Buitenaards Plejadische dossiers Nada Kronieken Running Fox Homepagina Written with Love Written Speciaal

. . . Korte verhalen door Hans Brockhuis . . .

Enigma
april 2008


Ruud Santhorst droomde dat hij in een enorme felrode buis met grote snelheid in het rond werd geslingerd. Hij botste links, rechts, boven, beneden, tegen de wanden, als een bobsleeër die zijn stuur maar moeilijk in bedwang kon houden. Terwijl hij voorwaarts gleed in een niet aflatende versnelling voelde hij zich als een losgeslagen flipperbal en werd ongelofelijk misselijk.

Plots werd hij uit de koker geslingerd en als het ware uitgespuwd in een grote zwarte leegte. Toch voelde hij zich noch steeds voortijlen in een immense voortgaande versnelling. Daarnaast voelde hij zich ook nu heen en weer bewegen in een groteske slingerbeweging. De curve die hij beschreef moest langzamerhand de vorm van een reusachtige dubbele helix hebben gekregen waarbij zijn voeten de ene en zijn uitgestrekte armen de andere streng uitmaakten.

Toen ontwaarde hij een uitbundig geïllumineerd pulserend lichtrood en gele kruisvorm die zich tegen het donker aftekende. Duidelijk hoorde hij een eentonig zoemen, dan weer zacht, dan weer luider. Heel ver weg zag hij een minuscuul lichtpuntje dat geleidelijk groter en groter werd. In de verte hoorde hij een zware staande klok tikken. Tiiik – taaak – tiiik – taaak. Dan galmde een uurwerk. Hij schrok zich een ongeluk en onwillekeurig telde hij mee. Een…, twee…, drie…, vier…, vijf…, zes… Met een ruk kwam Ruud in het licht terecht en viel met een doffe bons in een grote stapel pluche kussens. Hij keek om zich heen en zag dat hij in een ouderwets ogende huiskamer, in een grote pluche gele vadersstoel, terecht was gekomen. In de kamer bevonden zich een iets kleinere zelfde zetel, een sofa in vergelijkbare snit en een van grote krullen voorziene salontafel. Een forse glazenkast tegen de muur bevatte een groot aantal witte theekopjes en ander servies, alles verluchtigd met miniatuur oranjeappeltjes.

Maar wat het meest opviel in die kamer waren de uurwerken. Overal, op de grond, op tafels en tegen de muren stonden en hingen de prachtigste Friese, Franse, Hollandse en Duitse slingeruurwerken. Het was een hele collectie die op een veiling ongetwijfeld een astronomisch bedrag zouden opbrengen. Het merkwaardige was echter dat al deze klokken een andere tijd aanwezen. Niet één liep gelijk met de ander.

~*~*~*~

Muziek vulde de kamer en op de tonen van Vivaldi werd Ruud, zoals gewoonlijk om half zeven, gewekt door zijn wekkerradio. Hij gaf het apparaat, ook zoals te doen gebruikelijk, een forse dreun, zodat radio vier afdoende de mond werd gesnoerd en Ruud zijn droom kon afmaken.

Dat gebeurde dus niet meer, maar de radio was ook niet van gisteren want die begon na vijf minuten opnieuw muziek te produceren. Dit keer waren het de warrige wanklanken van wijlen de heer Massenet die Ruud´s slaapkamer teisterden. Dat hielp voortreffelijk en geeuwend krabde hij zich de kriebels uit de haren waarna hij, zoals gewoonlijk om die tijd, nog eens hartstochtelijk kreunde. Hij had alweer hoofdpijn, wat bijna dagelijkse kost was tegenwoordig en daarom verkocht hij de radio, die het ook niet kon helpen, opnieuw een dreun. Een dergelijke kakofonie kon hij nu even niet verdragen. Maar inmiddels was hij nu toch goed wakker en de kans om opnieuw in slaap te vallen was voor vandaag voorgoed verkeken. Dat was ook niet de bedoeling want uiteraard werd hij binnen niet al te lange tijd op zijn werk in de boekhandel verwacht.

Triiiing, klonk het in de straat en Ruud, een verwoed railfanaat, herkende onmiddellijk de op deze plaats onwaarschijnlijke klank van het waarschuwingssignaal van een Haags tramrijtuig. “Huh, in Leiden?!”, vroeg hij zich vertwijfeld af, “ja daa-hag.” Maar hij vergat het voorval onmiddellijk weer want hij had zoals gewoonlijk de avond tevoren te diep in het glas gekeken en zijn kater, op dit moment het allerbelangrijkste op de hele wereld, was toe aan verzorging.

Hij douchte zich en kleedde zich aan, waarna hij zich aanmerkelijk beter voelde en het briefje vond van zijn vrouw Carina die nog niet terug was van de nachtdienst in het LUMC, het Leidse Academisch Ziekenhuis. Vervolgens zette hij thee, maakte zijn boterhammen klaar voor tussen de middag en at zijn bord Brinta terwijl hij met een half oog koppen snelde in het Leidsch Dagblad. Een bericht op de pagina buitenland deed hem de wenkbrauwen fronsen: “AMBASSADEUR STOLKMAN TE NIEUW AMSTERDAM STAPT OP.”

“Ja hoor, verlate 1 april grap; geintje van de krant”, bromde hij tussen zijn tanden, maar tijd om die gedachte verder uit te werken was er niet want het was inmiddels half acht en hij moest als de wiedeweerga naar zijn werk.

Santhorst sloot het huis af, pakte zijn fiets uit de schuur, ging achterom, stapte op zijn snelle Jelle Gazelle en peddelde via zijn normale route Haagweg, Noordeinde en Breestraat naar zijn werk op de Nieuwe Rijn. Maar bij de kruising met de Churchilllaan kreeg hij opnieuw een schok te verwerken. Er kwam hem een tram tegemoet met ´Voorschoten NS´ op de richtingfilm. Ruud stopte en keek met open mond de tram na, die links naar de Churchilllaan afsloeg. En ja, er lagen rails in de straat, terwijl hij toch zeker wist dat het eind april 2006 was en de laatste tram in Leiden al in 1962 was opgedoekt. Hadden ze trouwens nooit moeten doen. Maar ja, dat waren nu eenmaal de harde feiten, en wat hem betreft het eerste feit ooit dat niet waar bleek te zijn.

Hij schudde zijn hoofd. Hallucineerde hij? Nog een verlate aprilgrap en dat op 22 april. Zijn hoofdpijn lag dreigend op de loer, want ter hoogte van de kruising met het spoor naar Utrecht was een verhoogde tramhalte die er opmerkelijk reëel uitzag. Enkele mensen stonden te wachten op de tram uit Voorschoten die hem achteropkwam.

Vijf minuten later arriveerde hij op zijn werkadres in de ‘Boekhandel met de wenteltrap’ op de Nieuwe Rijn tegenover het stadhuis. Hij reed zijn fiets door de winkel, sjouwde hem de vijf treden op naar het achterhuis en stalde hem zoals gewoonlijk op het plaatsje onderaan de Burcht.

“Goedemorgen meneer Van Ingen.”
“Goedemorgen Ruud, goed geslapen zeker? Je bent alweer te laat!”
“Sorry meneer Van Ingen, het zal niet meer gebeuren.”
“Ja-ja, dat zal wel”, zei Van Ingen met een zucht. “Ga maar gauw aan het werk. Mag ik je er trouwens op wijzen dat je geen stropdas draagt; je weet dat wij dat hier buitengewoon op prijs stellen.” Ruud knikte, stapte de winkel binnen, groette zijn collega Ada en constateerde dat er nog geen klanten waren, wat niet ongebruikelijk was om deze tijd.

Vijf minuten later stapte een man met een zwarte baret, gekleed in een ouderwets donker driedelig pak en zonder overjas, de winkel binnen. Terwijl hij over de drempel stapte keek hij op een groot knol-horloge die aan een kettinkje in een daarvoor aangebracht zakje op het gedateerde vest werd teruggestopt. De man liep direct door naar de geschiedenishoek.

“Kan ik u helpen?”, vroeg Ruud.
“Welzeker”, zei ‘meneer baret’ met een merkwaardig accent. “Er moet een boek zijn uitgekomen die handelt over de taalperikelen in de jonge Amerikaanse republiek in 1782. U weet wel van de Leidse professor Rosenberg.”
“Hoe bedoelt u?” vroeg Ruud. “Ik ken Rosenberg natuurlijk, maar van een dergelijk boek weet ik niets.” Hij zag de man verbaasd naar hem kijken. “Het is gisterenavond uitgebreid behandeld in Nova.”

Ruud haalde zijn schouders op. “Het spijt me, ik heb niet gekeken, ik zal het mijn collega vragen. Ada, weet jij er iets van?” “Maar Ruud”, was het verbaasde antwoord. “Je hebt er gisteren nog twee van verkocht!” Nu was het Ruud’s beurt om verbaasd te kijken. “Is de wereld dolgedraaid,” vroeg hij zich vertwijfeld af. “Eerst die rare krantenkop, dan die tram op de Haagweg en nu weer zoiets mafs.” Het was allemaal nogal verwarrend en buitengewoon bevorderlijk voor zijn hoofdpijn die weer was komen opzetten.

Hoe dan ook, hij verkocht het boek dat in een grote stapel op de tafel met nieuwigheden bleek te liggen aan de man met de baret en later op de ochtend, toen het even stil was, las hij het voorwoord van het boek. Het bleek te gaan om de polemieken in de pas opgerichte senaat van de jonge natie, de Verenigde Staten, in 1782. Men zou stemmen over de vraag of de voertaal in de nieuwe unie Engels, dan wel Nederlands zou worden, de taal die tot dan toe als lingua franca tussen de verschillende taalgroepen was gebruikt. Het artikel eindigde met: “Heden ten dage kunnen we ons niet voorstellen dat de uitslag van de stemming anders zou zijn geweest. In dat geval zou onze mooie moedertaal een veel kleinere plaats op het wereldtoneel hebben ingenomen dan zij thans inneemt en ongetwijfeld verdient.”

Ruud krabde zich maar weer eens met het voor hem karakteristieke gebaar achter de ruim bemeten oren. Dat impliceerde dat de voertaal in Amerika Nederlands zou zijn, bedacht hij. Om je dood te lachen, maar het stond er echt. Belachelijk, hoe kon iemand, en dan nog wel de beroemde taalkundige Frank Rosenberg, die toch om zijn reputatie zou moeten denken, zoiets belachelijks op papier zetten. Hij zou er in Nova beslist ongenadig van langs hebben gekregen. Even later werd hij door de klanten in beslag genomen en die ochtend had hij geen tijd meer om er nog langer over na te denken.

~*~*~*~

Omdat het prachtig lenteweer was benutte hij de middagpauze om halverwege de burchtheuvel in het zonnetje, half onder een grote kastanje, zijn middagbrood te nuttigen. Onder het eten moest hij onwillekeurig terugdenken aan al die recente waanzinnigheden, maar hij werd aangenaam gestoord door Ada de Wit die met een plof naast hem kwam liggen. Zij was zoals altijd apart gekleed en droeg een paarse wielrenbroek met een openvallend lila jack met daaronder een iets lichter T-shirt, en ondanks de warmte, een grote rode hoed. Het was onbegrijpelijk dat Van Ingen deze uitdossing goedkeurde. Maar het stond Ada met haar licht getinte huid fantastisch vond Ruud, en wie was hij om zijn uitzicht op haar ellenlange onderdanen te betwisten. Zij had haar pumps uitgedaan en hij kon zien dat ze met haar tenen als het ware met de grassprietjes aan het stoeien was.

Hierdoor kwam het dat Ruud, al keuvelend, geen tijd had om zijn overwegingen verder uit te werken. Bovendien paste hij ervoor om er met Ada over te praten. Hij zou een flater van jewelste slaan en dat was wel het laatste wat hij wilde. Ook ‘s middags was er geen tijd meer en toen hij tenslotte thuiskwam legde Carina juist de laatste hand aan de avondmaaltijd.

Later keken ze samen naar het journaal. Nieuwslezeres Asta Appelboom noemde onder meer de rede van de Amerikaanse president die meldde dat de troepen in Iran geleidelijk zouden worden teruggetrokken. Op zichzelf was dat goed nieuws maar hij schrok toch weer van zo’n verwarrend feit waartegen Ruud vandaag al eerder tegenaan gelopen was. Volgens Asta heette George Bush ineens Georg Vandenbosch en de taal die hij sprak was, hoewel ondertiteld, beslist geen Engels maar meer een soort ouderwets Nederlands. Ongeveer zoals het Zuid Afrikaans, maar dan met een rollende Amerikaanse rrr; dat wel.

Het tweede item in het journaal ging over wat werd genoemd de ‘Ambassadeur voor de beide Amerika’s te Nieuw Amsterdam’, waarvan hij die morgen de kop in de krant had zien staan. Er werd aangekondigd dat oud premier Evert Stolkman zou terugkeren naar Leiden omdat hij een baan in het bedrijfsleven had aangenomen. Hij zou ter plaatse worden opgevolgd door Magda van Bergen die ‘onderwijs’ zou overdragen aan haar huidige staatsecretaris Sonja Groenewoud. Een vrouwvriendelijk onderonsje waar Carina hoogst content over was.

Ruud nam een besluit, krabde zich weer eens achter de oren en zei: “Carina, er is iets heel geks aan de hand.” Hij vertelde haar over de tram, het boek in de winkel en over politieke situaties die heel anders leken te zijn dan dat hij zich herinnerde. Terwijl hij sprak staarde Carina, die op de afdeling Neurologie van het Leidse Academisch Ziekenhuis werkte, hem met een verwilderde blik aan. “Maar Ruud”, zei ze toen hij was uitgesproken,“ volgens mij ben je behoorlijk in de war. Al die dingen die volgens jou nieuw zijn, zijn dat helemaal niet. Je moet maar eens met Rens Dijkstra gaan praten. Ik zal vanavond tijdens de dienst wel een afspraak voor je regelen. Het is gewoon goed dat de oorlog in Iran op zijn eind loopt en dat van Stolkman, daar zie ik niets bijzonders in. We hebben het er gisteren nog over gehad. Je hebt zelf gezegd dat het te verwachten was,” besloot ze en liep resoluut naar de keuken om opnieuw koffie in te schenken.

~*~*~*~

Dat was het dan en Ruud viel stil. Hij vroeg zich af wat er gaande was. Hij dacht terug aan de vorige avond toen hij op de fiets naar Leiderdorp was gegaan om een bezoek te brengen aan zijn vriend Marius die daar in de buurt van het Rijnland ziekenhuis woonde. Onderweg, ter hoogte van de Stierenbrug kwam een vliegtuig laag overvliegen die de landingsprocedure uitvoerde naar de Kaagbaan van Schiphol. Ter hoogte van het park de Houtkamp had hij in het donker het vliegtuig, dat wel erg uitbundig was geïllumineerd ineens als het ware stil zien blijven hangen op een hoogte van minder dan honderd meter schuin boven zijn hoofd. Hij was afgestapt en zag de pulserende lichtrode en gele tinten in een kruisvorm tegen de donkere lucht afgetekend. Duidelijk hoorde hij de motoren op een rustige toon stationair zoemen. Het was het geluid van een vliegtuig dat op het luchthaven platform stationair staat te draaien en niet van één van een achterwaarts afremmende jet, klaar om te landen.

Hij had het onbestemde gevoel gehad dat hij van bovenaf werd geobserveerd. Maar ineens was het allemaal over. Terwijl hij het tafereel gedurende een tweetal minuten had bekeken, werd het geluid ineens enkele octaven hoger en het tuig zette zich opnieuw in beweging en verdween, sterk accelererend tot hoge snelheid, in noordelijke richting achter de bomen van het park. Ruud had zijn hoofd geschud en was weer op zijn fiets gestapt. Het was òf een VTOL geweest, zo’n ding dat vertikaal kan landen en opstijgen, maar die had hij alleen maar op TV gezien, òf een UFO, bedacht hij, maar beslist geen wentelwiek waar hij eerst aan had gedacht. Die klonken heel anders; dit was beslist different koek.

Dat er iets bijzonders aan de hand was, iets wat hij met de beste wil van de wereld niet kon verklaren, was helder, of eigenlijk was het helemaal niet helder. Carina dacht dan wel dat hij met de neuroloog Dijkstra zou moeten praten, aardige man trouwens, maar om nou maar gelijk in therapie te gaan leek hem wat vergezocht. Hij wist wat hij had gezien en gehoord en mede omdat één van zijn hobby’s geschiedenis was, had hij altijd een redelijke voorstelling gehad van zowel de landelijke- als de wereldpolitiek. En dat de wereld er anders uitzag dan vierentwintig uur geleden, was op een subtiele en intrigerende manier duidelijk. Op het eerste gezicht was alles zoals het was, maar dan met uitzondering van een aantal opvallende zaken.

Carina kwam met de koffie, kuste Ruud, zei dat ze naar het LUMC ging en droeg hem op het hart om het vooral rustig aan te doen. Zij zou een afspraak regelen. Ruud zette de radio aan en luisterde een poosje aandachtig naar een prachtige symfonie van Mozart en pakte vervolgens zijn geschiedenislexicon uit de kast om eens te verifiëren wat er allemaal aan de hand zou kunnen zijn. Op miraculeuze wijze bleek het boek te zijn aangepast aan de situatie zoals die blijkbaar in dit afgescheiden universum gold.

Het boek zei hem dat de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring naar behoren in 1776 was afgelegd, onmiddellijk gevolgd door politieke erkenning door de Nederlanden van de nieuwe staat èn erkenning door de VS van de staat Nieuw Nederland met Nieuw Amsterdam als hoofdstad. Later was Nieuw Nederland onderdeel van de Verenigde staten geworden en als dominante economische en sociale factor de hoofdstad van de Verenigde Staten der beide Amerika’s, omvattende een Engels en een Nederlandse erfdeel, met het Amerikaans Nederlands als voertaal.

Ruud dacht er het zijne van. Hij realiseerde zich dat hij in een parallelle wereld was terechtgekomen, in onderdelen afwijkend van de bekende, maar in grote lijnen toch hetzelfde. Carina was haar vrolijke zelf. De boekhandel waarin hij werkte was, behalve die ene titel, onveranderd. Zijn ontmoeting met de Ufo in Leiderdorp en de droom van de vorige nacht hadden ermee te maken, maar de grote vraag was hoe weer terug te komen in zijn eigen wereld? Ruud krabde zich maar weer eens achter zijn oor en schouderophalend besloot hij vroeg onder de wol te kruipen. Maar eerst, ha fijn, een borrel van Floryn en een lekkere sigaar die hij op het bankje in de achtertuin met smaak rookte. Hij had de deur naar de huiskamer open laten staan zodat hij kon genieten van de onwaarschijnlijk mooie muziek van vader Bach. Pasen was dan wel net achter de rug, maar hij kon ook buiten de paastijd genieten van de passies van Mattheus en Johannes.

Er was geen maan en weinig sterren. Maar die waren er bijna nooit met alle lichtvervuiling in de randstad. Wat er wel was, was de vergetelheid van de fles jenever die hij, om alle merkwaardige dingen van de laatste vierentwintig uur te kunnen vergeten, alle eer aandeed. Zoals gewoonlijk wees een klein stemmetje in een hoekje van zijn brein hem er op daarmee op te houden, want morgen zou hij weer een prachtvolle hoofdpijn onder – nee achter de ogen tegemoet kunnen zien. Een weinig aanlokkelijk vooruitzicht wat hem echter niet belette er met volle teugen tegenaan te gaan. “O Haupt voll Blut und Wunden”, zong het Bachkoor, Ruuds aanstaande hoofdpijn verder uitdiepend.

Vanaf een punt schuin boven het huis aan de overkant schenen twee lichten hem recht in de ogen. Hij knipperde en probeerde de lichten te laten verdwijnen. Omdat dat niet lukte schudde hij zijn hoofd. Maar het licht bleef terugkomen. Bovendien was het net alsof hij iets voelde kriebelen in zijn hoofd en hij hoorde iets op dezelfde manier zoemen als de vorige avond in Leiderdorp. Hij probeerde dat gevoel weg te krijgen door met zijn hoofd te schudden. Maar de kriebeling èn het zoemen bleven aanhouden. Het enige wat hij kon bedenken was dat hij weer eens bezopen was en geïrriteerd zei hij tegen de lichten in zijn ogen: “Donder op jullie, wegwezen!” Iemand grinnikte en de lichten verdwenen zowaar.

Ruud liet de fles in het gras vallen, draaide zich om en stapte met de onwillige resoluutheid van iemand die hem om heeft zijn huis binnen. Stuiterend liep hij de trap op naar boven en liet zich zonder zich te bekommeren om schoenen en kleren op zijn bed vallen waar hij in een comateuze slaap viel.

De volgende morgen scheen de zon uitbundig. Ruud werd door een knorrige Carina die terugkwam van de nachtdienst, gewekt. Tijdens het scheren keek hij de koppen van de krant na.

“Europese archeologen zijn tot de conclusie gekomen dat de Bosnische heuvel Visocica een door mensen gebouwde piramide is.” En: “In de Egyptische toeristische badplaats Dahab aan de Golf van Akaba vinden drie explosies plaats, vermoedelijk door aanslagen, waarbij minstens 30 doden en circa 150 gewonden vallen.”

Kortom, Ruud was weer thuis.


Korte verhalen index