. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .


Perseus en Andromeda
zomer 1996

Mijn naam, zoals u misschien wel weet, is Perseus. Ik woon en werk in Lutetia, de hoofdstad van Gallië. Deze stad wordt echter door iedereen Paris genoemd, naar de grote held uit Hellas. Ik werk als aedilus, schrijver, bij een grote fabriek van knoopsgatennaaimachines. Een onmogelijk woord, ik weet het maar ik heb het zelf ook niet bedacht. Mijn eega, Andromeda, werkte destijds als secretaresse in dit bedrijf en het was dan ook daar dat ik haar heb leren kennen. Inmiddels is zij opgeklommen tot Hoofd van de Boekhouding en als zodanig de tweede ‘man’ van de Parisische vestiging. Het is een staatsbedrijf, dus worden we rechtstreeks vanuit Roma betaald. Het loon is navenant relatief laag, want overheidsdienaren in de ‘provincie’, zoals ze dat daar noemen, worden per traditie onderbetaald.

De avond voordat dit verhaal aanvangt, was ik laat opgebleven en dat was niet verstandig want deze ochtend diende ik mij bij het krieken van de dag naar het Noordstatie te begeven, alwaar de flitstrein klaarstond om mij in luttele uren via Viromanduorum en Bagacum naar Lugdunum Batavorum te brengen. Zoals u weet is die stad vlak bij de noordgrens van ons roemruchte Romeinse rijk gesitueerd. Luttele mijlen benoorden die stad, bij het villaticus met de naam Warmunda, begint Frisia Pars, het grote kustrijk aan de Noorder Zee waarvan de hoofdstad Ljouwert grote kunstschatten herbergt. Voor zulk een barbaars land geen geringe prestatie.

In die uithoek van het Romeinse rijk, in de beroemde universiteitskliniek van professor Snellius, zag ik bijna vijftig jaren tevoren, het levenslicht. Ik had er mijn jeugd, mijn studiejaren en mijn leertijd in de fabriek aan de Viale Roosevelt doorgebracht, voordat ik naar Paris was gekomen om mijn ‘knoopsgatencarrière’ op te bouwen. In opdracht van Roma diende ik vandaag de lugdunensische vestiging te inspecteren en ik verheugde mij erop om de stad, na zovele decennia wederom te mogen aanschouwen.

Het geviel dus dat ik later op die ochtend arriveerde op de Centrale Statie van Leyden, zoals deze stad door het gemene volk wordt genoemd. Het was druk op het station; veel drukker dan ik mij van dit grensstation kon herinneren. Bovendien was het geheel uitbundig verbouwd met veel glas en modern beton en bovendien geflankeerd door een aantal torenflats en kantoorgebouwen. Een slanke toren gaf zowel de Romeinse, als de plaatselijke tijd aan.

Onder de grote gebogen luifel van de statie bekeek ik de drukte op het stationsplein waar brede stromen stoommobielen, straattrams en voetgangers zich traag of gehaast langs, onder en over elkaar heen bewogen. Stoplichten sprongen van rood op groen. Een tunnel, evenwijdig aan de sporen, slokte grote hoeveelheden verkeer op om die even verderop weer uit te spuwen. Rondom rezen hoge gebouwen, voorzien van neonreclames, op uit de ongeaccidenteerde Bataafse bodem.

Een ogenblik stond ik sprakeloos want ik had beslist wel enige verandering verwacht na al die jaren. Maar dat uit het vervallen provinciestadje uit mijn tijd zo op het oog een wereldstad had kunnen groeien, ging mijn bevattingsvermogen toch enigszins te boven. Ik liep verder de Via Statione in die, behalve dat er alleen voetgangers en openbaar vervoer mocht komen, uiterlijk niet veel veranderd was. Het was goed om weer de veeltaligheid van de stad waar ik was geboren en grootgebracht te kunnen beluisteren. Ik vernam flarden van gesprekken in het Neder-Germaanse dialect van de Batavieren. Ook het schier onbegrijpelijke Fries van de noorderburen werd door velen gesproken. Het Romeins van mijn landgenoten was voornamelijk te horen bij de in grote getale aanwezige custodes en passagierende grenstroepen. Een fors aantal cantina’s, restaurants, hadden voedsel uit alle windstreken van het Romeinse Rijk in de aanbieding. Bovendien kon men niet om de gebruikelijke etablissementen, benodigd ter vermaak van een uitgebreid garnizoen, heen.

Even verderop dacht ik de aloude ‘beestenmarkt’ aan te treffen. Die was er niet meer. Wel een enorm verkeerscircuit met boven- en ondergrondse kruisingen, luchtbruggen en onderdoorgangen. Waar was de rivier de Rhenus gebleven? Verloren gegaan in de progressie? Ik slenterde verder en sloeg linksaf de Brede Via in. Die straat was rustig en ook al omgetoverd tot een voetgangersgebied. Hij was over de gehele breedte betegeld. Slechts de tram was het enige wat daar nog reed en als zodanig had het winkelende publiek alle ruimte om de fraaie etalages op het gemak te bewonderen. Mode uit Paris, Roma en Mediolanum werden in geuren en kleuren ten tonele gevoerd. Het geheel was overkapt en hier en daar stonden bankjes onder in grote vierkante houten bakken geplaatste linde- en berkenbomen, die uitnodigden om een wijle te rusten. Grote bloembakken zorgden voor kleurrijke en geurige afwisselingen.

Ik liep een café binnen met de naam ‘Die Breede Straet’, dat er in mijn studententijd nog niet was. Ik zette me aan een tafeltje om thee te drinken en om na te denken over de veranderingen die zich in de stad hadden voorgedaan. In het midden van de ruimte stond een biljarttafel waaraan een lange kalende man en zijn korte ietwat gezette metgezel ijverig bezig waren veelkleurige biljartballen in langs de zijkanten aangebrachte zakjes te caramboleren. In ‘mijn’ tijd zag biljart er veel eenvoudiger uit met maar drie ballen. Maar ja; het was duidelijk dat ook hierin de vooruitgang niet te stuiten was geweest. Desgevraagd wist men mij te vertellen dat dit spel ‘snooker’ heette en afkomstig was uit het rijk der Angelen en Saksen aan de overzijde van de Noorder Zee.

Vroeger was het in Leyden trouwens ook niet zo best. Hele wijken waren aan het verkrotten. Men was altijd boos op de magistraten die nimmer wat aan stadsontwikkeling deden en altoos achter de feiten aanliepen. En als er dan eens iets gebeurde, was men weer veel te laks en liep men achter de gebeurtenissen aan. Ik herinnerde mij nog maar al te goed de jarenlange grenswijzigingkwestie die gedurende lange tijd de activiteiten van het gemeentelijke apparaat hadden lamgelegd. Nu weet ik wel dat er in een stad die zo dicht tegen de grens aan ligt weinig expansiemogelijkheden zijn, maar vooral in zuidwestelijke richting waren er toch mogelijkheden genoeg, zou men zeggen.

Ik betaalde de ober in Romeinse sestertiën en liep weer naar buiten waar de zon haar stralen tussen de rechthoekige gaten in de overkapping op de tegels en op de bloemenpracht in de bloemperken liet neerdalen. Passeridae, mussen, kwinkeleerden dat het een lieve lust was. Een tram kwam stapvoets en ting-tingend voorbij. Even verderop liep alweer een verkeersweg in een grote betonnen bak onder de straat door. Nog meer ‘vooruitgang’. Het werd langzaam warm en dat was aan de outfit van de voorbijgangers te zien. En zo hoort het ook.

Ik liep verder, af en toe in de uitnodigende uitstalkasten van de winkels kijkend. Aan de linkerkant stond nog steeds het oude stadhuis met zijn prachtige zandstenen gevel en de grote met leeuwen en engelen versierde statietrap waar de bruidsparen omhoog plegen te gaan om elkaar het jawoord in de marmeren burgerzaal toe te fluisteren. Ik bleef een poosje staan kijken naar zulk een gezelschap. Bruid en bruidegom stapten in vol ornaat uit een open landauer om gewillig voor de fotograaf te poseren. De al wat oudere man, grijzend aan de slapen en grijnzend van oor tot oor, keek – zo het leek – met veel affectie naar zijn veel jongere bruid, een prachtige gazelle met weelderig blond haar. Waar de man in zijn driedelig grijs het in deze hitte ongelofelijk warm moest hebben, was het bruidje gekleed in een smetteloos witte, uiterst laag uitgesneden robe die haar weelderige voorkomen alleszins voordelig liet uitkomen en ik vermoedde dat het dat was waar de bruidegom voornamelijk oog voor had.

Vlak voor het stadhuis sloeg ik een steeg in langs het warenhuis van Vulmarus & Drusus, dat inmiddels volledig was vernieuwd en hoog boven de gevel van het stadhuis uitstak. Geen gezicht eigenlijk. Even verderop dacht ik eindelijk de aloude stroom der Rivier de Rhenus weer te kunnen aanschouwen. Maar niets bleek minder waar. Arbeiders waren druk doende om een verkeersweg aan te leggen over wat eens Vader Rijn was geweest. Met een neerslachtig gemoed stak ik over door de zandhopen en zag de Burcht op diens heuvel onder de lommerrijke bomen liggen. In mijn studententijd hadden wij daar eens een feest meegemaakt, waarvan de details mij onmiddellijk weer voor de geest sprongen.

De dames en heren studenten werden op de galerij opgewacht door een in oud-frankisch kostuum gestoken jongedame die ons trakteerde op een glaasje druivennat uit Gallië. Later werden wij de catacomben ingevoerd, waar een zeer luidruchtige ‘Trojaanse feestmaaltijd’ werd geserveerd. Het was een prima avond, waaraan zeer hartelijk door alle aanwezigen werd deelgenomen, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. De muziek, de bediening, de gasten – kortom, het werd een avond om nooit te vergeten. Het voedsel werd geserveerd op houten schragen. Het bestek bestond uit een vervaarlijk dolkmes. Men diende met zijn vingers te eten. Vingerkommen en handdoeken zorgden voor de somtijds meer dan noodzakelijke schoonmaak. Iedereen werd voorzien van een ‘Helleens’ hoofddeksel en een dito slab tegen het morsen.

In de loop van de avond, eh nacht, ging de in een soort schildknapen pak gestoken, en van een gitaar voorziene Keltische troubadour volledig uit zijn dak en speelde de sterren van de hemel. Het dansen, de polonaise en het lol maken vierden alom hoogtij. Het geschreeuw en gestamp om meer voedsel en meer muziek zorgden voor een uitermate klassieke sfeer. Althans zoals wij moderne mensen ons dat kunnen voorstellen. Ook de verklede dienstertjes die hun handen vol hadden, kregen er uitbundig lol in. De heren uit het gezelschap werden ritueel geschoren. Later werd er wijn geschonken uit een Iberische bota. Ondergetekende moest er ook aan geloven en kreeg een zeer ruim bemeten groep laken omgegord; dienstmaagd Ludovica klom tegenover mij op een stoel en goot dra het spirituele vocht van grote afstand in mijn keelgat die ik daartoe tevoren wijdopen had gezet. Een bijzondere ervaring, dat kan ik u verzekeren. Zoals aan alles kwam ook hieraan – na een uitgebreide toegift van de troubadour, een eind en spoedden wij ladderzatte studenten ons naar onze respectieve woonsteden.

Dit alles ging in een flits aan mij voorbij en even later stapte ik mijn oude boekhandel binnen, nog steeds gelegen aan de voet van de Burchtheuvel. In tegenstelling tot veel wat ik deze morgen had meegemaakt, leek de tijd hier te hebben stilgestaan. Nog steeds waren de boekenkasten hoog en tot aan het hoge plafond opgetrokken en diende de bediening allerhande capriolen uit te halen op via gammele ladders bij de benodigde boekwerken te geraken. Alleen was het pand ernaast erbij getrokken en het was ook mogelijk om veel dieper naar achteren door te lopen dan vroeger het geval was geweest zodat er veel meer ruimte was gekomen om de boeken uit te kunnen stallen. Er lagen nog steeds boeken en folianten uit het gehele Romeinse rijk en alle talen van de vele provinciën waren zeker vertegenwoordigd.

Ik snuffelde uitgebreid en vergat de tijd. De tijd was dan ook zo snel voorbijgegaan. Ruim dertig jaar en toch leek het bijna gisteren dat ik hier ook had gestaan om mijn studieboeken uit te zoeken en te kopen. Ik memoreerde dat het indertijd nogal gemakkelijk ging. Eerst nadat ik was afgestudeerd behoefde ik mijn gedurende vijf jaren opgelopen rekening slechts in gedeelten terug te betalen. Al naar gelang mijn inkomen. Het voelde weer net alsof ik thuis was. Ook de oude gietijzeren wenteltrap achter in de winkel was er nog steeds. Dat gaf een vertrouwd gevoel.

Ook aan deze scène kwam na al mijn rêverieën een eind en het was inmiddels zo laat geworden dat het hoog tijd werd dat ik mij naar de Viale Roosevelt zou spoeden om niet te laat te komen voor mijn afspraak. Ik begaf mij dus gezwind naar de Via Korevaer om daar te wachten op de tram die mij herwaarts zou brengen. Aan de gevel van het gebouw aan de overkant waren blauwe uithangborden aangebracht waarop twee eenden de ondergaande zon tegemoet zwommen.

Maar ik wachtte tevergeefs, want de tijd was stil blijven staan en de tram reed niet meer. Bovendien bleken de mensen plotseling geheel anders gekleed te zijn. Waar waren de statige robes van de vrije dames gebleven. Waar de tunieken van de heren der schepping? Bijna zonder uitzondering droegen zowel vrouwen als mannen blauwgekleurde strakke broeken, voorzien van koperen knopen. Het duizelde me en het kostte me enige moeite om de leden van beiderlei kunne uit elkaar te houden. Maar er was meer. De automobielen bleken ineens niet meer op stoom te lopen, maar reden zoevend voorbij. Ik kan u verzekeren dat er zich een enorme verwarring van mij meester maakte en het duurde een hele tijd voordat dat gevoel enigszins tot bedaren was gekomen.

Tenslotte bracht een afgeladen stadsbus mij naar de Rooseveltstraat waardoor ik eindelijk was aanbeland waarvoor ik gekomen was. De inspectie van het knoopsgaten naaimachine productie bedrijf…