lost paradize

'Lost paradise'

Marianne Driessen

www.matrix-art.nl

Eenheid in verscheidenheid


Blank of zwart; links of rechts; alloch- of autochtoon. We zijn allemaal mens

 

De Nada Kronieken, deel 119

door Hans Brockhuis


In deze tijd waarin het steeds maar weer lijkt alsof de mensheid, en dan de verschillende bevolkingsgroepen steeds meer van elkaar af te lijken drijven, ja met de rug naar elkaar toe lijken te gaan staan, vind ik dat het tijd is om een tegengeluid te laten horen. Natuurlijk ben ik niet doof en blind voor wat er allemaal in de wereld gaande is en met alle vluchtelingen in Europa lijkt het wel alsof we overspoeld worden met andersdenkenden. De realiteit is dat verreweg het grootste gedeelte van de (Syrische) vluchtelingen in de regio, zoals dat wordt genoemd, worden opgevangen.

In de 17e eeuw, wat bij ons de gouden eeuw wordt genoemd, waren we maar wat blij met de instroom van de Hugenoten uit Zuid Nederland en Noord Frankrijk die vluchtten voor de godsdienstonvrijheid die daar heerste. Hier, in de Noordelijke Nederlanden, waren we een stuk toleranter en al die werkkrachten en verlichte breinen konden we maar al te goed gebruiken.

Was het toen de tegenstelling Protestant-Katholiek, tegenwoordig is het de tegenstelling Christelijk-Islam die de boventoon voert in de hedendaagse discussies. En dat laatste wil ik graag nuanceren.

Enkele jaren geleden schreef ik een essay met als titel David en Isma’il, dat handelt over de controverse tussen het Jodendom (wat in dit stuk hier de Christelijk-Joodse traditie vertegenwoordigt) en de Islam. Het laat zien dat ‘zij’ en ‘wij’, als het erop aankomt niet zo heel erg verschillend zijn en dat wij allemaal gewoon mensen zijn met onze angsten, onze noden en onze liefde.

~*~*~*~

David en Isma’il
David Schmidt liep eenzaam door de met regen doordrenkte straten van Amsterdam. Hij had er behoorlijk de smoor in want hij voelde zich veel te opvallend in zijn oude versleten jas met de grote gele davidsster. Het liefst wilde hij zich zo klein mogelijk maken om vooral niet gezien te worden. Achter een hek blafte er plots fanatiek een hond naar hem. Hij schrok zich een ongeluk, want David wás angst. Vijf jaar geleden, in 1938, was hij met zijn ouders en zusje gevlucht vanuit Schwabach bij Neurenberg naar het toen nog gastvrije Nederland. Het leven was voor joden bijna ondraaglijk geworden in het kleine stadje in Beieren en hier hadden ze onderdak gevonden bij de Nederlandse tak van de familie.

Hij voelde zich bijna altijd angstig, maar desondanks bezat hij ook mededogen, want hij kende geen haatgevoelens voor al diegenen die hem en zijn familie in zijn nog jonge achttienjarige leven kwaad hadden berokkend. En dat was uitzonderlijk, want als hij op Sjabbat, na het bezoek aan de synagoge met zijn vrienden opliep, was er altijd wel iemand die overliep van wrok en daar de anderen luidkeels van probeerde te overtuigen.

Op dit moment was hij op weg naar zijn kleine huis, in de 1e Goudsbloemdwarsstraat in de Jordaan. Zijn aandacht werd getrokken door luid geschreeuw en tot zijn afgrijzen kon hij nog net zien dat zijn ouders en zijn zusje in een grote Duitse vrachtwagen werden geladen, op weg - waarheen? Schreeuwend rende hij naar ze toe. “Niet doen, help, vader, moeder…” Onmiddellijk werd hij door een grijnzende Duitse SS officier in zijn kraag gevat en zonder plichtplegingen bijna achteloos achter in de wagen gekieperd.

~*~*~*~

Isma’il Al-Qa’im liep met een stel vrienden door de zonnige straten van Jeruzalem. Het was Jom Kippur en daarom was het rustig op straat. Luidruchtig liepen ze met zijn allen te schelden op de Zionistische varkens, de Christenhonden en de vette kauwgom kauwende Amerikaanse toeristen die in hun korte broeken en veelkleurige hemden deden alsof de stad van hen was.

Vijf jaar geleden, in 1968 was hij met zijn ouders, zijn broers en zijn zussen uit een dorpje bij Arikâ, Jericho zeiden de westerlingen, naar Jeruzalem gevlucht, waar ze bij familie konden komen inwonen in een al overvol huis in het oostelijke stadsdeel. Door alle ellende die hij had meegemaakt wás Isma’il haat geworden. Maar behalve die haat, die altijd op de loer lag, had Isma’il ook oog voor de schoonheid van de natuur. Toen hij nog vlak bij de rivier de Jordaan woonde, placht hij vaak in zijn eentje naast een watervalletje te gaan zitten om na te kunnen denken en om te kijken naar de mooie dingen die de natuur te bieden had. Toen hij eenmaal in Jeruzalem woonde, was hij een keer door zijn neven en ooms mee naar de Tempelberg genomen. Hij had genoten van het uitzicht en zag al mijmerend vanuit zijn hoge perspectief een gouden stad aan zijn voeten liggen. Een land van melk en honing, zoals de joden het noemden. Een land van vrede, waar de mensen van alle religies met elkaar op vredige wijze in staat waren om samen te leven.

Hij was van zijn eigen gedachten geschrokken en opeens herinnerde hij zich weer de vernederingen die hem, zijn familie en zijn vrienden waren aangedaan. Uitroeien die handel, dát was de boodschap!

~*~*~*~

David en zijn familie werden, samen met een groot aantal anderen weggevoerd naar het doorgangskamp Westerbork. Ze verbleven daar enkele maanden onder erbarmelijke omstandigheden. Hij zag zijn moeder en zuster maar zelden, want die zaten in een ander deel van het kamp. Enkele maanden later werden hij en zijn vader met vele anderen in een goederenwagon gepropt. Na vele dagen zonder voedsel en zonder sanitair arriveerden ze in een enorm Lager en werden daar in een grote barak met boven elkaar getimmerde britsen ingekwartierd.

Het leven was hier nog slechter. De Duitsers waren wreed en het eten was karig en walgelijk. Bovendien vergingen ze van het ongedierte. Zoals aan alles, kwam daaraan op zekere dag een eind. Op 28 oktober 1944 werden hij en een groot aantal andere mannen met veel lawaai in een grote kamer gedwongen. Ter ‘ontsmetting,’ zoals werd gezegd. David nam op die dag, hij was 29 jaar, afscheid van het leven. In een groot aantal opzichten was dat een bevrijding.

~*~*~*~

Isma’il was bijna thuis, maar toen hij de straat overstak, hoorde hij een hels kabaal. Hij rende zijn straat in en liep pardoes tegen een Israëlische soldaat op met een automatisch geweer. Vlug overzag hij de situatie en het bleek dat er een aantal van zijn Palestijnse landgenoten met hun handen in de nek door de Israëli werden afgevoerd naar een grote legertruck. De soldaat zei iets tegen hem, maar omdat Isma’il die taal niet verstond wist hij niet wat er van hem werd verwacht. Bovendien was hij helemaal niet van plan om zich iets aan te trekken van wat het dan ook was dat de gehate zionist hem te zeggen had. Als een haas draaide hij zich om en zette het op een lopen. Hij kwam niet ver. Met een gericht schot werd Isma’il, 19 jaar oud, op 27 oktober 1973 op de vlucht van het leven beroofd.

~*~*~*~

Omdat tijd in het andere leven geen betekenis heeft, arriveren zowel Isma’il als David vrijwel gelijktijdig in het schaduwland, zoals zij er over gaan denken. Geen van beiden heeft een erg goed idee waar ze zijn terechtgekomen. Het is er niet onplezierig. Honger kennen ze niet, van lichamelijke ongemakken is geen sprake, het weer is altijd gelijkmatig met een zwoel windje, maar het is wel vreemd dat geen van beiden ooit iemand anders zien dan elkaar. Toen ze elkaar voor het eerst tegenkwamen, herkenden ze elkaar vanuit hun tegengestelde invalshoeken. Jood ten opzichte van Palestijn en dat was aanvankelijk voor beiden moeilijk te aanvaarden. Toch leren ze elkaar geleidelijk wat beter kennen en uiteindelijk is er dat moment dat ze met elkaar in gesprek raken over oorlog en vrede. Het blijkt dat er uiteindelijk niet zoveel verschillen tussen hen beiden zijn en dat is voor allebei een verbazende gedachte.

Op dat moment komt er een rijzige gestalte aanwandelen om de hoek van de bossage waar ze in de schaduw zitten. Voor beiden is het een bekend figuur. David herkent de man onmiddellijk als de aartsvader Avraham. Isma’il weet zeker dat het Ibrahim moet zijn, een groot profeet zoals hij in de moskee heeft geleerd, die samen met Musa (Mozes) en Isa (Jesjoea/Jezus) één der dragers van de voorislamitische openbaring was.

Avraham/Ibrahim zegt met een glimlach: “Het is goed dat jullie met elkaar in gesprek zijn geraakt over zaken die jullie zo lang elkaars tegenovergestelde polen hebt doen zijn. Dat geeft een aanzet tot begrip en begrip is een voorwaarde tot het mogelijk worden van vrede in de landen die jullie beide volkeren delen, maar waar jullie zo’n grote moeite hebben om elkaar daar te verdragen. Jullie spraken over melk en honing. Het land dat door God, of Allah als je dat wilt, aan de Israëlieten is beloofd. Dat wil echter niet zeggen dat zij, die daar toen al woonden met wortel en tak zouden moeten worden uitgeroeid.”

“Kom met me mee; ik wil jullie wat laten zien. Het speelt zich af in Westerbork, waar jij David, geruime tijd – onder armzalige omstandigheden hebt doorgebracht. En ik zeg jou Isma’il, dat die omstandigheden niet veel verschilden van die, die jij in Jeruzalem hebt meegemaakt. Ik neem jullie mee om daar even te gaan kijken.”

~*~*~*~

Als ze daar aankomen, zien ze een vijftigtal mensen, mannen en vrouwen, hand in hand onder een kring van bomen staan. Het is zondag 28 oktober 2001 en al deze mensen vormen een grote cirkel, op het terrein van het voormalige interneringskamp.

Midden in de cirkel zijn enkele grote veren in de grond gestoken, die de aanwezigheid symboliseren van het volk der oorspronkelijke Amerikanen. Isma’il en David hebben nauwelijks weet van de uitroeiing van de indianen, maar ze voelen wel dat deze mensen een katalysator kunnen zijn voor de samensmelting van hun beider volken in het bijzonder en dat van alle mensen in het algemeen.

Samen met Avraham/Ibrahim zien ze een enorme gouden bol van Vergiffenis ontstaan die zich wentelend en uitbreidend over het gehele terrein uitstrekt, zodat het verdriet, de pijn en de zwaarte die daar zo sterk voelbaar zijn, worden verlicht, geheeld en getransformeerd. In het verlengde daarvan merken ze beiden dat er een moment in de toekomst zal kunnen komen dat Palestijnen én Israëlieten op een goede dag daadwerkelijk het land van melk en honing zullen kunnen delen. En dat niet alleen. Er komt een dag dat de aarde bevolkt zal worden door het mensdom. Eenheid in verscheidenheid. Dat zal een mooie dag zijn.