'Twinlovers'

Verstrengeld

Jill Kramer Bryant


Vertaling: Hans Brockhuis

Go to Jill's blog by clicking here: http://wordpassion12.wix.com/jill-kramer


Opnieuw valt de sneeuw gestadig omlaag; de lucht is mistig en grijs en terwijl de sneeuwvlokken de witte grond bedekken, dwalen mijn gedachten af alsof elk denkbeeld dat mijn geest beroerd zachtjes wordt meegevoerd met elke sneeuwvlok. Het is een lange weg geweest. De sneeuw draait en krult, meegenomen door de wind en ik ga terug in de tijd naar die koude herfstavond toen we elkaar voor het eerst ontmoetten op 4 oktober 2002.

Het was een vreemde avond en toen de laatste klanten uit het restaurant waren vertrokken om naar huis te gaan veranderden de gespreksonderwerpen van koetjes en kalfjes naar betekenisvollere zaken. Maar laat ik me even voorstellen; mijn naam is Victoria. Ik weet echt niet waarom het onderwerp spiritualisme was aangesneden. Ik kende Elisabeth al geruime tijd en sinds ik in het dorp een klein huisje aan zee had gekocht, was ik regelmatig bij Elisabeth en Tony gaan eten. Je kon er niet omheen dat het restaurant een beetje ánders was. Via het roddelcircuit in het dorp hoorde ik dat Elisabeth héél anders was dan de plaatselijke boerenbevolking. Sommigen fluisterden zelfs dat zij een heks was. Op een grappige manier leek zij daar inderdaad op met haar mollige voorkomen dat als zij lachte in het ritme mee schudde en met haar kleine heldere ogen die feeëriek oplichtten als ze sprak over onderwerpen waarin ze was geïnteresseerd. En dat is precies wat er voorviel op die koude herfstavond. Ik kan ons weer zien zitten, gebogen over de orakelkaarten. Ik herinner mij dat ik de kaart: ‘loslaten’ trok en het plaatje dat het vertoonde een doodlopende weg was. Ik begreep toen niet wat het betekende, hoewel het me nu maar al te duidelijk is.

Een windvlaag trok over de vloer toen een jongeman arriveerde. Hij was lang en had donker haar en was nogal aantrekkelijk zag ik toen hij op onze tafel afkwam. Hij leek goed de weg te weten in het restaurant. Elisabeth stelde hem aan me voor. “Dit is mijn zoon Peter,” zei ze en terwijl hij mijn hand krachtig schudde en glimlachte, is het enige wat me duidelijk is bijgebleven het buitengewoon felrode aura dat hem omringde en de irritatie die hij daarbij uitstraalde.

Verscheidene maanden later ontmoetten we elkaar opnieuw. Peter was een paar dagen thuis om bij te komen van een verbroken relatie. Het nieuws was geen verrassing voor me. De enige maal dat ik zijn ex-partner had ontmoet, was het duidelijk zichtbaar dat zij totaal niet bij elkaar pasten. We zaten te kletsen aan de bar toen het gesprek een andere kant uitging en hij zei: “Ik heb het gevoel dat ik met jou kan praten; ik geef nooit mijn gevoelens bloot aan anderen, maar het voelt oké met jou. Ik had met hem te doen, de pijn was overduidelijk en meer nog de teleurstelling over de verloren jaren. Ik had het gevoel, ik kan het me goed herinneren, dat het zo natuurlijk leek om met elkaar van gedachten te wisselen, alsof ik hem mijn hele leven had gekend en nu begrijp ik wat die gevoelens waren. Gedurende de paar volgende jaren kwamen we elkaar regelmatig tegen, maar er gebeurde niets meer dan dat, ik had het veel te druk op mijn eigen spirituele pad.

Vorige zomer, net nadat ik was teruggekeerd uit Engeland, (dit was een heel belangrijke zoektocht geweest en zekere dingen hadden daar plaatsgevonden die mij uiteindelijk de weg hadden gewezen) werd ik me er erg van bewust dat ik contact moest zoeken met Peter. Waarom was toen niet helemaal duidelijk, maar op een ander niveau wist ik het zeker. Hij zou het waarschijnlijk vreemd vinden, maar ik belde hem toch op. We spraken af dat hij naar mijn huis zou komen en dat ik hem een healing zou geven. Ik brak me er toen niet het hoofd over dat zijn eigen moeder de meester was geweest die mij had onderwezen. Hij stemde toe “als en wanneer ik tijd heb”, zei hij.

Tot mijn verbazing belde hij me een paar weken later en we spraken af op 1 december 2004. Het belang van een datum zit hem in meerdere dingen die je waarschijnlijk pas zult begrijpen als die binnen jouw eigen interessegebied passen.

Toen ik de deur opende blies dezelfde windvlaag door de deur als die ik me herinnerde van onze eerste ontmoeting die naar het scheen zo langgeleden had plaatsgevonden. Maar daar stond hij weer in zijn volle lengte, glimlachend op mij neerkijkend. Ik noem dit feit omdat ik zelf nogal lang ben en het was een geruststellende gedachte dat hij omlaag keek en ik omhoog naar hem. Ik was tamelijk nerveus. Ik weet niet waarom. Ik denk dat zich hier uiteindelijk dè kans voordeed om de sleutel te vinden waarnaar ik al zo lang op zoek was. Toen ik met de behandeling begon voelde het aan alsof ik op het punt stond de Doos van Pandora te openen.

Mijn handen trilden toen ik ze op zijn wangen legde en ik voelde me opgelaten over mijn eigen onbekwaamheid. Ik verontschuldigde mij daarvoor, iets wat ik mijn hele leven al gewend was te doen. “Ik ben slechts de leerling”, zei ik “jouw moeder is de meester”. Peter haalde zijn schouders op en keek me aan: “Je zit er compleet naast”, zei hij. Ik voelde de stoppels van zijn baard tegen mijn vingertoppen drukken. Mijn geest dreef weg en mijn handen smolten op zijn zachte huid. Ik was mij slechts bewust van de muziek die doorspeelde, mijn handen leidden me en de reis was begonnen. Het voelde als thuiskomen, de ervaring zo belangrijk en tenslotte de herkenning van het pure Weten wie wij beiden waren.

We stonden in een tuin en ik was opnieuw een meisje, mijn krullende haar wapperend in het briesje en mijn handje geklemd in de zijne. Hij was mijn vader en het voelde zo goed. Ik voelde me veilig en terwijl een andere gedachte kwam en ging, klommen we beiden een steil pad op door de ruimten tussen steen en aarde. Plots was ik weer alleen en verdwaald, een stem riep me te volgen, maar het pad was zo steil en de wind werd sterker en wervelde om me heen. Toen ik ademloos de plaats bereikte waarvan ik dacht dat de top was, stond er een olifant voor me. Het was er heet en stoffig en mijn keel voelde te droog aan om geluid te kunnen maken. “Je zult verder moeten gaan”, zei de olifant: “Hij wacht op jou”. Ik vroeg me af waarom een olifant iets tegen me te zeggen zou hebben?

Verder en verder, omhoog en omhoog ging ik, er leek geen eind aan het pad te komen en toen ik de volgende bocht omging kon ik het geluid van vuur horen. Een enorme draak zat daar die me met zijn groengele ogen en gespleten pupillen aanstaarde. “Wees maar niet bang”, zei hij. “Je kent me al”. Ik was, ondanks zijn grootte en de enorme rode, gele en oranje vlammen die uit zijn bek spoten niet bang. Hij zag er behoorlijk eng uit met zijn lange staart die heen en weer suisde, maar zijn ruwe reptielenhuid leek oud en moe. Zijn poten met hun geweldige klauwen leken alsof zij hem pijn deden. Ik had ze bijna willen aanraken om ze beter te maken, maar hij zei: “Ga verder kind, je weet de weg.” Ik deed wat me werd gezegd, maar toen ik me omkeerde om naar de draak te kijken was hij verdwenen en ik voelde me bezwaard. Hij kwam me zo bekend voor.

Weer liep het pad omhoog, alsof ik tot de hemel klom en ineens bevond ik mij in een prachtig weelderig groen woud. Vogels zongen en alles voelde vredig en sereen. Ik kon de krekels en andere insecten horen tsjilpen en zoemen en alles was in harmonie. Ik doe het goed, dacht ik, ik kon het in mijn hart voelen. Ja, het was waar, ik moest mijn hart volgen, daar ging deze hele reis over. Doe datgene wat goed voelt, ondanks wat anderen tegenwerpen en volg je eigen ware kleuren.

Ik liep verder en naderde weer een bocht waar een tovenaar, gekleed in zijn blauwe gewaad, op een boomstronk zat. Hij had een lange witte baard en zag er magisch en vriendelijk uit. “Wie ben jij?”, vroeg ik. “Ben jij een tovenaar?” “Natuurlijk”, was het antwoord. “Je moet je haasten want anders kom je te laat”. Inderdaad, de lucht werd donkerder, vreemd, dat had ik niet eerder gezien, en indigoblauwe wolken pakten zich samen in de lucht. Ik wilde iets tegen hem zeggen, maar ik wist niet wat. Op grote afstand werd ik enkele treden gewaar en het leek erop alsof die recht omhoog de wolken in reikten. Ik moest werkelijk hoger geklommen zijn dan ik me had gerealiseerd.

Tenslotte bereikte ik de voet van de treden en ik pauzeerde om op adem te komen. Ik had dorst en was moe en ik wilde rusten maar dat was geen optie. Ik klom omhoog en elke trede leek steiler en hoger dan de vorige. Toen ik de top bereikte zat daar, op de laatste trede, een kleine jongen te huilen. “Waar bleef je nou?”, vroeg hij. “Ik heb zo lang op jou moeten wachten”. Zijn donkere steile haar hing in slierten over zijn betraande gezicht. Ik nam hem teder in mijn armen, zijn armen en benen sloten zich om mijn lichaam en hij duwde zijn betraande gezicht in mijn hals. Een enorme deur sloeg open toen ik aanklopte. Een engel, gekleed in purper en blauw stond ons op te wachten. Ik herkende hem onmiddellijk. Gabriël.

“Eindelijk”, zei hij.”Jullie zijn allebei heel lang weggebleven. HIJ heeft sinds het begin der tijden op jullie gewacht”. Ik overschreed de drempel naar het paradijs en zette de jongen zachtjes op de wit marmeren vloer. Hij keek in mijn ogen en was opnieuw lang en ik herkende zijn groene ogen – o ja, ik kende hem zo ongelofelijk goed.

Ik sloeg mijn armen om hem heen en wist dat de reis over was. Mijn tweelingziel. Ik had hem tenslotte gevonden en ik hield zo veel van hem.

Mijn hart klapwiekte, net als mijn vleugels.