De Gouden Poort

NL

The Golden Gate in the Heavens

UK

Nada Chronicles # 93

Hans Brockhuis

 

 


De Gouden Poort

Zojuist regende het nog. Niet alleen hier, maar ook ver weg. Het waren plaatselijke hoosbuien in Nederland, en voortdurende regenval, overstromingen en narigheid elders in Europa. Maar waar ik was, was de hemel nog een beetje grauw en de lucht was vervuld van ozon en rook fris, blij en verwachtingsvol.

Schuin boven me ontwaarde ik een ovaal lichtende gouden plek in de wolkenversluiering die mijn blik trok en tot mijn verbazing ontsteeg ik met een zwierige zwaai onverwacht de aarde en reisde schuin omhoog in de richting van het gouden oog in de lucht.

Door een onzichtbare kracht werd ik meegevoerd en ik vroeg me af wat ik zou aantreffen. Wat trok mij aan? Wie bewerkstelligde dit? Ik had geen idee. Wel wist ik dat het heel vredig was. Er daalde een warme sereniteit over mij neer, die mij alle Aardse beslommeringen deed vergeten en die me verzekerde dat het onvoorwaardelijke liefde was die me begeleidde.

Een stem sprak over mededogen, over goedheid en over de kracht die alle levende zielen in dit en andere universa verbindt. Het was de kracht van God/Godin/Bron. De levenskracht, de Ki, hoe je het ook benoemen wilt. En al die bewust levende wezens die onlangs nog al die waterellende over zich heen hadden gekregen, waren zonder uitzondering, bewust of onbewust met die universele levenskracht verbonden. Zo waren ze in staat om ervoor te kiezen om al dan niet letterlijk het hoofd boven water te houden, en hun leven aan welke zijde van de sluiers dan ook, voort te zetten.

Ik keek om mij heen en zag wolkenflarden die naarmate we stegen lichter en lichter werden. We? Ineens drong het bewust tot me door dat de liefde die ik in mijn nabijheid had gevoeld een metgezel was. Iemand die met mij meereisde, die met mij het zwerk doorkliefde en die mij dingen liet zien en me deed beseffen dat ik voordien van sommigen daarvan op een bewuste wijze geen weet had gehad.

Lichter en lichter werd het. Ook voelde ik mezelf steeds lichter worden naarmate we stegen. Plots waren de wolken verdwenen en ik was zo licht, nee lichter dan een veertje. Het licht was intens en ik voelde steeds meer die lichtheid, die liefde, die levenskracht die me omspoelde en die me streelde.

Plotseling vlogen we over een licht glooiend groen landschap. Mijn begeleidster die ik nog steeds niet kon zien, maar kon aanvoelen, wees mij op belangwekkende objecten, zoals een immens groot glazen gebouw met een enorme koepel. Ik besefte dat de Sint Pieter te Rome hierin vele malen zou passen. Binnen het gebouw waren wonderbaarlijke wezens zichtbaar, waarvan het voor mij onduidelijk was waar alle activiteiten waarmee ze bezig waren, voor dienden. Maar toen we laag over de koepel zweefden, ving ik een flard op van een gelukzalige genegenheid die de, vanuit mijn menselijke gezichtspunt gezien, niet al te fraaie wezens, uitstraalden.

Verderop werd ik een grote klomp graniet gewaar die als een losse tand hoog boven het landschap uitstak. In de buurt gekomen leek het of het graniet in een traag tempo vibreerde. Het leek te verhalen over de goede en slechte dingen die het gedurende zijn lange bestaan had ervaren. Deze enorme klomp steen straalde eenheid uit en het gevoel van saamhorigheid met alles wat bezield is. Want ook in dit enorme brok materie leek met leven te vibreren.

Nog weer verder stond een marmeren piramide die oprees vanuit een groot, groen woud. Op de punt van de piramide was een klein platform gebouwd waarop een soort vliegtoestel stond geparkeerd, en waaruit een aantal reptielachtige wezens stapte. Een van de wezens keek op en zag me klaarblijkelijk. Hij of zij keek me even aan met zijn koude, gele ogen, voorzien van een brede zwarte verticale streep. Tot mijn verbazing stak het wezen een viervingerige hand op en maakte daarmee onmiskenbaar een V-teken!

Nog steeds gingen we verder. Het bos hield op en maakte plaats voor een onmetelijke bloemenzee, die stond te wuiven in een lichte bries. Grote en minder grote dieren, bekende en onbekende, waarvan sommigen onmiskenbaar vleeseters waren, en weer anderen die de kenmerken hadden van planteneters, liepen vreedzaam door elkaar heen.

Vele vogels vlogen rond en streken soms neer op struiken en solitaire bomen tussen de kleurenpracht van al deze bloemen. Ik raakte niet uitgekeken over al dat moois, al die schitterende kleuren, waarvan ik er vele nog nooit gezien had en ik voelde me blijer en blijer. En deze opgetogenheid vergrootte zich en werd uitgelatenheid en ik had het gevoel dat ik in de lucht zou willen rondwentelen, om me zo één te kunnen voelen met al dat moois. Uiteindelijk leek mijn lichaam te vibreren met een gelukzaligheid die ik nog nimmer had gevoeld.

Toch was het nog niet alles want verderop meanderde een grote, gezwollen rivier, die we overstaken. Aan de andere kant was het allemaal niet zo mooi. De stad aan die kant van de rivier was ondergelopen. Verderop was de grond weer dor en droog. De gebouwen die we zagen waren door de tand des tijds verworden tot ruïnes en de wezens die hier rondwaarden stootten mij af. Ik wilde niets met dezen van doen hebben. Het maakte me heel erg bang.

Het was op dat moment dat mijn begeleidster aan me vroeg of ik dacht dat deze wezens net als ik geen kinderen van God waren, en niet ook de keus moesten hebben om tot het licht te kunnen komen. Natuurlijk, het was me weer eens gelukt om zonder er bij na te denken te oordelen over anderen. Met het schaamrood op mijn kaken moest ik beamen dat ook deze wezens de vrijheid hadden om hun eigen keuzes te maken en dat er soms maar een heel klein zetje nodig was om hen te doen beseffen dat ook zij geroepen waren tot het licht.

En er was ook nog dit andere aspect. Geen licht zonder duisternis; geen op zonder neer; geen droge grond, zonder water. Het leek erop dat ik alweer herinnerd moest worden aan deze toch zo overbekende feiten.

Ik was nog steeds een beetje beschaamd terwijl we verder zweefden en allengs werd de ondergrond weer groener en de horizon lichter. Ik was opgelucht, want ik had weer iets geleerd en wel uit de eerste hand en dat was iets om heel erg dankbaar voor te zijn. Ik keek opzij naar mijn metgezel want ik wilde haar bedanken, maar ik zag niets, nada, niente, nothing, nichts. Maar een warme stem zei:

“Besef je nu wat het is om licht te zijn, te voelen en te verschaffen? Ben je je nu bewust dat de zwaarte en de donkerheid die je hebt ondervonden slechts schijn zijn? Weet je nu dat de dualiteit die je hebt gevoeld slechts een manier is om te kunnen onderkennen dat er licht bestaat? Het is het licht om te kunnen zien, het licht om te kunnen zijn, het licht om te kunnen schenken. Je blik werd aangetrokken door de poort in de hemel en binnenin je was er een vraag. Je wilde weten wat zich achter die poort bevond. En nu vraag ik je: heb je gevonden wat je zocht?”

Ja, ik had het gevonden, en meer dan dat. Ik had een grote les geleerd en ik nam me voor om, wanneer ik weer op aarde zou zijn, dat licht te zijn, dat licht te voelen en dat licht te dragen. Want waarom moeten we de illusie van zwaarte in stand houden als het zoveel gemakkelijker is wanneer het licht en de liefde binnenin onszelf wacht om naar buiten te treden. Is het niet veel gemakkelijker om een lichte steen te dragen dan een zware? Is het niet gemakkelijker om in de avond bij het licht van een lamp te lezen, dan om je ogen te bederven in het donker?

Op hetzelfde ogenblik stond ik weer op de grond en keek dankbaar omhoog naar de lucht, waar ik zag dat de Gouden Poort zich weer had gesloten.

terug

The Golden Gate in the Heavens

Just moments ago it was raining heavily. The heavens still looked a bit grey, were full of ozone though, and smelled fresh, elated and loaded with expectation.

Askew above me an oval shining golden spot in the veil of clouds attracted my eye. To my surprise and with an elegant swing I unexpectedly rose up from the earth and seemed to travel in the direction of the golden gate in the heavens.
An unseen force took me and I wondered what to expect. What was it that pulled at me? Who brought this about? I had no idea. All I knew was that it felt serene. A warm tranquility enveloped me and I forgot all my earthly worries, assured it was unconditional love that had called me.

A presence, a force maybe, spoke softly about compassion, kindness, empathy and the power uniting all living souls in this and other universes. It was the power of God/Goddess/Source. The Power of Life, the Ki, or anything else you would name it. All sentient beings were, without exception, aware or unaware, connected to this universal power of existence. Thus they were able to choose to live, either here or there.

I looked about and saw fragments of clouds, which became clearer as we climbed. We? It occurred to me that the love I was feeling really was that of a companion. Someone who travelled with me, who moved with me through the skies and showed me things I had not been consciously aware of.

It grew lighter and brighter, and while climbing I felt as light as a feather. The luminosity was intense and increasingly I felt lightness, a love, and a power of life that bathed and caressed me.

Now we flew over a sloping landscape. My companion, whom I still could not see, showed me some astonishing objects, such as an immense glass building with a huge dome. Saint Peter’s Basilica in Rome would fit inside it many times. In the structure extraordinary beings were to be seen, and for me it wasn’t clear at all what the activities they performed could mean. But when we floated over the dome, I perceived a wisp of a blissful affection that was emanating upon, from my viewpoint, not too beautiful creatures.

Farther on I noticed a large piece of granite that stood high above the landscape like a loose tooth. While coming closer the stone seemed to vibrate slowly. It revealed images about good and bad it had perceived during its long existence. This huge piece of stone radiated oneness and a sensation of solidarity with all that is animated. The granite seemed to pulsate with a life of its own.

In the distance a marble pyramid arose out of a green forest. On the tip of the structure a small platform was built and some sort of flying machine was parked there, out of which a number of reptile-like beings stepped down. One of those looked up with cold yellow eyes, its pupils distinctly marked with broad black vertical bands. To my astonishment the creature raised a four-fingered hand and unmistakably showed me a Peace sign!

On and on we went. The forest disappeared, replaced itself by an immeasurable sea of flowers that waved in a gentle breeze. Bigger and lesser animals, both carnivores and plant eaters, roamed peacefully alongside each other. Some were unfamiliar to me.

Scores of birds were flying about, sometimes settling upon foliage or solitary trees in between the colourful beauty of the various flowers. I just couldn’t stop looking at all this loveliness, all the stunning colours of which many I had never seen before. I felt more delighted all the time. My happiness increased and became exuberant, and I felt like revolving in the air in order to feel one with all the splendor. My body seemed to vibrate with a bliss I had never before experienced.

It wasn’t over yet, because a short distance further on a big swollen river meandered. We crossed it, and on the other side it was quite a different story. The town on that side of the river was flooded. Farther on the high grounds were barren and dry. The buildings that we saw had become ruins by the ravages of time, and the beings lurking there repelled me. I did not want to mingle with them in any way. Seeing them caused me intense fear.

It was at that precise moment my companion asked me if I thought that these beings, just like me, would not be children of God and if they would also be in need of the possibility to choose for the light if so desired? Of course. It had happened again. Once again I had succeeded in judging others without thinking. With a blush of shame I could only admit that these beings also had the freedom to choose for themselves, and that sometimes only a little push was needed to make them understand they also had been called to the light.

There was another aspect. No light without darkness; no up without down; no dry ground without water. It seemed that once again I had to be reminded about these facts.

I was still a bit ashamed, yet by and by as we flew the ground became greener and the horizon lighter. I was relieved because once again I had learned something, and this was first hand information. Something to be very grateful for. I looked sideways to my companion and wanted to thank her, but still I couldn’t see anything. Yet I heard a warm voice that said: “Do you realize now what it is to be light, to truly feel it and to give it away? Are you aware now that the heaviness and the darkness you felt are only apparent? Do you understand now that the dualities you experienced are only a means to be able to recognize the existence of light? It is the light to be able to see, the light to be, the light to grant anything to others. The sight of the gate in the heavens touched you and inside you there was this question. You wanted to know what was to be found behind that gateway. And now I ask you: did you find what you were looking for?”

Yes, I had found it, and more. I had learned great lessons and then and there I made the intent that when back, I would try to be that light. Feel it and carry it forward. Because why do we have to maintain this illusion of heaviness when it is so much easier to let the light and the love within us to become evident? Is it not so much easier to carry a light stone than a heavy one? Is it not so much easier to read by the light of a lamp in the evening, than to spoil your eyes in the darkness? Is it not much better to face your fears and let them pass, rather than to oppose them?

On that very moment I was back on proper soil. Gratefully I looked up; where I saw that the golden gate in the heavens now had closed itself. I wanted to thank my unseen companion, but it was impossible to feel her delicate energy anymore.

back