Wolken en water

Dorestad

De Nada Kronieken

deel 14

 


(Vervolg op ‘De Honingvlakte.' De Nadakronieken, deel 11)

Vodelmus Hiemertzoon van het Wiel, geboren A.D. 852 is de zoon van een mandenmaker te Dorestad in de Lage Landen bij de Zee. Vodo heeft schitterende ovale staalblauwe ogen, en is net 14 jaar geworden. Het gezin, men schrijft thans 866, bestaat verder uit moeder Mechte, Goldina van 13, de 12 jarige Almina, Isebrand, 11 jaar, en tenslotte Vinanda van 7.


Onverwacht begon de klok van het Godshuis in de stad te kleppen. Een langschip van de Noormannen was gesignaleerd! Sinds 817 was dat vaker gebeurd, maar nadat ze in 850 de stad hadden verwoest, was het in deze gewesten al 16 jaar lang betrekkelijk rustig geweest.

Het bleek om de Kolding te gaan, onder kapitein Ragnar van Valborg, bijgenaamd de Vorkbaard. Sinds de plundering van de stad Witla in 850 was er al die jaren een Noords garnizoen in Dorestad gevestigd geweest, maar die bestond uit slechts 20 man. Ze hielden zich rustig en zorgden er bovendien voor dat de rivierpiraten geen kans hadden om de handel, waaraan Dorestad rijk was geworden, te hinderen. De beginnende paniek ebde dan ook spoedig weg, omdat de noorderlingen bleken te zijn gekomen om het garnizoen af te lossen en om schatting te plegen.

De volgende morgen werd Almina met een partij eieren naar de markt gestuurd. Vodo liep met haar op om in het schooltje van Broeder Berthold onderricht te krijgen. Toen Almina op de markt haar eieren stond te verkopen kwam een van de stoere passagierende vikingen naar haar toe en maakte duidelijk dat hij een ei van haar wenste te kopen. “Hai,” zei de man, terwijl hij op zichzelf wees. “Jag år Holger Holmgren.” “Hallo,”antwoordde Almina blozend. “Ik heet Almina.” De noorman knikte. “Almina eh? “ Ja,” zei Almina en giechelde. Holger draaide wat om haar heen, nam een ei van haar aan en slurpte die leeg. Even later slenterde hij verder en het meisje bedacht dat ze deze knappe noorderling wel nooit meer te zien zou krijgen.

Een uurtje later zag ze uit de richting van de haven een drietal gespierde noorderlingen, omstuwd door enkele kooplieden, aankomen. De grootste van de drie was ongetwijfeld Ragnar. Hij was, mede door zijn knalrode haardos overbekend in Dorestad. “Die blonde met dat zwaard,” zei Carolus, Almina’s buurman op de markt, “is stuurman Fridjof Gyldedal. De derde is bootsman Frøde Valby.”

De drie mannen stopten bij de kraam van Carolus. De bootsman begon met hem te onderhandelen over de prijs van zijn appels. Onderwijl keek Almina tersluiks naar de woestelingen. Een huivering liep langs haar ruggengraat. Stel je voor dat ze bij dat volk op dat open schip mee over zee zou moeten. Op dat moment keek de vorkbaard in haar richting. Almina bloosde en keek snel een andere kant op. Even later waren de onderhandelingen ten einde en Carolus nam snel afscheid. “Ik moet voor de middag twintig zakken appels afleveren. Ze willen morgenochtend vroeg, bij zonsopgang, varen.”

Almina was behoorlijk in de war en bovendien zat ze nog steeds met haar mand met eieren die nog niet half leeg was. Ze moest op Vodo wachten om samen naar huis te lopen. Een half uurtje later nam Vodo afscheid van Broeder Berthold. “Bedankt voor de lessen broeder.” “Ja-ja, en je hebt weer buitengewoon goed opgelet,” zei de man ironisch. Maar ga nu maar gauw naar je zuster, want die staat al lang op je te wachten.” Hij rende naar de markt en keek rond op de plaats van haar kraam, maar tot zijn schrik kon hij zijn zusje in het gedrang niet vinden. Hij liep naar Carolus, die druk met zijn appels in de weer was. “Hé Carolus, waar is Almina?” “Huh”, antwoordde deze verward, “daarnet was ze hier nog.”

Na veel zoeken en vragen, bleek het dat Almina verdwenen was. Vodo was behoorlijk gefrustreerd geraakt en langzaam werd het donker. Hij werd steeds radelozer, benauwder en onvoorzichtiger. Toen hij met een reuzenvaart om de hoek van een graansilo rende, liep hij pardoes tegen een van de vierkante noorderlingen op. Het was de jonge koksmaat Holger Holmgren. De man schudde hem ruw door elkaar en verkocht hem vervolgens een oorvijg waarvan hij suizebolde.

“Au,” zei Vodo, waarop Holger hem in het Noords op gebiedende toon een vraag stelde.
“Almina”, was het enige wat hij kon antwoorden. Zonder iets te hebben verwacht, bleek dat onmiddellijk doel te treffen want Holger’s ogen lichtten op. Met gebaren maakte de Viking hem duidelijk dat het meisje was gevangengenomen en als oorlogsbuit op het langschip zat en mee moest naar Denemarken.

Thuis heerste verslagenheid en verdriet. Hiemert stortte volledig in en moeder Mechte zat stil voor zich uit te staren. Alleen Vodo hield zijn verstand bij elkaar. Ook hij zei niet veel maar begon wel vrijwel onmiddellijk plannen te beramen om te proberen zijn zus te ontzetten.

Later, op hun stromatras, stootte Vodo zachtjes zijn broer Isebrand aan. “Moet je horen. Straks, als het nog donker is ga ik proberen aan boord te komen om Almina te vinden en mee terug te nemen. Als dat niet lukt verstop ik me op het schip en proberen we later te vluchten als we in de moerasgebieden vlak bij de grote zee zijn. Daar kunnen ze nooit achter ons aan komen, want voor de Denen is dat onbekend gebied. Het kan een paar dagen duren, maar we komen beslist terug! En zeg niets tegen Pa en Ma voordat het licht is, want ze zouden me anders niet laten gaan!”

Toen het eindelijk licht was geworden stak Vodo voorzichtig zijn hoofd boven het dekzeil uit waaronder hij zich had verscholen. Hij keek om zich heen en zag dat ze zich midden op de trage brede rivier bevonden. Er was een lichte bries. De mast kraakte en de ra klapperde. Aan stuurboord kon hij de bossen en de heuvels van de Stichtse heuvelrug ontwaren en aan bakboord was het landschap moerassig en stond vol met enorme wilgenpartijen. Uitgestrekte rietkragen aan weerszijden van de oevers ontplooiden zich. Verder landinwaarts bestond het bos voornamelijk uit een groot aantal door elkaar heen groeiende lage kromme wilgen. Maar hier en daar stonden ook een aantal oude scheefgegroeide elzen en essen met ruwe verweerde stammen. Hier en daar stond een ooievaar of een reiger aan de oever te vissen, terwijl het schip voorbijvoer, dat werd voortbewogen door de roeiers op het trage ritme van de tamboer.

Plots werd Vodo’s blik getrokken naar een grijze wolkenformatie in het noorden, die vanaf de horizon tot eenderde hoogte van het zenit en van west naar oost een deel van de verder helderblauwe hemel bedekte. Waar had hij dit eerder gezien? Het scheen zo bekend en leek op een enorme hoogte, vele malen hoger dan de nabije heuvelrug. Hij bleef maar kijken, maar kon er niet achterkomen, wat dit zou kunnen zijn dat hem zo bekend voorkwam.

Opeens sprak een welluidende altstem in zijn linkeroor. Hij keek om maar zag niemand en haalde zijn schouders op. Maar weer was daar die stem.

“Goedemorgen Vodo. Je zit daar naar die wolkenband te kijken die zoveel in je wakker maakt. Je denkt dat het een hoogvlakte is e en je vraagt je af waar je dat eerder hebt gezien. Toch weet je zeker dat het zou kunnen want je hebt nooit een hogere heuvel gezien dan die van het Doornbos, niet ver hiervandaan.”

Vodo schudde zijn hoofd. Hij was bang, want hoewel, behalve waarschijnlijk Almina, niemand van het vrouwelijke geslacht aan boord kon zijn, klonk er duidelijk een vrouwenstem in zijn hoofd. Dat had hij nog nooit meegemaakt, en hij veronderstelde dat hij door alle emoties niet helemaal goed bij zijn verstand aan het worden was. Maar de stem ging verder.

“Toch vertegenwoordigt die wolkenformatie iets dat je wel degelijk eerder hebt gezien, maar dan op een andere tijd en plaats, hier heel ver vandaan. Op die plaats, Vodo, ligt de Honingvlakte, en het was daar dat wij elkaar voor het eerst ontmoetten. Het komt je onwaarschijnlijk voor, maar ik verzeker je dat wij indertijd een gesprek voerden, waarin ik je voorspelde dat je ooit in een situatie als dit verzeild zou raken. Want weet, beste Vodo, dit is het voorspel van datgene waarvan je indertijd gezegd hebt dat je in staat zou zijn het te doorstaan. Je zult zien dat deze weg je naar gebieden zult leiden waarin je in de positie zult zijn de toekomst van de mensen een beetje ten gunste te veranderen.”

~*~*~*~

Wordt vervolgd.