De kroezeboom

De Nada Kronieken, deel 46

Door Hans Brockhuis

De citaten zijn, met instemming van de auteur, overgenomen uit Rudi Klijnstra’s boek: Tanfana; uitgeverij ANNWN; ISBN 978-90-9021556-3.

Meer informatie over het Stift te Weerselo is te vinden op de volgende websites:
www.hetstift.nl/
http://www.natuurlijk.nl/natuurlijkheden/2001/het_stift.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Het_Stift


- 1 -

Moeder Ana haastte zich van de vicarie naar het stenen kerkje van het stift te Weerselo. Ze moest hoognodig bidden en om kracht vragen van de allerhoogste. Ze had zojuist een tijding vernomen die ongetwijfeld de grootste verandering ooit in het leven van het stift zou betekenen. Natuurlijk wist ze van de storm van reformatie die door de Nederlanden en grote delen van Europa had geraasd en nog raasde. Maar tot nu toe waren het Oversticht, en Twenthe dat daar onderdeel van uitmaakte, daarvan verschoond gebleven. Kort geleden was Oldenzaal door de staatse troepen op de Spanjaarden veroverd en de staten van Overijssel hadden verordonneerd dat ook het Weerselose stift eraan moest geloven en zich diende aan te sluiten bij de reformatie. Een predikant was al benoemd, Adam Lindenhovius, en die zou overmorgen, zondag, de eerste reformatorische dienst in de kerk leiden.

Pastoor Johannes de Borch was ook bij het gesprek aanwezig geweest. Ana had gezien dat deze toch altijd zo kordate man het daarbij buitengewoon moeilijk had gehad en dat hem het huilen nader stond dan het lachen. Het moest voor hem niet makkelijk zijn en het enige wat hij aan de vergadering had toegevoegd was dat hij terstond ontslag nam en zou terugkeren naar zijn geboorteplaats.

Voordat ze haar stiftjuffers bijeen zou roepen om de tijding te verkondigen zocht ze kracht voor het altaar en sprak rechtstreeks tegen het grote kruisbeeld die daar al eeuwen geleden was geplaatst.

“Lieve Ana”, scheen het beeld tegen haar te zeggen. “Vreest niet, want vele veranderingen blijken in de praktijk mee te vallen. Het is niet zozeer dat ik de nieuwe religie wil verheerlijken. Het gaat erom dat de manier waarop de religie wordt beleefd doorslaggevend is voor het welzijn van degenen die geloven. Het is niet belangrijk of het geloof wordt gevierd onder het regiem van Rome, of dat anderen de scepter zwaaien. Het geloof kan tenslotte ook onder de Kroezeboom van de Fleringer Es beleden worden. Op die manier kan gezegd worden dat de intentie doorslaggevend is, niet de omgeving waarin die intentie wordt uitgesproken.”

“Wat op dit moment voor je volgelingen van belang is, Ana, is de manier waarop zij geriefelijk met hun geloof kunnen omgaan. Ik raad je aan om eerst met de pastoor spreken en hem te vragen aan te blijven zolang er nog juffers zijn die het Roomse geloof wensen aan te houden. Hij kan dan bijvoorbeeld zijn missen in de vicarie opdragen voor hen die daarvoor voelen. Ondertussen kan predikant Lindenhovius, die overigens een uitermate rechtschapen man is, de kerk in gereedheid laten brengen voor de wijze waarop hij zijn geloof wil prediken. Geleidelijk zullen zijn diensten steeds beter worden bezocht, totdat er onvermijdelijk een dag komt dat er op het stift geen Roomse eredienst meer zal worden gehouden. En dat is, zoals ik al aangaf, in het geheel niet iets om bedroefd over te zijn. Ga nu Ana, en spreek met meneer pastoor.”

Ana vond de zielenherder in de pastorie waar hij samen met zijn huishoudster druk in de weer was om allerlei kisten in te pakken. Zij vroeg en kreeg belet, waarna de pastoor haar vertelde dat hij de volgende dag zou vertrekken. “Luister mijn kind”, pastoor Johannes leek nu weer uiterst zelfverzekerd, “Het lijkt erop dat ik jullie in de steek laat, maar dat is niet het geval. Ik heb gesproken met pater Smithuis. Je hebt hem hier wel eens gezien met zijn paard- en wagen. Hij heeft aangeboden om in het ‘hilligen huesken’ bij de kroeseboom van Fleringen van tijd tot tijd de mis te lezen. Het is aan jou om boodschappers in Weerselo en Fleringen rond te sturen om de gelovigen daarop opmerkzaam te maken. Jij en de juffers die dat wensen, kunnen daar gebruik van maken”.

Dat moest Ana even verwerken. De Kroezeboom, op een kruispunt van leylijnen was een teken van gerechtigheid, wist ze. Het veldkapelletje, dat er naast stond, werd vaak bezocht door rondtrekkende lieden en er lagen altijd bloemen in de nis voor het kleine altaar. Deze kapel was door de katholieke kerk nooit erkend omdat daar de godin Tanfana werd vereerd, een restant uit heidense tijden.

De meeste sagen over de godin Tanfana, wist Ana, stamden uit de periode dat Twenthe al was gekerstend en de maan/zonverering langzamerhand ophield te bestaan. Tanfana was een vruchtbaarheidsgodin, die vooral na een overvloedige oogst met dankoffers werd vereerd. Zij was volgens de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus de hoofdgodin van de Germaanse stam de Marsen. Zij hadden in het jaar 9 na Chr. meegestreden in een opstand tegen de Romeinen, die in het Teutoburger Woud een enorme nederlaag hadden geleden.

- 2 -

Gesterkt door haar gebed en haar gesprek met vader Johannes haastte moeder overste zich naar het huis waar de juffers woonden en deelde het nieuws aan hen mee. Dat deze mare als een bom insloeg was niet zo verwonderlijk maar over het algemeen werd het nieuws met de nodige scepsis ontvangen en twee van de dames verklaarden onomwonden dat zij zich bij het geloof van de dominee zouden aansluiten.

Ana was tevreden dat het merendeel van de juffers er zo over dacht. De volgende dag begonnen werklieden allerlei ornamenten de kerk uit te dragen en met onbekende bestemming weg te voeren. Opgelucht stelde zij vast dat het niet met geweld ging, want ze had ervan gehoord dat in vele andere kerken, elders in den lande, de beeldenstorm had geraasd. Hier was van dit alles niets te bespeuren. Onder leiding van de weledele heer dominee, die een aangenaam mens bleek te zijn, ging alles gepaard met een waardigheid die Ana dan wel niet gelukkig maakte maar haar toch het gevoel gaf dat hier met liefde werd omgegaan met de bezittingen van anderen.

Mede daardoor ging het dagelijkse leven op het stift op vrijwel oude voet voort, met dien verstande dat de zondagse mis, zondagse dienst werd. Ana had die eerste dienst meegemaakt. Ze miste pastoor Johannes, de misdienaar op het altaar en vooral het brood dat niet werd gebroken en de wijn die niet werd geschonken. Ana vond het maar een kale bedoening maar moest toegeven dat dominee Lindenhovius zijn best deed het iedereen naar de zin te maken.

- 3 -

Op de zondag, twee weken nadien, wandelde Ana met enkele van haar juffers naar de Fleringer Es. Het was prachtig zomerweer, allerlei vogels kwinkeleerden in het struweel dat het pad omzoomde en hoewel het Ana vreemd te moede was, keek ze verlangend uit naar de bijeenkomst bij de Kroezeboom, waarbij tenminste weer sprake zou zijn van een echte eucharistieviering, compleet met brood en wijn.

Toen de dames het bos uitkwamen en de open es betraden konden ze zien dat er zich al een aantal gelovigen rond de boom hadden verzameld. De kar van pater Smithuis was ook al gearriveerd en er hing een sfeer van verwachting, een tastbaar gevoel dat er hier iets groots stond te gebeuren.

“Beminde gelovigen,” vader Henricus stond in zijn kerkelijke gewaden achter op zijn wagen en sprak de menigte toe: “De essentie van het leven is liefde. In zijn eenvoud doet deze uitspraak je beseffen dat je, wanneer je liefde in het dagelijkse leven integreert, samen met anderen op weg bent naar je eigen bestemming. En dan maakt het niet uit vanuit welke invalshoek dit wordt bekeken. Het feit dat we hier allemaal bij elkaar zijn gekomen bij deze prachtige boom markeert de nieuwe tijd die in de Nederlanden en thans ook in ons geliefde Twenthe is aangebroken. Maar laat u dat er niet van weerhouden om in te zien dat liefde de essentie is van alles waar het in het leven om draait. Liefde voor de kerk, Liefde voor je familie, Liefde voor anderen, Liefde voor alles wat leeft. Maar ook liefde voor degenen die je vijanden lijken te zijn. Want die zogenaamde vijanden, die anderen, zijn dat werkelijk tegenstanders? Misschien denkt u wel dat die anderen, diegenen die de reformatie aanhangen, afvalligen zijn? Maar leerde Christus zijn leerlingen niet de andere wang toe te keren wanneer zij zouden worden geslagen?...”
Ana was dankbaar dat vader Henricus er net zo over dacht als de nieuwe dominee. Beiden weigerden om de ander als tegenstrever te zien, maar veel meer als exponenten van het geloof in dezelfde bron, waarvan de stroom zich weliswaar in twee vorken had gesplitst, maar die als zodanig en voor altijd tot hetzelfde stroomgebied zouden blijven behoren. Deze zonnige dag, schijnbaar één als alle anderen, was een heel bijzondere geworden, Het deed je beseffen dat Liefde het Alfa en Omega van het leven zijn. En dat gespletenheid niet de juiste weg is.
Na de mis keerden Ana en de juffers met een voldaan gevoel terug naar het stift. Het was het begin van een nieuwe tijd. Een tijd die geplukt zou worden zoals die was gekomen en die nieuwe kansen betekende voor iedereen. Welk geloof je ook aanhing. Hadden zij daar onder de Kroezeboom niet geleerd dat leven liefde is? Ana hoopte vurig dat er in haar stift nimmer sprake van tegenstellingen zou zijn.