Oorspronkelijke Indianen 

© 2010 - Roely Anema

 

"Eindelijk weet ik wat me te doen staat. Ik besluit om mijn dagboeken na te pluizen op leerzame, herhalende en herinnerende dromen die me altijd in groten getale begeleid hebben in wie ik ben, wat ik ben en wat ik te doen heb..."

 


10.800 voor Christus-1997

Ik ben bewoner van een groot rond eiland. Heel, heel ver terug in de tijd. Het is een bijzonder eiland omdat het cirkels van water heeft waardoor er verschillende leefgebieden bestaan. Ieder gebied heeft een eigen cultuur en civilisatie. Het is een eiland waar mensen leven met een, door hun nauwe verbinding met de natuur, hoge vrijwel buitenaardse beschaving; goden en wezens zonder lichaam. Ik ben geen mens met armen en benen. Ik ben een vis-mens. Eens in het jaar werp ik me voor een periode op de aarde en spreek ik met de mensen in de omgeving. Dan help ik de mensen met hun weg van ontwikkeling.
Met mij zijn er nog meer vis-mensen. Vis-mensen leven voor een groot deel van het jaar teruggetrokken in de zachte bodemgrond van het water wat tussen twee leefgebieden in ligt. Dit water- en landleven is de overgang van het ene gebied naar het volgende. Iedere bewoner van dit eiland doorleeft op deze wijze alle ringen die het eiland biedt totdat het centrum wordt bereikt. De kern van dit centrale eiland wordt uitsluitend door volkomen ingewijde hoogbegaafde bewoners bewoond.

10.500 voor Christus-1999

Ik ben op Atlantis en woon in het leefgebied van de derde ring. Dit is een bergachtig gebied waarop verschillende bergriviertjes en watervallen voorkomen. Er is net een groep mannen teruggekomen van een wildwater tocht. Ik heb hun reis op afstand kunnen volgen. Het eindigde in het water tussen het tweede en derde leefgebied. De man die deze groep mannen in de boot heeft aangestuurd, laat zich vermoeid het land op rollen. Deze tochten worden elke dag als een training gehouden omdat de bewoners van het eiland zich aan het voorbereiden zijn op de overtocht naar het vasteland. Iedere bewoner van Atlantis weet namelijk dat Atlantis uiteindelijk onder water zal verdwijnen en dat deze tijd steeds dichterbij komt. De mensen van het eerste en tweede leefgebied zijn in deze overtocht ons leefgebied al geruime tijd terug voorgegaan.

De beide vrouwen van de vermoeide man komen ter verzorging naar hem toe. De oudste vrouw rolt hem in een grote doek, waarna de jongste heel stil en aandachtig zacht over hem heen loopt. Deze vorm van massage is een normale vruchtbare handeling die toegepast wordt om energie los te maken voor een gezond leefklimaat van de man.
Intussen loop ik naar de boot. Ik wil het tweede gedeelte, het gedeelte tussen de tweede en eerste ring met de mannen afdalen. Er ontstaat wat onrust, de mannen weten dat het niet eenvoudig is. Ze vragen of ik weet waaraan ik begin. Ze twijfelen aan me door mijn lichtzinnige houding en uitstraling. Ze weten dat het niet alleen om fysieke kracht gaat. Maar commando’s geven is iets waar ze zelf niet voor zullen kiezen. De man die hen eerder heeft aangestuurd komt naar ons gesprek luisteren. Hij zegt tegen de  mannen: ”laat haar maar gaan, laat haar maar ervaren. Zij heeft het commando, jullie zijn de mankracht.”
En zo gebeurt het. Ik zit niet aan kop, maar tussen de mannen in.

Het is een stormachtige, intensieve afdaling omdat, terwijl we daarmee bezig zijn, ons leefgebied door een immens grote kracht wordt verbrijzeld en onder water verdwijnt. Tijdens de afdaling besef ik dat ik de meeste mensen van ons leefgebied heel lang niet weer terug zal zien. Ik zie in een visioen hoe het land waarop ze zich bevonden verzwolgen en opgeslurpt is naar de diepten van het grote water.
Als de boot eindelijk in rustig vaarwater terecht is gekomen, ben ik als enige overgebleven. Het is heel stil om me heen. Heel in de verte zie ik op het vasteland een tempel in stralend licht staan. Ik kijk ernaar en weet dat ik vanaf nu een fysiek leven ga leven waarin mijn lichaam zal verouderen. Ik zal sterven en me daarna totaal ergens anders, op een totaal andere manier, verder ontwikkelen
     
2001
 
Ik ben aan het diepwater duiken. Mijn aandacht wordt getrokken door een spons die me lijkt te wenken. Ik volg het weekdier naar nog dieper water totdat we vlak boven de bodem uitkomen. Het water is daar zuiver en helder. Ik ga door dit water heen de aarde in, dieper en dieper. Er is vruchtbaar geel zand om me heen. Ik weet dat dit gedeelte van de aarde Atlantis is, het eiland dat ooit weer boven water zal verschijnen. Ik proef en voel me thuis in deze aarde. Ik herken dat het rode volk de oorspronkelijke bewoners, die toen nog niet als indianen werden aangeduid, zijn geweest van dit gedeelte van de aarde. Door de landverdeling van dit gedeelte van de aarde, zijn de bewoners in verschillende fasen naar het vasteland getrokken. Ze hebben zich verspreid over verschillende gebieden. Steeds weer een nieuwe bevolkingsgroep vormend, met een eigen levenswijze en kennis. Het onderscheid in ringen van wijsheid uit hun oorspronkelijke geboortegrond leefde op die manier voort.

Wat verderop zie ik een stuk muur waarin ik in de stenen iets zie wat hier door de bewoners is achtergelaten. Dit stuk muur is een deel van wat ooit een tempel is geweest. Dé tempel in het centrum. Deze tempel had een open nis van puur goud die gemaakt was in dezelfde vorm als de tempel. Via deze nis die ik hier voel en daardoor weer kan zien, weet ik dat in de lijnen van het dak van de tempel, de Zon links en de Maan rechts afgebeeld zijn geweest met hier tussenin de eerste 7 planeten.
In deze gouden nis was een holle ruimte die alleen te zien was wanneer de steen die ervoor geplaatst stond, weggehaald werd. In de holle ruimte werden vormen van ontwikkeling of wijsheid door inzicht en kennis weggeborgen en opgedragen aan de goden; waardoor het ter herinnering, kosmisch opgeslagen zou worden. Men deed afstand omdat de tijd van openbaring nog niet was aangebroken. Door dit in de muur van de tempel te plaatsen, bleef tevens de zuiverheid en wijsheid van de tempel gewaarborgd.
 
2003

Ik lig op mijn bed en luister naar een cd waarop het geluid van trommels te horen is. Het is een rustig opbouwend geluid van eerst één trommel met een herhalend ritme, waarna er in dezelfde cadans steeds meer trommels bijkomen. Op de achtergrond hoor ik kinderen heel  zachtjes een indiaans lied zingen. Langzaam glijd ik door diepe ontspanning weg, terug de tijd in. Ik kom eerst in een ’niets’ gebied dat zo donker als de nacht is. Het geluid zwelt langzaam aan. Ineens versta ik letterlijk wat er gezongen wordt en zie mezelf als meisje. Ik ben ongeveer 8 jaar, de dochter van het stamhoofd en de medicijnvrouw van onze stam. We leven in ronde hutten die voor het merendeel onder de grond gebouwd zijn, in de beschutting van het bos. De daken zijn van takken, aardeplaggen en rivierklei. Dicht bij de bosrand zijn grote open vlakten waar een rivier doorheen stroomt. We zijn een Noord Amerikaanse ‘Dakota’ stam. De kinderen van de stam zingen omdat de jagers die dag zijn teruggekomen met het vlees van Wapiti herten. Vlees is niet ons hoofdvoedsel. We leven voor het merendeel van onze eigen gezaaide granen, kruiden en specifieke aardeknollen. Het vlees wordt alleen gegeten tijdens rituele feesten. Het lied dat we zingen is een dankzegging aan de herten die zich aangeboden hebben voor deze rituelen. De mannen en vrouwen vallen later in met een lied wat een dankzegging is naar vader Zon en moeder Aarde voor de gewassen die we ieder jaar opnieuw rijkelijk mogen oogsten.

2005
Nu ben ik een Lakota indiaan in Noord Amerika. We zijn met een aantal mannen van onze stam een kudde buffels aan het opdrijven die enkelen van ons een aantal dagen terug hebben gesignaleerd. Het is vlak voor de winterperiode en onze stam heeft dringend vlees en nieuwe huiden nodig om de winter door te komen. Ik ben de zoon van het stamhoofd, ik ben nog jong. Voor mij is het één van de eerste keren dat ik mee mag. Naast me rijdt mijn bloedbroeder en vriend. Hij is een stuk ouder dan ik ben; ik moet naar hem luisteren. Het is een man van weinig woorden omdat hij als verhalenverteller zijn woorden bewaart totdat er een verhaal mee kan worden verteld. We hebben een specifieke manier  van jagen. We gebruiken onze omgeving optimaal, zodat we zeker weten dat alleen de leidende buffels degenen zijn die zich offeren voor ons bestaan. We drijven de kudde naar een kloof waardoor de eerste buffels door hun vaart de afgrond instorten. De overige dieren reageren hierna in een reflex en draaien dan nog net op tijd massaal weg van de afgrond. Dit moment is voor ons het gevaarlijkst, want zijn we niet snel genoeg dan is de kans groot dat we of meegaan de afgrond in, of dat we overlopen worden door de in paniek geraakte buffels die zich nog net massaal hebben weten af te wenden. We rijden zoveel mogelijk verspreid om de kudde heen. Dit lukt niet altijd door het hoge tempo van de buffels. Ook deze keer niet. Ik zie dat mijn vriend tussen de buffels door rijdt en ik probeer ruimte voor hem vrij te maken zodat hij er tussenuit kan komen. Dit lukt me niet, het veroorzaakt eerder meer chaos. Het lukt hem niet om vrij te komen en zie hem met de buffels de afgrond instorten. Ik schreeuw het uit en beloof hem en Grote Geest vanuit heel mijn wezen dat ik mijn vader niet zal opvolgen maar de volgende verhalenverteller zal worden.

2007
Ik ben op het platteland van Amerika. Het is er oneindig ruim, een prachtige omgeving en stralend zonnig weer.
Ik ben op een soort ranch waar vier paarden staan te wachten in voor elk een eigen ruimte tussen lage houten hekken. In de eerste ruimte staat een héél groot prachtig diep donker bruinzwart paard. Het is magisch groot. Naast dit paard staat een goudgeel paard, daarnaast één die roodbont is en het laatste is prachtig wit van kleur.
Ik ga naar het eerste paard toe, het ravenzwarte paard. Hij heet Tama en is in verhouding met mij heel veel groter. Mijn lengte is niet meer dan de benen van het paard. Toch herken ik me volledig in hem.
Tama is heel onrustig. Hij steigert en loopt nerveus tussen de hekken heen en weer. Terwijl ik hem blijf aankijken, loop ik rustig met opgeheven armen op hem af. Ik wil Tama laten zien dat ik geen teugels, geen zadel of wat dan ook bij me heb. Dat het hek volledig open is naar één kant en het dus alle ruimte krijgt om weg te kunnen.
Ik aai Tama zacht eerst over de benen, daarna over de hals en leg hem zonder met mijn mond te spreken uit waarom hij hier is. Hij heeft volgens een afspraak vanuit het verre indiaanse verleden rode linten om z’n enkels, die hem helpen herinneren waarheen zijn pad leidt, want het is de bedoeling dat de linten hem brengen naar het goud bruine paard.  Ieder van de vier paarden zal de wandeling voortzetten naar een andere windrichting. Ik vertel hem dat we elkaar hierna opnieuw zullen ontmoeten omdat we ons pad vanaf dat moment samen als gelijken verder zullen bewandelen. Dan bind ik het rode lint om iedere enkel van Tama.

2008
Ik sta samen met een vriend met een open tentje op een grote glooiende groene vlakte dat aan één kant grenst aan water. Aan de andere kant staan woonhuizen. Ik ben al een poosje wakker, Willem slaapt nog. Ik lig te genieten van het uitzicht op de vlakte en het water als ik een Indiaanse man aan zie komen lopen. Ik herken hem direct ondanks dat ik hem nog nooit gezien en gesproken heb. Ik weet dat het Archie Fire Lame Deer is. Mijn eerste reactie is, ik hou me slapende want anders gaat hij tegen me praten...mijn Engels is niet goed. Hij loopt eerst ook door maar komt dan toch terug, waar ik niet op rekende en ja toen had ik m'n ogen wel open.
Hij begroet me en ziet dan dat we nog in bed liggen. Hij verontschuldigt zich en maakt aanstalten om weer weg te lopen. Dat wil ik toch ook niet en roep hem terug met de vraag of hij misschien zin heeft om iets met ons te drinken. Hij komt terug.

Ik wek Willem om te zeggen dat Archie er is. Ik ga ervan uit dat hij voor Willem komt want hij kent Archie; ik niet. Intussen ga ik met koffie en thee aan de slag en is Willem degene die met Archie gaat praten.
Als we allemaal van drinken voorzien zijn, vraag ik hem wat hem hier bij ons brengt. Hij zegt: ”Ik kom jullie melden dat het de bedoeling is op visioenqueeste te gaan. Willem voor drie dagen en drie nachten en jij voor negen dagen en negen nachten.”
Ik verslik me zowat. Negen dagen en negen nachten! Waarom ik en waarom negen dagen en nachten? En dan nog, met welke vraag; ik heb helemaal geen vraag! Ik zeg: ”Wat maakt dat Willem maar drie dagen en drie nachten hoeft en ik zolang?
”Hij antwoordt, Willem heeft maar drie dagen nodig voor wat hij te horen krijgt, jij hebt meer informatie te verwerken.”
Ik vraag: ”Dan trek ik me dus negen dagen en nachten zonder eten en drinken terug de stilte in?”
Hij antwoordt: ”Nee, jij drinkt iedere dag een beker speciale thee.”
Ik houd helemaal niet van thee..., drink nooit thee, maar besluit m’n mond te houden. Ik vraag alleen nog wanneer hij meent dat we op zoektocht gaan. Hij antwoordt: ”Het juiste tijdstip word je vanzelf gewaar.” Dit vind ik een prettig antwoord, ik wil het gevoel hebben dat ik hierin zelf iets te sturen heb. We praten nog wat na en vraag hem dan: ”Hoe is dat eigenlijk voor jou. De beperkte ruimte en vrijheid die je hier nu om je heen hebt terwijl je al zo lang oneindige vlaktes en totale vrijheid gewend bent?”
Hij antwoordt lachend: ”Vrijheid zit in jezelf, niet in wat je met je ogen om je heen ziet en met je handen kunt aftasten, ik ben totaal vrij!”

2008

Ik sta te kijken naar de eerste voorbereidingen die getroffen zijn op verzoek van een héle oude kleine man. Deze man heeft een rood/bruine huid en draagt aardebruine kleding van heel, heel ver terug. Het is een sjamaan met Zuid Amerikaans-Indiaanse gelaatstrekken. De man is uit het niets zomaar ineens hier aanwezig. Ik ken zijn verleden niet, ik heb niet geweten dat hij hier al eerder was. Er is verder ook niemand onder ons die hem hier verwacht heeft. Hij spreekt heel weinig, heeft alleen gevraagd om een cirkel te maken waar middenin een vuur wordt aangelegd en waar omheen mensen plaats kunnen gaan nemen. Vanuit dit vuur zal hij overleveren wat er 11.000 jaren geleden is geweest en nu weer opgepakt kan worden voor de ontwikkeling van de huidige tijd.
Ik blijk de aangewezen persoon te zijn om deze vuurcirkel aan te leggen. Ik maak een spiraalvormige cirkel die vanuit de vuurplaats ontstaat en van daaruit omhoog draait naar de bovenste rand. Deze bovenste richel loopt gelijk met de omgeving van de cirkel. De oude man loopt er als schepper van deze cirkel omheen. Hij vraagt me de bovenste rand te verhogen. Hij wil die extra stevig hebben.
Terwijl ik zo bezig ben en intussen de oude man bekijk, ontdek ik tot mijn verrassing dat deze man ook in mij is. Ik ontdek dat ik óók deze hele oude man ben!
Hierna bespeur ik waarom de bovenste rand extra stevig gemaakt moet worden. Ik zie in dat dit ook nog weer een brede rand gaat worden. Op deze rand wordt straks als eerste een zweethut en een vuurplaats aangebracht. Pas daarna zal de rest van deze verstevigde opbouw verschijnen voor wat van toepassing is tijdens de overdracht.
Ik begrijp hoe het gaat. Deze oude man in mij is de opdrachtgever voor de voorbereidende  fase. Door zijn aanwezigheid in mij doe ik nu wat ik doe en zeg ik wat er te zeggen valt, zonder nu al te weten wat ik straks ga overdragen. Want dat weet nu nog alleen deze man in mij.

11.000 voor Christus - 2008
Ik zie mezelf zitten als een aansturende hoge Wijze in een diep donkerbruin/zwart lang  gewaad met nog drie gelijk getooide mannen. We dragen ieder een specifieke eigen kleur kleding. De één draagt een rood gewaad, die van de volgende is geel, terwijl de derde is gekleed in een wit gewaad. We zitten in een cirkel. Iedere man is gezeten op een van de windrichtingen. We komen van ver en hebben ons alle vier altijd al verbonden met hetzelfde eiland. We hebben net beraad gehouden. Het zal gaan over de ontwikkeling van de mensheid naar het Zonnetijdperk. We maken de gelofte om er zorg voor te dragen dat de oorspronkelijke Moon Dance weer in het leven teruggebracht zal worden als de ontwikkeling van de mensheid zover is dat de Sun Dance en de Moon Dance als één ceremonie herkend en gebruikt zal worden.

2010; ‘Oorspronkelijke indianen’
Ik zit voor het raam van mijn zolderkamertje. Vanuit dit raam heb ik een prachtig uitzicht over de omgeving. Ik ben schrijfster van beroep en schrijf op verzoek artikelen. Hier in deze kamer met dit uitzicht zijn al heel wat woorden op mijn laptop samengekomen tot een verhaal. Altijd bood het uitzicht redding wanneer er even een black-out ontstond tijdens het typen.
Helaas bood het me dit keer geen enkel perspectief over de titel waar ik iets voor op papier wilde krijgen. Steeds opnieuw begon ik mijn verhaal om dan toch weer halverwege alles te wissen. Ik liep steeds ook weer tegen de vraag aan: ”Wat wil ik nu! Wil ik schrijven over een bevolkingsgroep die zelf allang niet meer oorspronkelijk wil en kan zijn in hun manier van leven? Of wil ik misschien iemand zijn die met een verhaal aankomt over de uitroeiingen? Maar wat dan? Moet ik dan ook maar schrijven over allerlei andere onderdrukte en uitgeroeide volksstammen en mensenrassen met als achterliggende drive de mensen te helpen herinneren aan wat nooit meer mag gebeuren?

Halverwege mijn nieuwe poging vraag ik me ineens af: ”Over wie schrijf ik eigenlijk? Hoeveel mensen zijn er die nu, rood, wit, zwart of geel zijn en desondanks toch ook een verleden hebben waarin ze één van de eerste oorspronkelijke indianen waren? Hoeveel van deze mensen zijn nu, geheel volgens de ontwikkeling van de ziel, niet weer slachtoffer, maar in dit leven dader. Opnieuw heb ik mijn werk gewist. Het is alsof ik uit mijn slaap ontwaak. Ik weet nu wat me te doen staat. Ik besluit om mijn dagboeken na te pluizen op leerzame, herhalende en herinnerende dromen die me altijd in groten getale begeleid hebben in wie ik ben, wat ik ben en wat ik te doen heb.

Na enig knip en plakwerk zie ik heel helder het antwoord: ‘Ik ben een op en top witte Nederlander en tegelijkertijd ook een echte oorspronkelijke indiaan.’