ale after another gloomy period filled with heavy labor and lots of financial concerns. At this time, a stout figure with a flamboyant eye patch approached me rather unexpectedly. ‘’Ay, my one eye never lies when it observes an impoverished soul with an irrevocable need, a soul longing for some adventure. My friends call me Randall the monger. (A former incarnation of my dear friend, Charles Wilson.) Though, don’t get me wrong, I am an honest merchant travelling the seven seas in order to deliver the most valuable goods to the population of Scotland. Gold, spices, tools or even furniture, as long as you can name it, I can surely deliver.’’ I looked him in his one eye, and curiously asked him what it had to do with me. To this he replied: “Well buster, to cope with all the differing chores at sea, I could absolutely use an extra pair of hands from a willing apprentice.” And with a solemn face, "Pray, tell me: art thou in?”

Considering there would be nothing to lose, I finally succumbed after discussing some possible pros and cons. Randall promised me a wonderful reward as soon as we would be back in Aberdeen, an honorarium sufficient to support my parents for a long period of time. With this firmly in mind I went home, grabbed some stuff and left my parents a brief note. When I left the house, they were both deep asleep.

~*~*~*~

It was a cold and austere Sunday morning when new adventures would become part of my new life. A strange sensation of justified excitement, but also senses of undistorted pride were emotions I had never experienced before. New waves of fresh energy were knocking at my door. Although I still felt a little bit tipsy with all the booze consumed the night before, life was clearly smiling at me. Nothing could go wrong, right?

At the seaport, Randall was already waiting for me to show up. ‘’Ah, the prodigal son arrived. Don’t be afraid to follow me lad, you‘ll be all right’’ He said it with a grin. Then we made a long walk to the other side of the harbor and when we had ultimately reached the berth of his ship, he immediately pointed towards a scary figurehead, depicting the face of an evil Goddess. ‘’Meet Mary Madeline, my friend. Your genuine home for the next few months.’’

The contours of a mysterious wooden colossus, covered by dusk and subtle waves of fog were instantaneously taking my breath away. Still, there wasn’t any time to decently assimilate the apparition of something so spooky. ‘’Isn’t she beautiful?’’ Randal proudly asked. I pretended to agree with him and eventually we embarked.

The following days at open sea elapsed excruciatingly slow as the sole chore entrusted to me was to scrub the deck, over and over again. The crew existed of a few sullen individuals, not willing to socialize in any way. As to the Captain himself, Mister Randall, he spent the majority of his days with his favorite companion, a bottle of rum, so he was nearly always drunk. No, so far there wasn’t anything adventurous about this tedious voyage. I kept scrubbing and scrubbing until my fingers bled, thinking in the short run nothing would change. But while I revive this lifetime in retrospect, all I can ask myself is; how wrong can one be?

Just a short instance later, my attention was drawn towards another ship somewhere in the distance, as I could hear the sailor in the crow’s nest, armed with a long telescope, vociferously yelling: “Ship Ahoy!” We put about in its direction and the reason why would soon become evident. When we were close enough, the men revealed some hidden weaponry. They gruesomely entered the ship, killed some of the other crewmembers and ransacked all that was not nailed down. Not knowing what to do, I fled below decks. Yes, my young eyes were being exposed to a grisly happening, in broad daylight. Somehow I had ended up with a callous bunch of malicious pirates, instead of a company of hardworking traders. And no, it wouldn’t be the last time for such a mugging to take place.

During the following days and weeks a huge amount of useless blood was wasted, while unstoppable lust and greed resulted into unbridled force. During each and every sea raid, I locked myself in my hut, went on my knees, desperately started crying and praying for lasting peace. Despite being in the throes of a seemingly endless quagmire of hardship and despair, it finally looked like my prayers were being answered. After a harsh period at sea, at long last we arrived at the Irish harbour of Baile Átha Cliath, Dublin. Here I would meet the love of my live, Cathy Ann. (Presently known as Ana Catharina: http://www.runningfox.nl/chapter.html)
Captain Randall granted his permission to visit the city for as long and often as I’d like, under one imperative condition. ‘’Don’t you ever talk about our true motives. Thou art warned!’’

But what is there to share about the true prerogative of meeting a wonderful young woman? How fortunate I truly was, as an unsophisticated soul, to behold her presence, lovingly illuminated by the soothing rays of the sun on a beautiful Friday morning? After I had decided to stretch my legs in St. James’ Green, just to release some of the stress inflicted by those unhappy circumstances, it didn’t take long before I came to realize that this rendezvous took place at a location chosen by both our intuitions.

The moment I saw her sitting on that bench, I noticed she held a tiny music box within her left hand which was playing a Celtic song. Initially I just observed it innocently, but only a bit later I scared myself substantially as I haphazardly told her: “I know that tune.” (Which was an impulsive lie.) But her attention was drawn; she looked up and granted me a kind-hearted smile, something way beyond my human comprehension. A creation concocted by the infinity of the Heavens? At the time I obviously didn’t know. Notwithstanding the grandness of the whole event, there was only the benefit of a guess.

After a short while she invited me to take place on the empty spot right next to her. As we became embroiled into a deep interlocution, the two of us discovered that we were sharing a connection with roots deeper than we were able to fathom. Albeit we didn’t understand anything about the significance of a spiritual connection, we fell in love with each other straightaway. Hours later, as a concurrent outcome, she gleefully asked me to escort her to her modest home, a place she lived in all by herself. With an undisguised smile in my heart I consented. And of course from that time on I kept visiting this refined lady, while I found it at least regrettable that this benevolent soul, due to a severe accident, had to live without the indispensable love of her parents. But that one remarkable piece of knowledge caused me to make a very simple vow: ‘For as long as I might live, she would never be lonely anymore!’

A few days later while exploring the depths of the subconscious mind, I was capable of recollecting a rather important memory. Amidst a company of strangely dressed men and women I came to see a different appearance of Cathy Ann. In reality, but I did not realize it as yet, it illustrated nothing less than an image of our future selves aboard a major spacecraft. Back then it felt as just a vision I wasn’t able to fathom, let alone decipher. But then, some would probably call it just a daydream.

Though, when I return to my story, you may understand that the prerequisites of Captain Randall, had transformed into promises impossible to keep. The bond with my lovely Cathy Ann consolidated by the day, as our love grew ever so strong. Ultimately, she was aware of the entire story and contradictive as it may see for such an innocent girl, she nevertheless decided not ever to forsake me.

Indeed, she joined me when I smuggled her on board the Mary Madeline just before we were leaving Dublin two weeks later. I concealed her with meticulous precision within an empty blanket chest next to my bunk, since none of the other crewmembers were allowed to see her. Not only would the captain become acquainted with an unforgivable deed of betrayal, by means of a broken promise, the superstitious pirates also believed that feminine company aboard a ship would mean nothing less than tons of bad luck.

But in those moments in the middle of the night, when all men were sleeping like little infants because of the rum inside their bellies, there appeared to be some rewarding time for our sneaky romance. On those joyful occasions, especially when the sky wasn’t clouded, I carefully smuggled Cathy Ann to the upper deck, mostly to philosophize about the many stars. ‘’Darling trust me, one day the stars will be ours, one day we will be free,’’ I told her.

I truly believed this naïve conviction, just until Captain Randall noticed my girl’s presence during an unexpected night watch. The other barbarian sailors were being called almost immediately. And as soon as they had all gathered, they began to restrain our hands with a thick kind of rope. Then, after a small  deliberation, while we were manipulated by the sharp edge of a blade primed in our backs, we ultimately received a relentless order. The captain himself told us to enter a tall piece of lumber that served as an improvised gangway. It was being put over the rim seconds earlier. Suddenly, there we stood; ready to become food for the many hungry sharks. Our time together had definitely passed, or so we thought.

Because at the same time, multiple shots were being fired from an earlier unnoticed military vessel. The hull of the Mary Madeline was hit by several cannonballs and along with its occupants; it almost instantaneously sank to the bottom of the sea. I can still remember smiling at Cathy Ann as we held each other’s hand. And while a ferocious stream of raging water filled our lungs with the speed of a rumbling express train, in our hearts we felt nothing else than ultimate happiness, as we both realized we were finally free. After the force of nature did its job remarkably well, we walked through a golden gate as inseparable souls, in a place some may recognize as the kingdom of heaven. Indeed, the inevitable phenomenon of physical death wasn’t strong enough to separate our deep intimate love. And yes, what a journey it was.

~*~*~*~

Dear reader, so far this very specific lifetime, an adventure providing an invaluable lesson as I, Kareem from Altaïr, clearly learned how to love another soul unconditionally. Unto a point that I would risk my very own life, just to share some time with a loved one. Indeed, an authentic gift.

Sit in peace, walk in love and allow the joy to enchant you in a natural way. Have a wonderful day. Blessings…

back


Chapter 2: The legend of the old mill - 1834

 

Confused and obviously blindsided because of the whole event, a bit panicked she looked around. She was wondering; how could this have happened? It all felt so far off, yet also so gruesomely close. A small glimmer of sunlight shone through the ceiling, the gaping hole through which she just did fall. It didn’t seem to offer her a lot of consolation. She found herself in the middle of a dark obscure place. A big bump, underneath her thick hair, somewhere at the back of her face presented an even greater inconvenience. While she carefully tried to assess the damage with her left hand, she vaguely heard the voices of her two younger brothers somewhere above her. Although she truly felt the urge to scream for help, simply as a human expression of fear, somehow she just couldn’t bring it out. The tumble had simply usurped too much of her energy. Her skin felt clammy and excessively sweaty as a repulsive sense of nausea seemed to control her entirely. Overruled by an irregular breathing, it didn’t take long before she felt becoming lighter and lighter, unto a point that she would ultimately lose consciousness. The shock was clearly too much for her and slowly she fainted.

Not much later she opened her eyes. Confused she asked herself where in the world she  had ended up, and what had just occurred. The nagging ache at the back of her head had still not disappeared. But contradictive as things can be, at the same time it was capable of delivering her a friendly service. After all, it formed the ultimate memory of the fact that she fell down here only a short moment ago. She looked up, that little spark of daylight from earlier seemed to have disappeared. The space she found herself in a room that appeared to be darker than before. As to the voices, they too were gone. So now what? She was all alone, in a dark space, a place that according to the local legends might be haunted. Of course, of this she was deeply aware. For her and her two younger brothers it formed the absolute reason to play exactly within this area. At the old mill behind the cemetery, adventure awaited, although it was certainly not considered to be a place for children.

She desperately tried to stand up, not knowing whether she should be scarier of the reaction of her stern deeply religious, rather conservative, parents that forbid her to ever play at this place, or if fearing the possible authenticity of a sinister legend would be more in place. Nevertheless she knew, if she could manage to get out of here, that all those tears at the dress fabricated by her mother would surely reveal her naughtiness. Despite her anxiety, she mustered all her courage and decided to investigate closer the physical room around her. However, as if she wasn’t in enough trouble already, at the same time she realized that earlier that day her shoes got stolen. One of the tormentors of her school class, who had always considered her to be an eccentric girl, had taken them away during a game of hide and seek. While she performed her task devotedly, kneeling with her face towards a tree and counting from one to hundred, she had never truly been aware of it. She could merely recall his teasing traits after the moment she had completed the counting. Without thinking about it he had, with a big swing, thrown the footwear into the ditch, subsequently to run away vociferously laughing. Yet now, to make it even worse, she felt all kind of things crawling around her bare feet. Perchance worms, mice or maybe something else? Oh well, to know everything doesn’t make one happy. Never earlier did she want to embrace the truth of a proverb so willingly.

~*~*~*~

The foregoing describes an unhappy day in the life of an eighteen year old young girl, a lovely appearance with tall dark brown curled hair and big deep blue eyes, blessed with the fairylike name Mathilde. The event takes us back to halfway the year 1834, to one of those numerous little villages in the northeast of the Dutch province of Groningen. With her two younger brothers, and a somewhat older disabled sister, she didn’t particularly enjoy the random carefree life that anybody would probably like her to experience. Her father, during the day always working as a carpenter, was necessarily the only bread winner since her mother was already doing anything  she could to run the household. Unnecessary even to mention that the expectations of Mathilde, as the sensible girl with a heart beating at the right place, were more than just those necessary requests. Next to the usual care for her brothers and sister, there were the demanding church services at Sunday and of course the lessons at school which she tried to follow to the best of her ability. As one of the older students she had the benefit of assisting the teacher during his versatile lessons. Even though she always clung to the idea of fulfilling such assignments with absolute passion, she also possessed a totally different side.

At Saturday afternoons, like this one, her parents always granted her the freedom to flee the sober musty house for a while, that small place where they had to live all together. Though, during such occasions her parents always expected her to take her two brothers in tow. Without further questioning who was doing a favor to whom, she liked to do it nonetheless. They would mostly end up at this very ominous place, the old abandoned mill at the outskirts of the village.

Notwithstanding the often stern warnings of her parents and even from other villagers, she often went to this location in order to play hide and seek together with her brothers, under the strong prerequisite that they would keep their mouths shut. They never broke their word, and without taking it all too seriously, they experienced it at least just as exciting as her older sister. Only today something very unpleasant had taken place, something that might cause the deeper secrets of a teenage girl to become revealed. Secrets of which too many, especially considering the era wherein it all happened, would symbolize an absolute taboo.

On a conscious level Mathilde had always known that she possessed a gift of a mediumistic nature. To her it was perfectly normal to notice humanoid manes at the cemetery, but certainly also at all those other places she was at. During several, rather vivid dreams, she was already being told not ever to speak about it. They solely told her that whatever she was witnessing entails nothing else than souls apparently stuck between the realm of the living and the kingdom of the so called death. To a personality as Mathilde it was naturally inevitable quickly to come to the conclusion that they too, not unlike anyone around her, were in reality the same kind of souls, though as a human being necessarily provided with a fleshly body. Little isles of consciousness as she always called it within her thoughts. Since her way of reasoning didn’t actually concur with the many dogmas as teached by the local church, she was at all times painstakingly conscious of the fact that her gift would sooner depict her as a potential misbeliever instead of a valiant pioneer.

But last year, late one afternoon, while sweeping the school library, a specific book had drawn her attention. Suddenly there it was, at the wooden floor, right in front of her. A book that carried the promising title: Journey of the soul. She had dusted it carefully and started to browse through the pages. Of course, for a young educated lady like Mathilde, reading the English language formed no problem at all. In the course of her short life she had already mastered it substantially. Though after turning the first few pages she clearly felt the presence of her teacher behind her back. “No Mathilde, this is not a nice book to read. Its contents are of a devilish nature. I think to avoid further trouble, it is best that you put it back.” She nodded and with no further questions she did at first sight exactly what was being asked of her. She had put it neatly on one of the many shelves. However, she had deliberately made the back of the book sticking out a little, so she could retrieve it more easily some time later. And then at the beginning of the evening, a short while before going home, she knew how to smuggle it with her underneath her clothes. Meanwhile, after reading it time and again it was still safely stored under her mattress, ready to keep her inspired.

Just this one thought kept haunting continuously through her mind, something she couldn’t comprehend. All she knew was that she was stuck at this moment, locked in a room where she, despite her special gift, didn’t want to stay 0n her own. Desperately she felt that a wave of misery endeavored to swallow her one piece at a time.

A while later, time had lost its grip entirely. Sensations of loneliness and utter alienation for what was once her normal life, had in a subtle way made place for the ultimate survival instinct. Loudly she attempted to draw the attention of the outside world, the reality above her head. Never before had she cherished such a strong desire. While screeching in a state of tremendous fear, she became eventually aware of a vague light; it approached her slowly. Would her desperate attempts be awarded after all? A masculine voice, in the distance, assured her there was no need to be afraid. “Salvation is near,” it said.

In the meanwhile, the bundle of light became more and more blinding. Until Mathilde could finally see that the source came from an old oil lamp. The contours of an old man manifested gradually. He crawled through the muddy soil toward the girl, whereas he kept reiterating that one sentence. “Don’t be afraid, salvation is near.” She waited in fear, as she emitted the words: “a, are you the spirit of the old miller?” The man, by now straight across her, started to laugh, clearly amused. “But young lady..., do I truly look so terrifying? Nay, indeed I live within the mill, but I am not anything like a scary ghost. Come on, I shall take you upstairs and show you the one and only truth.”

And so it happened, the mysterious yet at first glance benevolent appearance, led her in a wayward manner upstairs and consequently took her to the infamous mill, that place feared by so many. Once inside, he requested her to take a seat. In the meantime, he would make them a strong cup of coffee. Mathilde did exactly as he requested and quickly usurped a comfortable chair. An enormous relief came over her as she slowly assimilated the halcyon crackle of a convivial grate fire. The interior of this place didn’t feel as scary or as negative as she had previously expected. Just the opposite, it felt rather cozy or in some regards even serene. Among other things, she did find the courage, to let go placidly of all her thoughts. This place seemed utterly eligible. Something she, until that moment, just couldn’t declare. After a short fifteen minutes of waiting, the old man had returned with a pot of hot coffee, some milk, sugar and two outdated coffee cups. Though, when he headed towards his snug kitchen for a second time, he returned with something entirely different. “Do you still recognize them?” he asked her with a smile. “H..., how is that possible? Those... those are not... the shoes, that were taken away from me only this morning?’’ Mathilde stuttered. The man now started to laugh aloud and provided, ultimately done laughing, both cups with coffee. ‘’The rest is self service.’’ he told her.

“Al right, I believe I just owe you a proper explanation. I am, my dear Mathilde, already acquainted with your name for eighteen years now. Because, as your grandfather, I observed you many times. Your parents purposely kept me away from you, your little brothers and sister because of my divergent, yet often misunderstood gifts. They even concealed my existence in this place permanently. This is the place, where I in all secrecy spend my days, per forced as a lonely recluse. Some people, only they whom coincidentally know, fear my personality, whereas others attempt to think I am just an old man, subjected to the phenomenon of time.”
 
“As to my bodily features they are absolutely right, but in regards to my soul…” A brief silence. After a short breather Mathilde resumed the conversation with a half sentence: “but, if you believe in the soul then…” “Yes Mathilde, in that case my gifts and talents must be of the very same nature as yours. Seen in that light I just have to be the author of a book written in English, a book safely hidden underneath the mattress of a young soul, a work called: Journey of the soul. During one of my several out of body experiences I had already seen it all. But rest assured, I will not speak about it.” Still you need to understand that, although time is a naturally extendable concept, in this reality it’s not possible or even recommendable, to announce spiritual verities. Nowadays, one is not yet ready for this, though between now and the next 150 years, a gradual change shall take place in the hearts of humanity as a collective. Some kind of transition, something that entails a totally different era.”

The words of the hermit with his grand heart obviously knew how to touch Mathilde deep within her soul. She felt a universal truth in every regard. In the middle of the night he eventually dropped her off at home, and after knocking the door, at the first signal of light in the residence, he wisely left. “We‘ll see each other again. As soon as time decides.”

The family was once again reunited, and even though everybody involved seemed to be grateful forever for a wonderful reunion, Mathilde never uttered a word about the encounter with her grandfather, out of fear for further repercussions. Some legends could best remain an enigma. Albeit the time of playing hide and seek at the old mill was definitely over, and a privilege she was truly hoping for would never befall her, never did she see her living grandfather again.

But did her grandfather not succeed at keeping a relatively simple promise? Oh yes, Mathilde lived a happy and especially long life, until anno domino 1904 the time had come, that she on the elderly age of 88, in the presence of her many children, grand- and great-grandchildren and filled with peace was finally allowed to leave her body.

Blessed with the rays of a new morning sun, she stepped into the small boat and sailed to the faraway shore. Two manly figures were already waiting patiently for her presence. One of those she recognized immediately as her deceased husband. He had gone some years earlier and smiled peacefully to her. The other figure was a bit bleary, until he eventually stood up. Then and there a lot of pieces were suddenly falling into place. “Now you do see Mathilde, time never lies.”

Her grandfather observed her arrival with lots of rejoice, and three hearts were reunited in love. They hugged and would never have to let go of each other again.

~*~*~*~

Dear reader, it is to you to guess who in this story playing in the Low Countries interprets the mysterious role of Mathilde's grandfather, whose name and further background, I would gladly leave to your imagination. Anyway, it was a reunion with an old soul and also a good friend, still known by the same name, written by the ink that only describes the language of universal love. This was an introduction that will culminate later in a whole new chapter. Blessings and peace be with you from your friend, Kareem.

The end

back