Een witte gedaante

De Nada Kronieken, deel 39

 

© Hans Brockhuis 2007



“Kom je mee?”, zei de volledig in het wit geklede gestalte, “dan geef ik je een kort uitzicht op onbekende verten”.

Aanvankelijk twijfelde ik, maar ik ging natuurlijk mee en hand in hand begonnen we aan een grote reis die prachtige oorden en grote wijsheid omvatte.

~*~*~*~

Het is nog niet zo lang geleden dat ik een healingavond in Hazerswoude bezocht, die door Tineke van der Giessen van Center of the Soul op de van haar gewende uiterst prettige, welkome en integere wijze werd geleid.

Met een man/vrouw of 40 lagen we in de grote zaal op meegenomen matjes en onder onze dekens, om deze avond zo comfortabel mogelijk te kunnen ondergaan. Het licht werd gedempt; op de achtergrond speelde heel zacht rustgevende muziek.

Na haar inleiding gingen Tineke en haar assistente langs de rijen om één voor één de liggende mensen met uitgestrekte armen te zegenen en ervoor te zorgen dat de energieën vrijelijk konden stromen. Wij lagen allemaal ontspannen in afwachting wat er zou komen.

Iedereen die daar lag beleefde deze stilte, deze sereenheid op zijn eigen wijze en behalve de zichtbaar aanwezigen in de zaal kon ik voelen dat er vanuit ‘de andere wereld’ een groot publiek aanwezig was. Zielen die zich aangetrokken voelden door de heersende vooral vredige energie.

Met gesloten ogen hadden we ons allemaal overgegeven aan wat zou komen. Ook ikzelf had me daarbij met veel genoegen aangesloten en had me voorgenomen om ‘alles’, wat dat dan ook zou mogen zijn, over me heen te laten komen. En zo geschiedde.

Na enige tijd ervoer ik een onverklaarbare neiging om mijn ogen te openen. Omdat ik geen spelbreker wilde zijn probeerde ik die aandrift het hoofd te bieden, wat niet lukte. Ik kon zien dat de twee eerdergenoemde dames hun rondgang langs de rijen maakten. Ik ervoer de liggende mensen om mij heen en plotseling ontwaarde ik een derde gestalte die zich met geopende armen en handen een weg zocht tussen de rijen.

Ik kon mijn ogen niet geloven en vroeg me af waar deze illusie vandaan kon komen. Ik ontdekte dat deze jonge slanke vrouw niet Tineke, noch haar assistente konden zijn. Die bevonden zich verderop. Deze dame droeg bovendien een totaal wit gewaad en haar gelaatstrekken waren onzichtbaar omdat haar gelaat was gesluierd.

Even later was deze gedaante voor mijn positie aangekomen. Zij zegende met wijd geopende armen mijn ‘zijn’ en ik voelde een immense liefde van deze stille gedaante naar mij uitgaan. Deze materialisatie was een uiterst intense ervaring en voor mij bijna uniek. Eénmaal eerder was mijn overleden dochter Judith aan mij verschenen, maar hoewel ik het gelaat van deze dame niet kon zien, kon ik voelen dat dit Judith niet was. Wie dan wel? Omdat zij gesluierd was, was het me duidelijk dat het op dit moment niet essentieel was om te weten.

~*~*~*~

Toen ik mijn ogen weer sloot, dankbaar voor wat er zich voordeed, hoorde ik een fluistering in mijn brein.

“Kom je mee?”, heette het, “dan geef ik je een kort uitzicht op onbekende verten”.
“Ik wil wel, maar dan laat ik Tineke en al deze mensen in de steek”, antwoordde ik telepathisch.
“Ze zullen er niets van merken; je zult er geen spijt van krijgen”.
Nieuwsgierig als ik soms kan zijn vroeg ik: “Wie ben je?”.
“Dat is nu even niet belangrijk, hoor Hans, maar als je nu blijft talmen gaat deze kans misschien verloren. Kom je mee?”

Natuurlijk ging ik mee en hand in hand begonnen we aan een reis die prachtige oorden en grote wijsheid omvatte. Ik maakte kennis met vele zielen, ontmoette oude bekenden en verloor mij in de mooiste muziek, mooier dan die van Johann Sebastian Bach.

Huppelend met een aantal kinderen maakte ik een wandeling over een glooiing met hoog gras van een weldadig diepgroene kleur. We baadden in de beek, onderaan de helling, ademden geuren in die mij onder meer aan de Lady Nada deed denken. Ik mocht een gewaad aantrekken met een textuur die ik nog nooit eerder had gezien of gevoeld. Fijner dan het fijnste zijden voelde het aan. Het was jammer dat ik er na een tijdje weer afstand van moest doen.

Een schare wezens, wat niets anders dan engelen konden zijn, trok vreedzaam voorbij. Ze zwaaiden naar me; ik zwaaide terug. Een prachtig berglandschap ontpopte zich voor mijn geestesoog. Besneeuwde toppen waarvan de omlaag glooiende hellingen zich geleidelijk verloren in zuivere bossen en weiden. Klaterende beekjes zochten zich een weg naar het vreedzame dal waar zich allerlei soorten dieren ophielden. Ik werd een vredig tafereeltje gewaar. Twee jonge geitjes en drie leeuwenwelpen die tikkertje leken te spelen rond een grote eikenboom.

Hier en daar stond een bouwsel. Geen enkele was eender. Zonder dat iemand mij dat hoefde te vertellen wist ik dat elk gebouw in feite onstoffelijk was en werd bewoond door een ziel die zich zijn eigen tijdelijke woonstede had gecreëerd.

Hoog op de bergen was het koud; in het dal was het warm. Een Haiku kwam ter wereld in mijn brein:

Gaande in de sneeuw
ervaar ik warmte en kou
en herken waarheid.

Toen ik dat bedacht had ontdekte ik dat de koude die ik hoog in de bergen had ervaren eigenlijk geen kou was. Het was een tinteling, een andere hoedanigheid van de warmte in het dal die behalve dat ook vibratie van de koude in zich droeg en omgekeerd.

Het leerde mij dat alles – ondanks de uiterlijke verscheidenheid – één is en dat die eenheid de grondstof is van de liefde waarmede wij schepsels van de kosmos m/v allen doordrongen zijn. Dat dit er in het dagelijks leven niet altijd van komt, om het maar eens eufemistisch uit te drukken, is mede een uitvloeisel van het feit dat wij op een van de weinige planeten met vrije wil wonen en er dientengevolge soms behoorlijk een potje van maken. Noem het een uit de hand gelopen experiment.

Het mooie van dit alles is dat, in weerwil van al deze tegenstrijdigheden, afzonderlijke zielen deze uitdaging willen aangaan om door het verspreiden van een loyale levenshouding, bijzondere zaadjes te planten om uiteindelijk de mogelijkheid te bieden om liefde te laten zegevieren.

~*~*~*~

De muziek verstomde en ik was weer terug in de zaal in Hazerswoude. Het licht werd langzaam opgedraaid en wij werden verzocht ons geleidelijk weer terug te laten keren naar het hier en nu.

‘Mijn’ witte gedaante was verdwenen, maar ik wist dat zij vlakbij was en samen met anderen ‘om de hoek’ toekeek hoe deze bijzondere avond afliep en hoe wij allen ons wederom in de heksenketel van het leven van alledag zouden storten. En klaar zouden staan in geval van nood.

Het behoeft geen betoog dat ik uiterst dankbaar ben voor alles wat er die avond is voorgevallen en hoe ik als het ware aan de hand van de gestalte in het wit een glimp heb mogen opvangen van wat zich kan afspelen in de wereld na deze en al doende heb kunnen ervaren dat warmte en koude, liefde en angst, goed en kwaad, interpretaties zijn van ‘leven’.